Strafrecht overig

Voor een confrontatie tussen drie verdachten op 3 december 2013 worden twee van hen vrijgesproken en de ander…

Rechtbank Den Haag, 19 april 2019

Zaakgegevens

Op 19 april 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
19 april 2019
Datum publicatie
17 april 2019
Zaaknummer
09/211718-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:3772
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor een confrontatie tussen drie verdachten op 3 december 2013 worden twee van hen vrijgesproken en de ander veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling. De confrontatie maakt volgens de rechtbank deel uit van een langer lopend conflict tussen een van de verdachten en een familie, waartoe de twee andere verdachten behoren en waarin over en weer meerdere aangiftes van strafbare feiten zijn gedaan. Daarom gaat de rechtbank behoedzaam om met de door de verdachten afgelegde verklaringen. Omdat voor twee van hen uit de camerabeelden niet blijkt van gepleegd geweld en de enige getuige daarover ook niet rept, worden zij vrijgesproken. Aan de wel schuldige verdachte legt de rechtbank geen straf of maatregel op, onder meer vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de aandacht die er voor het conflict in de (social) media is geweest.

Aan een van de verdachten is ook nog belaging van een ander lid van genoemde familie in 2014 ten laste gelegd. Hoewel de gedragingen hinderlijk en irritant voor de aangever kunnen zijn geweest, spreekt de rechtbank de verdachte vrij vanwege het ontbreken van het vereiste oogmerk. De verdachte heeft de aangever wel veelvuldig gevolgd en op camera vastgelegd bij zijn werkzaamheden als zwanendrifter, maar het was de verdacht te doen om de zwanen en het leed dat die beesten werd aangedaan. De verdachte had als doel om handhavende instanties te voorzien van bewijs voor door zwanendrifters gepleegde strafbare feiten, zodat tegen hen kon worden opgetreden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/211718-15

Datum uitspraak: 19 april 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 september 2018 (inhoudelijke behandeling) en 8 april 2019 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Sannes en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mr. N. Wouters naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 december 2013 te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente

Bodegraven-Reeuwijk met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straatnaam]

in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit:

- het één of meerdere ma(a)l(en) slaan en/of schoppen en/of duwen en/of

trekken tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het één of meerdere ma(a)l(en) trekken aan het haar van die [slachtoffer] ;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 3 december 2013 te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente

Bodegraven-Reeuwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]

), één of meerdere ma(a)l(en) tegen/aan het lichaam heeft geduwd en/of

geslagen en/of geschopt en/of getrokken en/of aan het haar heeft getrokken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3. De beoordeling van de tenlastelegging

3.1

Inleiding

Aan de verdachte wordt primair ten laste gelegd openlijk geweld tegen [slachtoffer] en subsidiair mishandeling van deze [slachtoffer] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het haar primair en subsidiair tenlastegelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – op gronden zoals weergegeven in haar pleitnotities – vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat op 3 december 2013 te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente

Bodegraven-Reeuwijk, een confrontatie heeft plaats gevonden tussen aangeefster,

de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] .

Uit het dossier volgt dat de gebeurtenissen van 3 december 2013 hebben plaatsgevonden tegen de achtergrond van een reeds langer bestaand en ingewikkeld conflict tussen enerzijds [slachtoffer] en anderzijds leden van de familie [medeverdachte 1] . De verdachte en de medeverdachte behoren tot de familie [medeverdachte 1] . In de loop van dat conflict zijn er over en weer beschuldigingen geuit en is over en weer aangifte gedaan van strafbare feiten. Dat is ten aanzien van de confrontatie op 3 december 2013 ook het geval.

De rechtbank ziet daarin aanleiding om, zoals de officier van justitie in zijn requisitoir naar voren heeft gebracht, behoedzaam om te gaan met de verklaringen van de verdachte, de medeverdachte en de aangeefster (die zelf ook verdachte is van mishandeling van de verdachte en de medeverdachte op 3 december 2013). Ook de rechtbank is van oordeel dat een bewezenverklaring niet kan steunen op een of meer van de verklaringen van de drie direct betrokkenen, maar dat er steunbewijs nodig is om een of meer onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen te achten. Daarbij hecht de rechtbank met name waarde aan hetgeen te zien is op de ter terechtzitting van 24 september 2018 bekeken camerabeelden.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten wordt tegengesproken door andere bewijsmiddelen. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de verklaring van de verdachte en de medeverdachte. Ook uit de verklaring van de getuige [getuige] komen tegenstrijdigheden met de verklaring van de aangeefster naar voren. Verder blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit deze getuigenverklaring onvoldoende van handelingen van de verdachte, zoals de aangeefster die heeft beschreven.

De rechtbank heeft voorts op de camerabeelden geen handelingen van de verdachte waargenomen die als geweldshandeling of een substantiële bijdrage aan geweldshandelingen van een ander kunnen worden gekwalificeerd.

Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld of mishandeling, zoals ten laste gelegd.

Conclusie

Uit het bovenstaande volgt dat het aan de verdachte tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal de verdachte dan ook van het haar primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.A. Keulen, voorzitter,

mr. V.J. de Haan, rechter,

mr. P. Burgers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 april 2019.