Strafrecht overig

Strafovername van Turkije op grond van de WOTS en het EVIG.

Rechtbank Den Haag, 20 december 2018

Zaakgegevens

Op 20 december 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
20 december 2018
Datum publicatie
9 januari 2019
Zaaknummer
18/2545
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2018:15588
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Strafovername van Turkije op grond van de WOTS en het EVIG.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht

kenmerk WTS-I-2017004057

raadkamernummer 18/2545

Uitspraak van de rechtbank Den Haag, meervoudige kamer belast met de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: de WOTS), van 6 december 2018, op de vordering van 31 augustus 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de straf die bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van 17 juni 2010 is opgelegd aan:

[verdachte] ,

geboren in [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres: [adres] ,

verder te noemen: de veroordeelde.

1 Het verzoek tot tenuitvoerlegging en de verstrekte stukken

1.1

Het verzoek tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 17 juni 2010 van het Hof van Beroep in Antwerpen is aan de veroordeelde in hoger beroep een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht jaar, ter zake van het medeplegen van de invoer van verdovende middelen (te weten: 45.000 kg hasj) en het leidinggeven aan een criminele organisatie. Tegen voornoemd arrest heeft de veroordeelde op 25 juni 2010 cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 23 november 2010 is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is sinds 8 december 2010 onherroepelijk. Vanwege een fout in het arrest van het Hof van Beroep met betrekking tot het geboortejaar van de veroordeelde is er in België een zogenaamd arrest van toepasselijkheid gewezen.

Bij brief van 25 januari 2017 aan het (toenmalige) Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft het Belgische Ministerie van Justitie verzocht om de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen.

Bij brief van 10 februari 2017, ingekomen op 14 februari 2017, van de Minister van Veiligheid en Justitie aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het arrondissementsparket te Den Haag, is verzocht om het verzoek in behandeling te nemen.

Bij e-mail van 17 oktober 2018 zijn door het IRC - op verzoek van de raadsvrouw van de veroordeelde - aanvullende vragen gesteld aan de Belgische autoriteiten. De Belgische autoriteiten hebben hierop bij e-mail van 6 november 2018, voor zover thans van belang, laten weten dat het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van de Belgische straf betrekking heeft op [verdachte] , geboren in [geboortedatum] .

1.2

De door de staat van veroordeling verstrekte stukken

Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:

  • een gewaarmerkt afschrift van het vonnis en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen;

  • een opgave betreffende het reeds ondergane gedeelte van een veroordeling, daaronder begrepen inlichtingen omtrent voorlopige hechtenis, strafvermindering en elke andere voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling ter zake dienende omstandigheid.

1.3.

De overige verstrekte stukken

In het dossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 februari 2017, betreffende de veroordeelde;

  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 31 augustus 2018, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Hof van Beroep Antwerpen;

  • de schriftelijke conclusie van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 6 december 2018;

  • de pleitnotities van de raadsvrouw van de veroordeelde, overgelegd ter zitting op 6 december 2018.

2 Het onderzoek ter zitting

2.1

De behandeling

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018 en 6 december 2018.

De veroordeelde, bijgestaan door mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, is ter zitting gehoord.

De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij voornoemde persoon is, dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft en dat het arrest waarbij hij in België is veroordeeld hem bekend is.

Namens het openbaar ministerie is ter zitting verschenen officier van justitie mr. B. de Jonge.

2.2

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aan de rechtbank zijn schriftelijke conclusie overgelegd, die ertoe strekt dat de rechtbank aan veroordeelde – rekening houdend met het tijdsverloop in deze zaak – een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 3 (drie) jaren.

2.3

Het standpunt van de veroordeelde

Namens de veroordeelde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het arrest van het Hof van Beroep in Antwerpen, waarvan de overname van de tenuitvoerlegging is verzocht, een verstekvonnis is als bedoeld in artikel 21 van het Europees Verdrag inzake de geldigheid van strafvonnissen (hierna: het EVIG). Zij heeft daartoe aangevoerd dat de veroordeelde niet bij de behandeling van het hoger beroep aanwezig is geweest, terwijl dat beroep niet door hemzelf is ingesteld, maar door een raadsman die daartoe gemachtigd was door de zoon van de veroordeelde. Het arrest is niet conform artikel 45, eerste lid, van de WOTS aan de veroordeelde betekend en uit de stukken volgt niet dat er nog een verzetmogelijkheid openstaat voor de veroordeelde in België. Nu er geen duidelijkheid bestaat over de vraag of er nog een verzetmogelijkheid openstaat voor de veroordeelde in België dan wel in Nederland, verzet artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich tegen de overname van de straf aangezien de veroordeelde zich tegen de veroordeling onvoldoende heeft kunnen verdedigen, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de veroordeelde op te leggen, dan wel te volstaan met een gevangenisstraf van hooguit 12 maanden. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het leidinggeven aan een criminele organisatie waarvoor de veroordeelde is veroordeeld, naar Nederlands recht niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit. Verder heeft zij gewezen op het tijdsverloop in deze zaak, op het feit dat de veroordeelde in België na ommekomst van een derde van zijn straf in vrijheid zou zijn gesteld, alsmede op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

