Strafrecht overig
Veroordeling tot een gevangenisstraf voor het medeplegen van een woninginbraak door middel van het open…
Rechtbank Den Haag, 8 mei 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:4306 · Rechtbank Den Haag · 8 mei 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2020-4306
Zaakgegevens
Op 8 mei 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 8 mei 2020
- Datum publicatie
- 15 mei 2020
- Zaaknummer
- 09/837066-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4306
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling tot een gevangenisstraf voor het medeplegen van een woninginbraak door middel van het open flipperen van de deur
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/837066-20
Datum uitspraak: 8 mei 2020
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
[geboortedatum] ,
[adres 1] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 april 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Doves en van hetgeen de verdachte en haar raadsman mr. A.C. Vingerling naar voren hebben gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 23 januari 2020 te Leiderdorp tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een armband met een (gouden) bedeltje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffers] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen armband onder haar/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een stuk plastic, een zogeheten flipper, (het slot
van) de (achter)deur van voornoemde woning open te hebben gemaakt/geflipperd;
3 Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen met betrekking tot een bewezenverklaring.
De beoordeling van de tenlastelegging
Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2020 en de omstandigheid dat de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de gebezigde bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:
-
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2020;
-
het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , blz. 11-21;
-
proces-verbaal van bevindingen, blz. 27-28;
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat:
zij op 23 januari 2020 te Leiderdorp tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen aan de [adres 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een armband met een gouden bedeltje, toebehorende aan [slachtoffers] , zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft door middel van een valse sleutel, door met een stuk plastic, een zogeheten flipper, de achterdeur van voornoemde woning open te hebben gemaakt/geflipperd;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS oriëntatiepunten en daarbij in strafmatigende zin rekening te houden met het feit dat geen braakschade aan de woning van de benadeelde partij is toegebracht, dat het lang geleden is dat de verdachte voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie en justitie, dat de dochter van de verdachte is weggelopen van huis en dat detentie zwaarder dan normaal is vanwege de maatregelen die in de penitentiaire inrichtingen zijn getroffen tegen verspreiding van het coronavirus. De raadsman heeft voorgesteld om gelet op het voorgaande een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte niet langer duurt dan de reeds door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft samen met de twee andere vrouwen de achterdeur van een woning met een flipper geopend en in korte tijd de woning geheel overhoop gehaald, op zoek naar waardevolle spullen. Toen zij werden verrast door de thuiskomst van de bewoners, zijn ze gevlucht met als enige buit een armbandje met een gouden bedel.
De verdachte heeft er daarmee blijk van gegeven dat zij geen enkel respect heeft voor de persoonlijke eigendommen en de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van het huis waar ze heeft ingebroken. Zij heeft zich kennelijk laten leiden door financieel gewin, zonder erbij stil te staan dat de slachtoffers van dergelijke delicten er in de regel lang last van hebben dat vreemden in hun huis en in hun persoonlijke spullen hebben gezocht. Dit soort feiten brengen ook gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij buren en getuigen.
De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële documentatie d.d. 25 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in 2015 voor het laatst is veroordeeld voor een diefstal tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden zoals die zijn aangevoerd door de raadsman, zal de rechtbank een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet, zoals door de reclassering is geadviseerd, geen aanleiding er toe over te gaan bij het voorwaardelijke deel van de straf bijzondere voorwaarden op te leggen.
7 De in beslag genomen goederen
De vordering van de officier van justitie
De officier heeft de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag ter waarde van € 25,- gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft teruggave verzocht van het in beslag genomen geldbedrag.
Het oordeel van de rechtbank
Uit het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat het in beslag genomen geld een voorwerp is zoals bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat het – anders dan door de officier van justitie is betoogd – niet vatbaar is voor verbeurdverklaring.
De rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag ter waarde van € 25,- aan de verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 2 (TWEE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 25,-;
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.M.F. Holtrop, voorzitter,
mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Konings, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2020.