Strafrecht overig

Klaagschrift tegen in beslaggenomen goederen en tegoeden in het kader van een Europees Bevriezingsbevel…

Rechtbank Den Haag, 19 april 2022

Zaakgegevens

Op 19 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 april 2022
Datum publicatie
15 juni 2022
Zaaknummer
KRJ-I-2021022598
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:5725
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Klaagschrift tegen in beslaggenomen goederen en tegoeden in het kader van een Europees Bevriezingsbevel. Klagers hebben zich op het standpunt gesteld dat gezien de ernst van de huidige Poolse rechtsstaatproblematiek sprake is van een dwingende weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening. De rechtbank is dan van oordeel dat er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het EBB in het geval van klager(s) zou leiden tot een manifeste schending van hun grondrechten en dat geen sprake is van de dwingende weigeringsgrond ex artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening. De officier van justitie heeft het EBB dan ook mogen erkennen en tenuitvoerleggen. Het beklag is ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Lurisnummer: KRJ-I-2021022598

Raadkamernummers: 21/1849 en 21/1850

Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a juncto artikel 5.5.18 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager 1] ,

[geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

en

[klager 2]

[geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

beiden voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van hun advocaat

mr. R. Malewicz, adres: Van der Helstplein 3 te Amsterdam (1072 PH),

hierna: klagers.

1 Inleiding

Naar aanleiding van de uitvaardiging een Europees Bevriezingsbevel (hierna: EBB) van de Poolse autoriteiten en na verkrijging van een machtiging tot conservatoir beslag van de rechter-commissaris, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 13 juli 2021 onder meer beslag gelegd op:

  1. een voertuig van het merk Lexus, [kenteken 1] ;

  2. een voertuig van het merk Fiat, type Ducato met het Poolse [kenteken 2] ;

  3. saldo op rekeningen van [klager 1] , genummerd [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] ;

  4. saldo op rekeningen van [klager 2] met rekeningnummers [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] ;

  5. onroerende zaken gelegen aan:

[adres] te Den Haag;

[adres] te Den Haag;

[adres] te Den Haag;

[adres] te Den Haag.

Klagers hebben op 27 juli 2021 bij deze rechtbank een beklag ex artikel 552a van het Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van voormelde voorwerpen.

2 De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit beklag op 24 augustus 2021 in raadkamer behandeld. In de daarop volgende beslissing van 7 september 2021 heeft de rechtbank overwogen dat de door de verdediging aangevoerde gronden geen doel treffen en dat de namens klagers opgeworpen vraag of in de onderhavige zaak sprake is van een van toepassing zijnde dwingende weigeringsgrond ex artikel 8 lid 1 onder f van de Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: de EEB-Verordening) nader dient te worden beschouwd. Bij deze tussenbeslissing heeft de rechtbank daartoe het onderzoek ter zitting heropend en geschorst teneinde de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid te stellen zich aan de hand van door de rechtbank geformuleerde vragen hierover schriftelijk uit te laten.

Na ontvangst van de schriftelijke standpunten is de behandeling van het beklag ter zitting van de raadkamer van 7 december 2021 hervat, en is het onderzoek vervolgens wederom geschorst in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het EU Hof) naar aanleiding van de (tussen)beslissingen van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2021, waarbij in navolging van het Irish Supreme Court prejudiciële vragen zijn gesteld aan het EU Hof .

Het EU Hof heeft op 22 februari 2022 arrest gewezen in de gevoegde zaken C562/21 PPU en C563/21 PPU. Op 22 maart 2022 is het beklag opnieuw ter zitting van de raadkamer behandeld. Klagers zijn niet verschenen. Als raadsvrouw van klagers was aanwezig mr. Y. Nieboer, namens mr. Malewicz.

De officier van justitie, mr. B. de Jonge, is gehoord.

3 Het standpunt van klagers

3.1

Verzoek om aanhouding

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift dient te worden aangehouden teneinde het EU Hof de prejudiciële vraag te stellen of bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een weigeringsgrond ook in het geval van een EBB de zogenaamde tweestappentoets dient te worden toegepast, zoals het EU Hof bij het arrest van 22 februari 2022 heeft beslist over een Europees Aanhoudingsbevel (hierna: EAB). Volgens de raadsvouw kan namelijk niet zonder meer worden aangenomen dat deze toets ook geldt bij een EBB, dat immers van een geheel andere orde is. Daarbij is een dergelijke zware toets niet op zijn plaats.

