Strafrecht overig
Vrijspraak voor zware mishandeling. Veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen personen, medeplegen…
Rechtbank Den Haag, 10 mei 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:7489 · Rechtbank Den Haag · 10 mei 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2023-7489
Zaakgegevens
Op 10 mei 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 10 mei 2023
- Datum publicatie
- 25 mei 2023
- Zaaknummer
- 09/065534-21 en 09/151185-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7489
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak voor zware mishandeling. Veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen personen, medeplegen poging tot doodslag, oplichting, witwassen en openlijke geweldpleging tegen een goed. 224 dagen gevangenisstraf, met aftrek, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden. 100 uur taakstraf. Meerdere vorderingen BP. Vordering TUL.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09/065534-21, 09/151185-22 (ttz gev) en 09/777065-19 (tul)
Datum uitspraak: 10 mei 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] hierna: de verdachte) ,
geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats] ,
[adres 1] .
1 Het onderzoek ter zitting
De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 april 2023.
De officier van justitie in deze zaak is mr. J. Buitenhuis en de advocaat van de verdachte is mr. C.C. Peterse te Den Haag. De verdachte is op de zitting verschenen.
2 De tenlastelegging
De verdachte wordt er, samengevat, van beschuldigd dat
? hij op 6 maart 2021 in Sassenheim samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden, door hem onder meer in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en te stompen, en hem met een mes te steken (09/065534-21 feit 1);
? hij van 1 oktober 2020 tot en met 30 oktober in Sassenheim [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] via Marktplaats heeft opgelicht (09/065534-21 feit 2);
? hij op 19 december 2020 in Sassenheim samen met anderen een camera heeft vernield, omschreven als openlijk geweld (09/065534-21 feit 3);
? hij van 1 oktober 2020 tot en met 30 oktober 2020 in Sassenheim een bedrag van € 644,50, verkregen door oplichtingen via Marktplaats, heeft witgewassen;
? hij op 19 juni 2022 in Noordwijk samen met anderen [slachtoffer 2] heeft geslagen, gestompt en geschopt tegen het hoofd en het lichaam (09/151185-22).
De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 09/065534-21 feit 1 primair ten laste gelegde. De verdachte en de medeverdachten hebben met zijn allen [slachtoffer 1] aangevallen, waarbij zij allemaal geweldshandelingen hebben verricht. Er is dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte kon niet weten dat de aangever gestoken zou worden met een mes, waardoor partiële vrijspraak dient te volgen van het steken met het mes. Het onder 09/0655334-21 feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden, nu de verdachte deze feiten heeft bekend.
De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 09/151185-22 primair ten laste gelegde. Zonder enige echte aanleiding is een uitbarsting van geweld ontstaan. Het geweld was te spontaan en te ongecoördineerd om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die het oogletsel van [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt. De onder 09/151185-22 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 09/065534-21 feit 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen die mogelijk tot de dood hadden kunnen leiden of die het zwaar lichamelijk letsel hebben veroorzaakt. Immers, de verdachte heeft [slachtoffer 1] alleen een paar klappen met de vlakke hand aan het begin van het incident gegeven. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 09/065534-21 ten laste gelegde feiten 2 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor het onder 09/065534-21 feit 3 ten laste gelegde dient vrijspraak te volgen, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de vernieling van de camera.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 09/151185-22 primair ten laste gelegde. De verdachte heeft geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het oog van [slachtoffer 2] .
Bewijsoverwegingen
09/065534-21, feit 1
De rechtbank stelt allereerst op basis van de door de aangever, de medeverdachten en de getuigen afgelegde verklaringen vast, dat [slachtoffer 1] op 6 maart 2021 in Sassenheim in de woning en in de tuin van [naam 6] door meerdere jongeren is geslagen, gestompt en geschopt. [slachtoffer 1] heeft hierdoor een ingedeukte rechteroogkas, vier fracturen in zijn gezicht, een breuk in zijn linkeroogkas, een breuk in zijn ruggenwervel en een schoenafdruk in zijn gezicht opgelopen. Ook is [slachtoffer 1] ten tijde van dit geweld gestoken met een mes of een ander scherp voorwerp en heeft hij als gevolg daarvan een diepe steekverwonding in zijn zij opgelopen.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte heeft zelf verklaard dat hij in de woning van de aangever was en dat hij daar de aangever met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen. Uit de verklaringen van de aangever blijkt dat de verdachte ter hoogte van de schouder van [slachtoffer 1] stond, toen hij in de foetushouding op de grond tegen de bank aanlag. Verder heeft de aangever verklaard dat iedereen die in de woning aanwezig was, hem trapte. De rechtbank overweegt dat ook uit de verklaring van [getuige] blijkt dat de verdachte die avond in de woning aanwezig was, dat de situatie binnen vijf seconden escaleerde van 0 naar 100, dat aangever letterlijk de tuin door werd getrapt en dat deze getuige iedereen op de aangever zag inslaan en op zijn hoofd zag intrappen. [getuige] heeft gezien dat alle aanwezigen, en hij noemt daarbij ook expliciet de verdachte, klappen en trappen hebben gegeven aan [slachtoffer 1] .
