Strafrecht overig

Verzoek tot uitlevering van Turkije ter fine van strafvervolging (uitspraak + advies). De uitleveringsrechter…

Rechtbank Den Haag, 30 januari 2018

Zaakgegevens

Op 30 januari 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
30 januari 2018
Datum publicatie
9 februari 2018
Zaaknummer
UTL-I-2017024738
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2018:1369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek tot uitlevering van Turkije ter fine van strafvervolging (uitspraak + advies). De uitleveringsrechter verwerpt een verweer betreffende ongenoegzaamheid van de stukken. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk doden van een ander. Wet noch verdrag vereisen dat de Turkse autoriteiten reeds aangeven of de verdachte zal worden vervolgd voor moord dan wel doodslag, zolang voor de opgeëiste persoon maar duidelijk is op welk feitencomplex de tegen hem gerezen verdenking ziet en welke straf daar maximaal voor kan worden opgelegd. Blijkens de verklaring die de opgeëiste persoon heeft afgelegd is voor hem duidelijk op welk feitencomplex het verzoek tot uitlevering ziet. De uitleveringsrechter verklaart de uitlevering toelaatbaar.

In het advies wordt aan de Minister geadviseerd om bij de beslissing of tot uitlevering zal worden overgegaan, rekening te houden met de omstandigheid dat het rechtssysteem in Turkije onder druk staat, er sprake is van slechte detentieomstandigheden in Turkije en de duur van voorlopige hechtenis in Turkije aanzienlijk kan zijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2017024738
Raadkamernummer 17/4589

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1

Het verzoek tot uitlevering

Bij brief van 18 juli 2017, heeft de ambassade van Turkije aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 16 mei 2017, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).

Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in Turkije verdacht van het opzettelijk doden van een ander.

Bij brief van 7 september 2017 van de Minister van Justitie en Veiligheid aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door Turkije gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.

1.2

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:

  • het vereiste door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • de vereiste uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

  • de vereiste stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;

  • informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.

  • een terugkeergarantie (niet van belang voor de beoordeling van de rechtbank)

1.3

De overige stukken

In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 december 2017, betreffende de opgeëiste persoon;

  • stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 20 november 2017, bij de rechtbank ingekomen op 20 november 2017, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek;

  • de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 16 januari 2018, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;

  • de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 16 januari 2018.

2 Het onderzoek ter zitting

2.1

De behandeling

Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 16 januari 2018. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsman mr. B. Stapert - heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd en dat hij de Nederlandse en ook de Turkse nationaliteit bezit.

Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. B. de Jonge.

2.2

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de stukken ongenoegzaam zijn, nu niet blijkt of de verdenking ziet op moord, dan wel doodslag of dood door schuld. Hiertoe is aangevoerd dat in de diplomatieke nota van de Turkse autoriteiten wordt gesteld dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van ‘intentional killing’, terwijl de beschrijving van de feiten lijkt te zien op ‘voluntary manslaughter’ en het bijgevoegde artikel 81 van het Turks Wetboek van Strafrecht volgens de vertaling spreekt van ‘unlawfull killing’.

2.3

De opvatting van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.

3 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

3.1

Inleiding

De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.

De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek.

3.2

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het verzoek is naast de UW het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) van toepassing.

3.3

Genoegzaamheid van de stukken

Het verzoek is schriftelijk gedaan langs de diplomatieke weg. Het verzoek is conform artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk doden van een ander. Wet noch verdrag vereisen dat de Turkse autoriteiten reeds aangeven of de verdachte zal worden vervolgd voor moord dan wel doodslag, zolang voor de opgeëiste persoon maar duidelijk is op welk feitencomplex de tegen hem gerezen verdenking ziet en welke straf daar maximaal voor kan worden opgelegd. Blijkens de verklaring die de opgeëiste persoon heeft afgelegd is voor hem duidelijk op welk feitencomplex het verzoek tot uitlevering ziet. Uit het door de Turkse autoriteiten bijgevoegde wetsartikel volgt daarnaast dat (kennelijk) een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de termen ‘intentional killing’, ‘voluntary manslaughter’ en ‘unlawfull killing’ elkaar niet uitsluiten en allen zien op het opzettelijk doden van een ander. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen van deze termen, noch het feitencomplex, dood door schuld omvatten.

Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor de verdenking. De stukken zijn derhalve genoegzaam.