3.2.

Het inhoudelijke standpunt

Het standpunt van klagers, zoals verwoord in voornoemde beslissing komt er – zakelijk weergegeven – op neer, dat gezien de ernst van de huidige Poolse rechtsstaatproblematiek sprake is van een dwingende weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening.

Klagers voeren hiertoe aan dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een onpartijdig gerecht ook gelden bij de uitvoering van bevriezingsbevelen zoals hier aan de orde, waarbij zij verwijzen naar artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), het eigendomsrecht zoals vervat in artikel 17 van het Handvest, en naar de EBB-Verordening, die voorschrijft dat de gewaarborgde rechten in het Handvest en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dienen te worden geëerbiedigd. Met name gezien de gebreken in de geldigheid van de benoemingsprocedure van rechters in Polen kan een onpartijdig gerecht niet worden verzekerd.

Met de tenuitvoerlegging van het EBB zou volgens klagers een oneerlijke en partijdige berechting in Polen worden gefaciliteerd en overdracht van de inbeslaggenomen goederen aan Polen zou een schending van het Handvest opleveren. Een uitvoerende staat dient, ondanks het vertrouwensbeginsel en het beginsel van wederzijdse erkenning, niet zonder meer mee te werken aan onderzoekshandelingen, bewijsvergaring en (de executie van) bevriezingsbevelen, maar dient eerst na te gaan of sprake is van een reële dreiging van schending van mensenrechten, zoals volgens klagers thans het geval is in Polen. Dit klemt te meer nu het voor een individuele justitiabele in de praktijk nagenoeg onmogelijk is om aan te tonen dat de uitvoering van een EBB een schending van individuele rechten, zoals het recht op een onpartijdig gerecht, zal opleveren.

Indien de rechtbank oordeelt dat de tweestappentoets ook van toepassing is in de onderhavige EBB-situatie, dan kan volgens de raadsvrouw gezien de jurisprudentie van de IRK worden aangenomen dat in Polen sprake is van ernstige rechtsstaatproblematiek (stap 1). Daarnaast zijn er in het geval van klagers volgens de raadsvrouw concrete aanwijzingen dat schending van het in artikel 47 van het Handvest vervatte grondrecht plaats zal vinden bij berechting van klagers in Polen, zodat zij een reëel gevaar lopen van schending van het in artikel 6 van het EVRM vervatte recht op een eerlijk proces (stap 2). Volgens de raadsvrouw zijn die concrete aanwijzingen erin gelegen dat de medeverdachte van [klager 1] , [medeverdachte] , in zijn cel in Nederland door een Poolse officier van justitie onder druk is gezet om een belastende verklaring tegen hem af te leggen. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op waaraan zwaarwegende gevolgen verbonden zouden moeten worden. Volgens de raadsvrouw is zeer aannemelijk dat de strafrechtelijke procedure tegen klagers in Polen oneerlijk zal verlopen. Dit noopt op zijn minst tot het stellen van vragen aan de Poolse autoriteiten, wat aanhouding van de behandeling van het klaagschrift met zich mee zou moeten brengen, aldus de raadsvrouw.

4 Het standpunt van de officier van justitie

4.1.

Aanhoudingsverzoek

De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek de behandeling van de zaak aan te houden.

4.2.

Het inhoudelijke standpunt

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, omdat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen. Dit standpunt komt op het volgende neer.

Volgens de officier van justitie dient, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, als uitgangspunt te gelden dat een EBB dat op grond van de EBB-Verordening wordt uitgevaardigd, wordt erkend en tenuitvoergelegd. Ingevolge artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening mag een EBB slechts worden geweigerd indien het nagenoeg zeker is dat de nog te voeren strafzaak oneerlijk zal verlopen, bijvoorbeeld indien voorshands duidelijk is dat klagers geen rechtsingang in Polen hebben om op te komen tegen een beslagbeslissing.