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij [slachtoffer 1] slechts enkele klappen met de vlakke hand heeft gegeven, het geweld juist heeft willen stoppen en niet aanwezig was bij het geweld in de tuin, gelet op het voorgaande, volstrekt ongeloofwaardig. Het dossier bevat bovendien ook geen enkele ondersteuning voor deze verklaring van de verdachte.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte heeft meegedaan aan de aanval op [slachtoffer 1] . Er is daarbij naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen, omdat de verdachten hierbij allen het slachtoffer hebben aangevallen en daarbij allemaal geweldshandelingen hebben verricht. Daarmee is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij de aanval op [slachtoffer 1] . De verdachte kan daarom ook verantwoordelijk worden gehouden voor de meeste geweldshandelingen van de mededaders.
De uitzondering hierop betreft het steken met het mes. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld wie [slachtoffer 1] heeft gestoken. De verdachte heeft deelgenomen aan het geweld, maar niet is komen vast te staan dat hij wist of moet hebben geweten dat er een mes of een andersoortig scherp voorwerp was, waardoor hij medeverantwoordelijk zou kunnen zijn voor het toebrengen van de steekwond. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het steken met een mes.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte opzet heeft gehad op de mogelijke dood van [slachtoffer 1] en zich dus schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg kan intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders naar algemene ervaringsregels tot de dood van [slachtoffer 1] had kunnen leiden. De rechtbank leidt dat af uit de verklaringen die zijn afgelegd over de intensiteit en duur van het geweld en het ernstige letsel dat [slachtoffer 1] daardoor heeft opgelopen. De geweldshandelingen bestonden uit het stompen, slaan en schoppen tegen meerdere – ook kwetsbare - plekken op het lichaam en tegen het hoofd van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] had meerdere breuken in zijn gezicht en had zelfs een schoenafdruk op zijn gezicht staan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders daarmee de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] als gevolg van het stompen, slaan en schoppen tegen het lichaam en het hoofd zou komen te overlijden bewust hebben aanvaard. Het opzet van de verdachte was aldus in voorwaardelijke zin gericht op de dood van [slachtoffer 1] . De bewezenverklaarde geweldshandelingen leveren naar het oordeel van de rechtbank om die reden, ook zonder dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van een mes of andersoortig scherp voorwerp, een poging tot doodslag op.
Gelet op het voorgaande kan bewezen worden verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven.
09/065534-21, feit 3
Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, aangezien de camera als zelfstandige actie door [medeverdachte 1] van de luifel is losgetrokken.
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op de camerabeelden van de juwelier is te zien dat de verdachte samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bij de gevel staat. De verdachte wijst als eerste naar de camera aan de luifel en draait deze vervolgens richting de gevel. [medeverdachte 1] draait even later aan de camera, waarna hij de camera van de luifel trekt. Op dat moment staat de verdachte naast [medeverdachte 1] .
Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de tenlastegelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarmee verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging komt zij tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
09/151185-22
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting vast dat de verdachte en de medeverdachten op 19 juni 2022 in Noordwijk om [slachtoffer 2] heen zijn gaan staan, hem hebben geduwd, hem meerdere klappen en vuistslagen tegen het hoofd hebben gegeven en hem met krukken hebben geslagen. De rechtbank stelt verder vast dat [slachtoffer 2] op de grond terecht is gekomen, waarna [slachtoffer 2] meerdere malen werd geslagen en geschopt tegen zijn lichaam en zijn hoofd. Door dit geweld heeft [slachtoffer 2] letsel opgelopen, onder ander bestaande uit schade aan de oogzenuw waardoor sprake is van gezichtsvelduitval van het rechteroog.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als het medeplegen van zware mishandeling dan wel als openlijke geweldpleging.