3 De beoordeling van de toelaatbaarheid

3.1

Toepasselijke wetten en verdragen

Met ingang van 1 november 2012 is de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging

vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties in werking getreden (hierna: de WETS).

De WETS geeft uitvoering aan twee kaderbesluiten van de Raad van de Europese Unie die

betrekking hebben op de wederzijdse erkenning van strafvonnissen (kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ). De WETS vervangt in relatie met de lidstaten

van de Europese Unie de WOTS. In relatie tot lidstaten van de Europese Unie waar de kaderbesluiten nog niet zijn geïmplementeerd blijft de WOTS van toepassing.

In België zijn de betreffende kaderbesluiten reeds enkele jaren geleden geïmplementeerd. Dit maakt desondanks niet dat in de onderhavige zaak de WETS van toepassing is. Op grond van artikel 5:2, derde lid, van de WETS is deze immers niet van toepassing op rechterlijke uitspraken die voor 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden, terwijl de betreffende veroordeling in België dateert van 17 juni 2010 en definitief uitvoerbaar is geworden sinds 8 december 2010. Op het verzoek is aldus de WOTS van toepassing.

Op het verzoek is naast de WOTS, het EVIG van toepassing.

3.2

Toelaatbaarheid tenuitvoerlegging

Ingevolge het tweede lid van artikel 21 van het EVIG is sprake van een verstekvonnis ingeval de veroordeelde niet in persoon ter terechtzitting is verschenen, ook indien hij zich aldaar heeft laten verdedigen door een raadsman. Op grond van het derde lid van artikel 21 van het EVIG wordt een in hoger beroep gewezen verstekvonnis evenwel beschouwd als op tegenspraak gewezen indien het beroep tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis is ingesteld door de veroordeelde. In dat geval heeft hij immers de mogelijkheid gehad een onderzoek ter terechtzitting in zijn aanwezigheid te bewerkstellingen en bestaat er derhalve geen noodzaak om te voorzien in een bijzonder rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7927).

Voor de onderhavige zaak betekent dit het volgende. Uit het arrest van het Hof van Beroep van 17 juli 2010 blijkt dat de veroordeelde tijdens de procedure in hoger beroep is vertegenwoordigd door zijn raadsman mr. T. Deben, advocaat bij de balie van Brussel.

De raadsman heeft in hoger beroep inhoudelijk verweer gevoerd namens de veroordeelde en daarbij argumenten (‘conclusies van de beklaagde’) naar voren gebracht. Voorts blijkt uit door de raadsvrouw overgelegde e-mailwisseling dat mr. Deben hoger beroep heeft ingesteld, nadat hij daartoe opdracht had gekregen van zijn “gebruikelijke contactpersoon”, de zoon van de veroordeelde. Niet blijkt dat de raadsman zonder medeweten van de veroordeelde beroep heeft ingesteld. Integendeel, de raadsman achtte zich kennelijk gemachtigd om namens de veroordeelde beroep in te stellen en tijdens de behandeling van het beroep namens de veroordeelde verweer te voeren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de veroordeelde voldoende mogelijkheid heeft gehad om een onderzoek ter terechtzitting in zijn aanwezigheid te bewerkstellingen. Gelet daarop moet het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd – voor de toepassing van het EVIG – worden beschouwd als op tegenspraak gewezen.

Conclusie

Het verzoek en de bijgevoegde stukken voldoen aan de in voormeld verdrag gestelde eisen. De stukken zijn derhalve genoegzaam.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit de behandeling ter zitting is gebleken dat voldaan is aan het bepaalde in de artikelen 3, 4, 6 en 7 van de WOTS en de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van het EVIG.