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de situatie waarin een EAB en die waarin een EBB aan de orde is. Dat onderscheid ziet met name op de omstandigheid dat bij de tenuitvoerlegging van een EAB de opgeëiste persoon na de overlevering direct met eventuele gebreken in het recht op een eerlijk proces zou kunnen worden geconfronteerd, hetgeen tot onomkeerbare gevolgen kan leiden. Dit maakt dat Nederland als uitvoerende staat de dreigende schending van fundamentele rechten nader dient de onderzoeken, omdat er nadien geen middelen meer zijn om die (dreigende) schending tegen te houden. De tenuitvoerlegging van een EBB is daarentegen veel minder ingrijpend. Weliswaar brengt een bevriezing een beperking van het recht op ongestoord eigendom met zich, maar op zichzelf niet een eigendomswijziging. Zolang een belanghebbende niet het voornemen heeft om tot vervreemding of bezwaring van het eigendom over te gaan, brengt de bevriezing geen last voor deze belanghebbenden mee. Indien vervreemding of bezwaring wel gewenst is, werkt het Openbaar Ministerie hier in de meeste gevallen onder voorwaarden aan mee.

Daarnaast is het systeem van de EBB-Verordening zodanig dat slechts nadat een onherroepelijk vonnis is gewezen een afzonderlijk confiscatiebevel zal worden uitgevaardigd door de Poolse justitie ten behoeve van de uitwinning. Nederland zal de dan voltooide Poolse rechtszaak kunnen beoordelen in het licht van de gelijkluidende weigeringsgrond die in artikel 19 lid 1 onder h van de EEB-Verordening is neergelegd.

Vereist is dan dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de fundamentele gebreken in de Poolse rechtsstaat in de bijzondere omstandigheden van deze zaak zullen leiden tot een manifeste schending. Een dergelijke schending is in de onderhavige zaak niet te voorzien. De officier van justitie zijn geen feiten bekend die erop duiden dat de onderhavige zaak een politiek gevoelige zaak is, noch zijn er aanwijzingen dat er druk op de rechter is of zal worden uitgeoefend. Gelet hierop acht de officier van justitie het hoogst onwaarschijnlijk dat de Nederlandse rechter in de toekomst een confiscatiebevel zal weigeren.

Volgens de officier van justitie zijn er, gegeven de niet-statische situatie in Polen, nu onvoldoende redenen om aan te nemen dat voorzienbaar is dat klagers geen eerlijk proces in Polen zullen krijgen. Het beginsel van wederzijds vertrouwen blijft zijn gelding houden. In dit kader verwijst de officier van justitie nog naar een uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBDH:2021:13386), waarin een beroep om niet over te gaan tot uitlevering aan Polen werd afgewezen, omdat het onvoldoende onderbouwd was. Mocht het voorgaande onverhoopt anders zijn, dan kunnen ernstige schendingen van rechten van de verdachte of belanghebbende eerst in het Poolse rechtssysteem worden gecorrigeerd.

Ter terechtzitting van 22 maart 2022 heeft de officier van justitie beaamd dat een Poolse officier van justitie de [medeverdachte] in zijn cel in Nederland heeft bezocht. Dit is gebeurd in het kader van het tegen deze uitgevaardigde EAB, waarbij de Poolse officier van justitie de exacte beschuldiging aan [medeverdachte] heeft voorgelezen, zoals het Poolse recht vereist. De (Nederlandse) officier van justitie was ter plekke. Hem is niet gebleken van de uitoefening van ongeoorloofde druk, maar als daar al sprake van zou zijn, dan dat brengt dat niet zonder meer mee dat klagers in Polen worden onderworpen aan een oneerlijk proces met partijdige en niet-onafhankelijke rechters. Het betrof hier immers een officier van justitie en geen rechter. Klagers hebben de mogelijkheid deze situatie aan een Poolse rechter voor te leggen, die vervolgens kan beslissen of sprake is geweest van een vormverzuim en daaraan eventueel consequenties kan verbinden.