Zware mishandeling
Uit de door [slachtoffer 2] overgelegde stukken volgt dat [slachtoffer 2] schade aan de oogzenuw heeft opgelopen waardoor sprake is van (waarschijnlijk blijvend) gezichtsvelduitval van het rechteroog.
Hoewel blijvend oogletsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, is de rechtbank van oordeel dat het geheel van handelen van de verdachte en zijn medeverdachten geen zware mishandeling oplevert. Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde zware mishandeling is vereist dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht was op het toebrengen van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel, te weten schade aan het netvlies, althans blijvende schade aan het (rechter)oog. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier op zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De omstandigheid dat de verdachte, samen met anderen, [slachtoffer 2] heeft geslagen en geschopt, is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel in de vorm van specifiek blijvende schade aan het (rechter)oog zou bekomen, met name omdat dit niet een typisch gevolg is van uitgaansgeweld zoals hier aan de orde.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.
Openlijk geweld
Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 2] . Dit feit acht de rechtbank bewezen.
De rechtbank is op basis van de gebruikte bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich op 19 juni 2022 in Noordwijk, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] . De verdachte heeft immers, samen met anderen, [slachtoffer 2] meermalen en gedurende enige tijd geduwd, meerdere klappen en vuistslagen tegen het hoofd gegeven en [slachtoffer 2] , terwijl hij op de grond lag, meermalen geschopt en geslagen tegen zijn lichaam en zijn hoofd.
In bijlage II heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het onder 09/065534-21 feit 2 en 4 en het onder 09/151185-22 subsidiair bewezen verklaarde volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
09/065534-21, feiten 2 en 4
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het [nummer 1] , van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, bureau Katwijk-Noordwijk, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 239).
-
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , opgemaakt op 28 oktober 2020 (p. 23-25);
-
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , opgemaakt op 10 november 2020 (p. 59-60a);
-
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , opgemaakt op 11 november 2020 (p. 63-65);
-
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] , opgemaakt op 5 november 2020 (p. 84-86);
-
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] , opgemaakt op 10 november 2020 (p. 98-100);
-
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] , opgemaakt op 10 november 2020 (p. 112-114);
-
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 10 november 2020 (p. 126-128);
-
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 9 maart 2021 (p. 229-236);
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 december 2020 (p. 43-44).
09/151185-22
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het [nummer 2] , van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, bureau Katwijk-Noordwijk, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 193).
-
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 april 2023;
-
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , opgemaakt op 19 juni 2022 (p. 16-17);
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 juni 2022 (p. 47-49, met bijlagen p. 50-67);
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 oktober 2022 (p. 240).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
09/065534-21
1
hij op 6 maart 2021 te Sassenheim, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, genoemde [slachtoffer 1] (onder andere terwijl hij op de grond lag) meerdere malen
- met kracht in het gezicht en tegen het hoofd en tegen verschillende andere plekken op het lichaam heeft gestompt/geslagen en
- met geschoeide voet tegen de rug en/of in het gezicht en/of op/tegen het hoofd en tegen verschillende andere plekken op het lichaam heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 oktober 2020 te Sassenheim, in elk geval in Nederland meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag(en) door
- zich op Marktplaats voor te doen als aanbieder van een goed/verschillende goederen (waaronder Pokemonkaarten en/of Lego en/of computerspellen) en
- de indruk te wekken dat hij dit/deze goed(eren) in zijn bezit had door met genoemde personen over deze goederen te communiceren en een prijs af te spreken en
- genoemde personen voorgehouden dat zij dit/deze goed(eren) zou(den) ontvangen na betaling van het afgesproken bedrag en/of
- ( hierbij) gebruik te maken van een valse identiteit, waaronder [naam 2] en/of [naam 3] ;
3
hij op 19 december 2020 te Sassenheim, aan de openbare weg, de Hoofdstraat in Sassenheim, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een (beveiligings)camera, welk geweld bestond uit:
- het draaien van die camera en
- het duwen tegen die camera en
- het trekken aan die camera, waardoor deze is losgekomen van de muur;
4
hij in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 oktober 2020 te Sassenheim, in elk geval in Nederland, van verschillende geldbedragen van in totaal € 644,50, verkregen door marktplaatsoplichting van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ,
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en
dit voorwerp c.q. deze voorwerpen,
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
09/151185-22
hij op 19 juni 2022 te Noordwijk openlijk, te weten op de Hoofdstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , door om die [slachtoffer 2] heen te gaan staan en [slachtoffer 2] te duwen en [slachtoffer 2] meerdere klappen en vuistslagen tegen het hoofd te geven en, toen [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen te schoppen en te slaan tegen het lichaam en het hoofd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De op te leggen straffen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte volgens het volwassenstrafrecht veroordeeld wordt. Hij heeft daarbij een gevangenisstraf geëist voor de duur van 224 dagen, met aftrek, waarvan 112 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en een contactverbod met de slachtoffers welk contactverbod dadelijk uitvoerbaar verklaard moeten worden. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 200 uur geëist. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn voor de eerste paar feiten en met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit. Ook dient bij de strafoplegging rekening gehouden te worden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. De rechtbank is geschrokken van de grimmigheid waarmee de verdachte en de medeverdachten- het slachtoffer te lijf zijn gegaan.