3.4

Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan, indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van moord dan wel doodslag. Naar Turks recht staat op het opzettelijk dan wel onwettig doden van een ander een levenslange gevangenisstraf. Naar Nederlands recht is dit - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder artikel 287 (doodslag) dan wel artikel 289 (moord), en eveneens bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar.

3.5

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 december 2017 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Turks of Nederlands recht sprake van verjaring.

3.6

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.

3.7

Kennelijke onschuld

Van uitlevering dient te worden afgezien indien de opgeëiste persoon onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Van kennelijke onschuld kan enkel sprake zijn indien uit het verweer van de opgeëiste persoon - en de eventuele onderbouwing met stukken - volgt dat de opgeëiste persoon de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd materieel niet kan hebben gepleegd. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het incident waar hij in Turkije van wordt verdacht. Er is dan ook niet gesteld dat hij kennelijk onschuldig is.

3.8 (

Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten

Namens de opgeëiste persoon is noch aangevoerd noch gebleken dat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dan wel een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In haar advies zal de rechtbank evenwel verder ingaan op mogelijk dreigende schending van mensenrechten bij uitlevering van de opgeëiste persoon.

3.9

Tot slot

Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

4 De uitleveringsdetentie

Bij beslissing van 16 januari 2018 is de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen,

welke uitleveringsdetentie per beslissing van diezelfde datum is geschorst. De rechtbank zal

de geschorste uitleveringsdetentie handhaven.

5 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a van de UW;

- artikelen 1, 2 en 12 van het EUV;

- artikelen 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Turkse autoriteiten van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het feit zoals omschreven in de hiervoor onder 1.1 en 1.2 aangeduide documenten.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. W.G. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart en mr. J.L.D. Timmermans, griffiers,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 30 januari 2018.

Rechtbank den haag

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2017024738

Raadkamernummer 17/4589

Advies inzake uitlevering aan de minister van Justitie en Veiligheid

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, heeft bij uitspraak van heden, 30 januari 2018, de uitlevering aan Turkije van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] ,

verder te noemen: de opgeëiste persoon,

toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van deze uitspraak wordt u hierbij gezonden. De rechtbank adviseert in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.

Uitlevering van een Nederlander

Er is sprake van een uitlevering betreffende een Nederlander. Door de Turkse autoriteiten is daarom reeds een terugkeergarantie afgegeven.

Lopende vervolging in Nederland voor hetzelfde feit

Aan de rechtbank is niets bekend van een lopende vervolging in Nederland voor hetzelfde feit.

Gegrond vermoeden van discriminatie of bijzondere hardheid

De rechtbank heeft geen gegrond vermoeden van discriminatie of bijzondere hardheid.

Mensenrechtensituatie

De rechtbank heeft kennis genomen van de ontwikkelingen in Turkije sinds de mislukte staatgreep van juli 2016 via onder meer het Human Rights Report 2017 van het United States Department of State, het World Report 2017 van Human Rights Watch, het Amnesty International Report 2016/2017 van Amnesty International en de Concluding Observations of the Fourth Periodic Reports on Turkey van juni 2016 van het United Nations Committee against Torture. Deze ontwikkelingen zijn zorgwekkend, in het bijzonder het ontslag van een groot aantal rechters en officieren, waardoor het rechtssysteem onder druk staat.

Uit voormelde rapportages komt onder meer nog altijd als punt van zorg naar voren dat in Turkije de periode van voorlopige hechtenis aanzienlijk kan zijn. De rechtbank maakt u er op attent dat deze situatie ertoe heeft geleid dat eerder door de Turkse autoriteiten in een andere zaak betreffende een andere opgeëiste persoon een garantie is afgegeven dat het recht zal worden toegekend op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, conform de standaarden van artikel 6 van het EVRM, dan wel dat bij overschrijding van die termijn een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM ten dienste staat.

Voorts volgt uit voormelde rapportages dat sprake is van overbevolking in gevangenissen en dat gezondheidszorg in gevangenissen problematisch blijft. Er is een toenemend gebrek aan waarborgen tegen slechte behandeling in detentie, resulterend in een toename van meldingen over geweld tegen en bedreiging van gedetineerden. De rechtbank acht dit des te zorgelijker nu geregeld sprake is van lange voorlopige hechtenis.

Dit advies is gegeven door:

mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. W.G. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart en mr. J.L.D. Timmermans, griffiers.