De officier van justitie acht, gelet op het eerdergenoemde kenmerkende verschil tussen overlevering en bevriezing, de eerdergenoemde tweestappentoets niet van toepassing bij een EBB. Indien de rechtbank de tweestappentoets wel van toepassing acht, dan is de toets om te bepalen of een weigeringsgrond van toepassing is in ieder geval even streng of strenger dan de toets bij een EAB. In het onderhavige geval zal de toetsing of sprake is van een weigeringsgrond stranden bij stap 2, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de grondrechten van klagers zullen worden geschonden.

5 Het oordeel van de rechtbank

Aanhoudingsverzoek

Het verzoek de behandeling van de zaak aan te houden om het EU Hof prejudiciële vragen te stellen over de toepasselijkheid van de tweestappentoets ingeval van een EEB, wijst de rechtbank af om redenen die volgen uit het hierna overwogene.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in haar tussenbeslissing van 7 september 2021 heeft overwogen en beslist. Zij ziet zich voor de vraag gesteld of in de onderhavige zaak sprake is van de weigeringsgrond van artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening, als gevolg waarvan de officier van justitie de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBB had moeten weigeren. Concreet ligt de vraag voor of de (huidige) Poolse rechtsstaatproblematiek een gegronde reden oplevert om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het EBB in het geval van klager(s) zou leiden tot een manifeste schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht of de rechten van de verdediging.

Voor de regelgeving en het toepasselijke toetsingskader verwijst de rechtbank naar de (tussen)beslissing van 7 september 2021, onder 5.1 en 5.2.

De rechtbank stelt voorop dat met de EBB-Verordening regels zijn gesteld volgens welke een lidstaat een door een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat in een strafprocedure gegeven beslissing tot bevriezing op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Hiervoor gelden de beginselen van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en van wederzijdse erkenning, dat op het onderling vertrouwen tussen de lidstaten berust. Deze beginselen vereisen dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaan dat alle andere lidstaten het Unierecht en de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat lidstaten bij uitvoering van het Unierecht, behoudens uitzonderlijke gevallen, niet kunnen nagaan of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Unie gewaarborgde grondrechten heeft geëerbiedigd. Voornoemde beginselen komen tot uitdrukking in artikel 7 lid 1 van de EEB-Verordening waaruit – kort gezegd – blijkt dat erkenning en tenuitvoerlegging van een volgens de regels toegezonden EBB het uitgangspunt is. De EBB-Verordening is in de artikelen 5.5.14 tot en met 5.5.19 Sv geïmplementeerd.

De rechtbank leest in het arrest van het EU Hof d.d. 22 februari 2022, meer in het bijzonder in hetgeen is overwogen onder punt 83 e.v., dat in het kader van door Polen uitgevaardigde EAB’s – kort gezegd – de door het EU Hof in het arrest van 25 juli 2018 met betrekking tot artikel 47, tweede alinea, van het Handvest geformuleerde tweestappentoets in stand blijft. Dit betekent dat het aan de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd is om concrete gegevens over de invloed van structurele of fundamentele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat op zijn individuele geval aan te voeren. In dat verband volstaat naar het oordeel van het EU Hof niet de verstrekking van gegevens waaruit blijkt dat een of meer rechters die hebben deelgenomen aan de procedure die heeft geleid tot de veroordeling van de persoon om wiens overleving wordt verzocht, zijn benoemd op voorstel van een orgaan dat overwegend bestaat uit leden die de wetgevende of uitvoerende macht vertegenwoordigen of door hen zijn gekozen.