Op grond van vage roddels en achterklap werd het slachtoffer, met wie de verdachte en zijn mededaders bevriend waren, zo toegetakeld dat de kans op overlijden als gevolg van het geweld aanwezig was. Het slachtoffer heeft ernstig letsel opgelopen, waaronder een ingedeukte oogkas, vier fracturen in zijn gezicht, met ook een fractuur van de voorhoofdsholte, lucht binnen de schedel en een breuk in de linker oogkas en in zijn ruggenwervel. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat zijn verwondingen goed zijn genezen en dat hij er geen blijvend lichamelijk letsel aan over houdt. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer, en zoals ook ter zitting door de vader van het slachtoffer is toegelicht, is wel naar voren gekomen dat het psychisch nog steeds niet goed met hem gaat. De rechtbank rekent het de verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat zij zulk bruut geweld hebben gebruikt. Het slachtoffer is daarbij ook nog in zijn zij gestoken. Dat kan de verdachte niet worden aangerekend. Zorgelijk is echter wel dat niemand verantwoordelijkheid neemt voor wat het slachtoffer is aangedaan, nu vrijwel iedereen betrokkenheid ontkent of zijn rol aanmerkelijk verkleint.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een in vereniging gepleegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] . Ook in dit geval was sprake van een niet te verklaren en niet goed te praten geweldsexplosie, waarde verdachte schijnbaar gedachteloos en zonder schroom aan deelnam. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer en uit de toelichting ter zitting door de advocaat van het slachtoffer blijkt duidelijk de ernst van de gevolgen van het tegen het slachtoffer gepleegde geweld, niet alleen fysiek maar ook psychisch. Het slachtoffer heeft (hoogstwaarschijnlijk) blijvend oogletsel opgelopen en heeft langdurig zijn beroep van zwemleraar niet kunnen uitoefenen. Ook heeft hij een scootmobiel moeten huren, omdat hij niet kon lopen ten gevolge van het door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde openlijk geweld. De rechtbank rekent het de verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat zij met zoveel mensen en nota bene ook nadat het slachtoffer weerloos op de grond lag, zulk wreed geweld hebben gebruikt.
De verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan oplichting, witwassen en openlijk geweld tegen een camera. De verdachte heeft daarbij geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen en heeft kennelijk alleen oog voor zijn eigen gewin gehad.
Strafblad
De rechtbank stelt aan de hand van de Justitiële Documentatie van 14 maart 2023 vast dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 12 oktober 2022 en van het advies van Reclassering Nederland van 5 april 2023. Er is, samengevat, als volgt gerapporteerd.