Gelet op het vorenstaande is van beletselen, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WOTS, niet gebleken. Overname van de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland is derhalve op verdrag en wet gegrond en toelaatbaar.

4 De strafoplegging

De rechtbank dient ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WOTS de straf of maatregel op te leggen die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de dader. Daarbij zal de rechtbank in het algemeen rekening houden met internationale gevoeligheden.

Ten laste van de veroordeelde is bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 17 juni 2010 bewezen verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van verdovende middelen (te weten: 45.000 kilo hasj) en het leidinggeven aan een criminele organisatie. Bij executie van de opgelegde gevangenisstraf in België, zou de veroordeelde – met het oog op verwijdering van het Belgische grondgebied – na ommekomst van een derde van de gevangenisstraf voor voorlopige invrijheidstelling in aanmerking zijn gekomen.

De feiten waarvoor de veroordeelde in België is veroordeeld leveren naar Nederlands recht op:

  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (artikelen 3 en 11 van de Opiumwet); en

  • als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat laatstgenoemd feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. Volgens de raadsvrouw geven de ten laste van de veroordeelde bewezen verklaarde gedragingen geen blijk van enige duurzaamheid en een gestructureerd verband. Ten laste van de veroordeelde is evenwel bewezen verklaard het “wetens en willens deel uitgemaakt te hebben als leidend persoon van een criminele organisatie, zijnde een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden (…)”. Dit feit komt voldoende overeen met het feit strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Ingevolge artikel 28, derde lid, van de WOTS kan de rechtbank niet treden in een verdergaand onderzoek naar de ten laste van de veroordeelde bewezen verklaarde gedragingen. Zij is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.

Ter zake van deze feiten kan in Nederland, rekening houdend met de bepaling over meerdaadse samenloop (artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht), een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren worden opgelegd.

Bij de omzetting van de in de België opgelegde straf neemt de rechtbank in aanmerking dat de aan de veroordeelde opgelegde straf hoger is dan de straffen die in vergelijkbare gevallen in Nederland worden opgelegd. Anderzijds laat de rechtbank meewegen dat de veroordeelde zich welbewust heeft blootgesteld aan het risico anders te worden bestraft dan in Nederland. Weliswaar heeft België ingestemd met de omzetting van de straf naar Nederlandse maatstaven, maar dit betekent niet dat geen rekening dient te worden gehouden met de aanvankelijk opgelegde straf. Voorts overweegt de rechtbank dat ook naar Nederlands recht de invoer van een dusdanig grote hoeveelheid softdrugs en het leidinggeven aan een criminele organisatie zeer ernstige feiten zijn. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking komt in de conclusie van de officier van justitie.

Verder houdt de rechtbank – ten gunste van de veroordeelde – rekening met het feit dat de Belgische veroordeling reeds uit 2010 dateert. Ook de afhandeling in Nederland van het verzoek tot strafovername is niet voortvarend verlopen. Het verzoek is immers reeds in januari 2017 door de Belgische autoriteiten aan Nederland gedaan, terwijl de vordering van de officier van justitie ex artikel 18 van de WOTS pas in augustus 2018 bij de rechtbank is ingediend. Hoewel van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM geen sprake kan zijn (zie het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:716), neemt de rechtbank dit tijdsverloop wel mee in de beoordeling van de op te leggen straf. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat het tijdsverloop niet alleen te wijten is aan de Belgische en Nederlandse autoriteiten, maar ook aan de veroordeelde. Na het onherroepelijk worden van zijn veroordeling heeft hij zich immers niet in België gemeld voor het uitzitten van zijn straf en hij heeft evenmin zelf actie ondernomen om tot omzetting van zijn straf te komen.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de veroordeelde zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 42 maanden in overeenstemming is met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, het tijdsverloop en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan uit het dossier is gebleken, waarbij tevens op - ook voor de veroordeelde - passende wijze rekening is gehouden met de internationale gevoeligheden.

5 Toepasselijke wetsbepalingen

De beslissing is gegrond op de volgende verdrags- en wetsartikelen:

- artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 30 en 31 van de WOTS;

- artikelen 2 e.v. van het EVIG;

- artikelen 47, 57, 140 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van 17 juni 2010 toelaatbaar;

verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing;

legt aan de veroordeelde ter zake de in voormeld arrest bewezen verklaarde feiten de volgende straf op:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 (TWEEËNVEERTIG) MAANDEN.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. E.J. van As, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Timmermans, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 20 december 2018.