Ten aanzien van de vraag of dit arrest ook van betekenis is in geval van een EBB, overweegt de rechtbank het volgende. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een EAB een fundamenteel ander, en in termen van onomkeerbaarheid zwaarder, karakter heeft dan een EBB. Gelet daarop en gelet op de aan beide samenwerkingsinstrumenten ten grondslag liggende beginselen van wederzijds vertrouwen en van wederzijdse erkenning valt moeilijk in te zien dat de wijze van toetsing van een EBB minder streng zou zijn dan die van een EAB, in die zin dat de uitvoerende autoriteit zou kunnen volstaan met de beoordeling of op algemeen niveau een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces bestaat (stap 1). Dit zou er immers toe kunnen leiden dat een uitvoerende autoriteit bij een EBB eerder tot een weigering van erkenning en tenuitvoerlegging komt dan bij een EAB, terwijl laatstgenoemde beslissing verderstrekkende gevolgen heeft. Bovendien lijkt de (overeenkomstige) toepasselijkheid van de tweestappentoets in wezen al te volgen uit de bewoordingen van artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening, dat vereist dat sprake moet zijn van nauwkeurige en objectieve gegevens op basis waarvan kan worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging van het EBB in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest vervat grondrecht (cursivering rechtbank). Gelet hierop kan de beoordeling of aan de voorwaarden is voldaan van artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk anders worden uitgevoerd dan overeenkomstig de tweestappentoets. Er is dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.

De rechtbank dient dus eerst op algemeen niveau te beoordelen of er op basis van objectieve en nauwkeurige gegevens gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een reëel gevaar van manifeste schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht of de rechten van de verdediging bestaat. Indien dergelijke gegronde redenen worden vastgesteld, dient de rechtbank te beoordelen of klagers in hun specifieke omstandigheden een reëel gevaar lopen op een manifeste schending van hun grondrecht(en).

De rechtbank deelt de ernstige zorgen die bestaan met betrekking tot de rechtsstaat in Polen, maar overweegt dat de geconstateerde rechtsstatelijke problemen niet zonder meer meebrengen dat sprake is van een reëel gevaar op manifeste schending van de fundamentele grondrechten van klagers. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen het EU Hof in punt 87 van het arrest van 22 februari 2022 heeft overwogen.

Hetgeen de raadsvrouw in het specifieke geval van klagers heeft aangevoerd ten aanzien van het bezoek van een Poolse officier van justitie aan [medeverdachte] maakt dat niet anders, omdat, zo er in dat opzicht al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, dit volgens de rechtbank op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het recht van klagers op een eerlijk proces en een onpartijdige gerecht hierdoor of in verband daarmee zal worden geschonden. In dat verband is immers relevant, en dient naar het oordeel van de rechtbank te worden meegewogen, dat in voorkomend geval voor klager(s) mogelijkheden bestaan om een en ander in de Poolse strafprocedure aan te voeren en daar een beslissing over te krijgen. Voorts bestaat de mogelijkheid om een eventueel Pools confiscatiebevel waarvan de erkenning en tenuitvoerlegging aan Nederland wordt verzocht te toetsen aan de weigeringsgronden van artikel 19 van de EBB-Verordening. Dat op voorhand zou kunnen worden vastgesteld dat klagers deze mogelijkheden vruchteloos zouden aanwenden, is gesteld noch gebleken. Gelet op een en ander ziet de rechtbank geen aanleiding om de onderhavige beklagzaken aan te houden en vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten, zoals door de raadsvrouw meer subsidiair is verzocht.

De rechtbank is dan ook, met de officier van justitie, van oordeel dat er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het EBB in het geval van klager(s) zou leiden tot een manifeste schending van hun grondrechten. Gelet op het voorgaande is geen sprake van de dwingende weigeringsgrond ex artikel 8 lid 1 onder f van de EBB-Verordening. De officier van justitie heeft het EBB dan ook mogen erkennen en tenuitvoerleggen.

Het beklag is ongegrond.

6 Beslissing

De rechtbank

  • wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af;

  • verklaart het beklag ongegrond.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. J.C. U-A-Sai, voorzitter, mrs. H.P.M. Meskers en J.L.E. Bakels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.J. Groeneveld, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 april 2022.

Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter. De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

ECLI:NL:RBAMS:2021:5051 en ECLI:NL:RBAMS:2021:5052. Zaak C-480/21 (Minister for Justice and Equality). ECLI:EU:C:2022:100. Minister for Justice and Equality, C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 47-75. Zie in de punten 67 en 82 van het arrest van het EU Hof van 22 februari 2022. Punt 87 van het arrest van het EU Hof van 22 februari 2022. Zie ook de uitspraken van de IRK van 6 april 2022, o.a. ECLI:NL:RBAMS:2022:1836, waarin een algemeen reëel gevaar wordt vastgesteld van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.