Pro Justitia-rapportage, opgesteld door dr. [naam 4] , klinisch psycholoog
De verdachte laat beperkte prosociale emoties zien en doet beperkt aan zelfcontemplatie. Het lukt hem onvoldoende om bij zijn gevoel te komen. Zijn denken en gedrag staan als het ware los van zijn gevoel, waardoor hij beperkt in contact is met zichzelf. Door zijn onvermogen tot introspectie lijkt hij op momenten niet te beschikken over de juiste emotionele reacties ten aanzien van zijn handelen jegens anderen. Ondanks zijn vertraagde inlevings-/gewetensontwikkeling beschikt hij wel over de cognitieve vaardigheden om onderscheid tussen ‘goed’ en ‘fout’ te kunnen maken. Gezien het feit echter dat hij minder dan één jaar geleden óók op impulsieve wijze een ernstig geweldsdelict (in vereniging) onder invloed van alcohol heeft gepleegd, had hij kunnen weten dat alcohol voor ontremming in gedrag kan zorgen. Hij had hierdoor van tevoren kunnen bedenken wat de consequenties van zijn handelen zouden kunnen zijn, indien hij opnieuw bij een vechtpartij betrokken zou raken. Voorts onderdrukt de verdachte vaak emoties van boosheid waardoor hij bij een frustrerende situatie, zoals de huidige verdenking van zware mishandeling in vereniging, zijn emoties juist in extreme mate kan uiten, en hij (mede onder invloed van de nodige alcohol) niet meer kan nadenken over een adequate oplossing van het conflict. Zijn beperkte introspectieve vaardigheden en gedragsmatige handelen leiden tot significante beperkingen in het functioneren op meerdere levensgebieden, waardoor in zijn geval kan worden gesproken van een normoverschrijdende gedragsstoornis. Deze heeft direct invloed gehad op het hem ten laste gelegde. Op basis hiervan wordt de rechtbank geadviseerd om de verdachte de hem tenlastegelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen.
Bij een afweging van de risico- en beschermende factoren wordt het recidiverisico matig/hoog geschat.
Vanuit de ASR wegingslijst wordt geadviseerd om in het geval van de verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen.
Advies Reclassering Nederland
De afgelopen maanden lijkt er sprake van een omkeer in het leven van de verdachte. Hij heeft betaald werk gevonden dat hem interesseert en waar hij zich volledig aan lijkt te hebben gewijd. Dit heeft ertoe geleid dat hij zijn motivatie tot gedragsverandering weet vol te houden. De verdachte is bereikbaar voor de jeugdreclassering en werkt hard aan zijn toekomst. Het contact met zijn ouders, dat voorheen niet zonder problemen verliep, is in de tussentijd aanzienlijk verbeterd. ITB Harde Kern, zoals in de Pro Justitia-rapportage geadviseerd, is niet toegepast omdat de verdachte al meerdere malen een soortgelijk traject had doorlopen en er daarnaast sprake lijkt te zijn van gedragsverandering. De jeugd- en volwassenreclassering zijn allebei tot de conclusie gekomen dat de mogelijkheden van pedagogische beïnvloeding binnen het jeugdstrafrecht momenteel zijn uitgeput. De verdachte maakt zelfstandig keuzes die gericht zijn op een delictvrije toekomst en hij stelt daarbij realistische doelen voor zichzelf. Het is van belang dat het zelfvertrouwen van de verdachte groeit en dat hij het gevoel krijgt dat hij zelf de regie heeft over de keuzes die hij maakt. Derhalve wordt in dit stadium geen meerwaarde gezien om (aanvullende) bijzondere voorwaarden te adviseren. De verdachte is reeds een ruime tijd in beeld geweest van de hulpverlening, zet goede stappen met betrekking tot zijn toekomst en verdient derhalve het voordeel van de twijfel.
De heer [naam 5] heeft, namens de jeugdreclassering, als deskundige ter terechtzitting het volgende naar voren gebracht. Het is voor de verdachte absoluut noodzakelijk dat hij niet drinkt en een structurele dagbesteding heeft. Inmiddels drinkt hij al geruime tijd geen alcohol meer en heeft hij werk dat hij leuk vindt. Behandeling bij De Waag is niet van de grond gekomen. Momenteel is er geen concreet zicht op behandeling. De begeleiding van de jeugdreclassering is afgerond. Het is het meest passend als de verdachte verder wordt begeleid door de jongvolwassenafdeling van Reclassering Nederland.
Toerekeningsvatbaar
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid over en acht de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Voor wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. Het uitgangspunt is dat een meerderjarige verdachte wordt berecht volgens het volwassenstrafrecht. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en het jeugdstrafrecht toe te passen. Zo was de verdachte ten tijde van de feiten 18 en 19 jaar oud en dus meerderjarig. Ten tijde van het plegen van de onderhavige delicten liep de verdachte in een proeftijd en werd hij al een tijd begeleid door de jeugdreclassering. Ook is al eerder ITB Harde Kern ingezet. Door de jeugdreclassering is ter terechtzitting aangegeven dat er binnen het jeugdstrafrecht geen mogelijkheden meer zijn om de verdachte verder te begeleiden .
Inmiddels is de verdachte bijna 21 jaar oud en werkt hij fulltime. Hoewel de rechtbank indicaties ziet voor het toepassen van het jeugdstrafrecht, vindt zij die niet doorslaggevend om tot toepassing van het jeugdstrafrecht over te gaan. Het volwassenstrafrecht biedt thans meer passende mogelijkheden voor begeleiding.
Al met al zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om opnieuw tot toepassing van het jeugdstrafrecht over te gaan. De verdachte wordt dan ook volgens het volwassenstrafrecht berecht.
Op te leggen straf of maatregel
De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, een gevangenisstraf passend en geboden is. Een deel van deze gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd met daaraan gekoppeld de meldplicht, een alcoholverbod en een contactverbod met de slachtoffers. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om het contactverbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte gedurende de proeftijd in beeld blijft bij de reclassering voor begeleiding en controle op het alcoholverbod. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om de verdachte een werkstraf op te leggen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van deze zaken, de jong meerderjarige leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke problematiek.
Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 224 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank de verdachte een taakstraf voor de duur van 100 uur opleggen.
7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
09/065534-21
[slachtoffer 1] , wettelijk vertegenwoordigd door mr. M.P. de Klerk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 6.066,78, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 2.066,78 aan materiële schade en € 4.000 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 107,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces, maar heeft geen schadevergoeding gevorderd.
[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 87,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
09/151185-22
[slachtoffer 2] , vertegenwoordigd door mr. P.J.W. de Water, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 21.834,60, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 1.834,60 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] geheel toewijsbaar zijn, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft de officier van justitie geconcludeerd tot het hoofdelijk opleggen van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] . De vordering van benadeelde partij [benadeelde 7] dient niet-ontvankelijk verklaard te worden. Het deel van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] dat ziet op vergoeding van de materiele schade is volledig toewijsbaar. Gelet op soortgelijke zaken is een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade passend en geboden. Ook heeft de officier van justitie geconcludeerd tot het hoofdelijk opleggen van deze vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het immateriële deel van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gematigd moet worden. De vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 4] zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] zal, voor zover deze ziet op de medische kosten en het eigen risico, afgewezen moeten worden, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het immateriële deel van deze vordering zal moeten worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De vordering is, hoewel namens de verdachte betwist, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 09/065534-21 feit 1 bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 6.066,78, bestaande uit € 2.066,78 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 6 maart 2021.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 09/065534-21 feit 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 6.066,78, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 maart 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .
De rechtbank stelt vast dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 65 dagen.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 09/0655334-21 feiten 2 en 4 bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 107,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 30 oktober 2020.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 09/065534-21 feiten 2 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 107,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2] .
De rechtbank stelt dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 2 dagen.
Benadeelde partij [aangever]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet is ingevuld.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.
Benadeelde partij [benadeelde 4]
De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 09/0655334-21 feiten 2 en 4 bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 87,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 30 oktober 2020.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 09/065534-21 feiten 2 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 87,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 4] .
De rechtbank stelt dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 1 dag.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Ook ten aanzien van de posten ‘huur scootmobiel’, ‘eigen bijdrage zorgverzekering’, ‘manuele therapie’ en ‘parkeerkosten’ is naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt als gevolg van het bewezenverklaarde feit waarvoor de verdachte medeverantwoordelijk is. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit waarvoor de verdachte medeverantwoordelijk is. De hoogte van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en is van oordeel dat de geleden immateriële schade naar billijkheid op dit moment op een bedrag van € 5.000,- moet worden vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel, de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 8.653,32, bestaande uit € 3.653,32 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 19 juni 2022.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 09/151185-22 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 8.653,32, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 juni 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 78 dagen.
8 De vordering tot tenuitvoerlegging
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank d.d. 9 juli 2020 (09/777065-19) voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen.
De officier van justitie vordert dat in plaats van een last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven, een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, zal worden gelast.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie omgezet zal moeten worden in een werkstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 15 maart 2023 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank d.d. 9 juli 2020, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en de omzetting daarvan in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur.
9 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 55, 63, 141, 287, 326, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 09/151185-22 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 09/151185-22 subsidiair en het onder 09/065534-21 feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 is omschreven en kwalificeert dit als
09/151185-22
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
09/065534-21
medeplegen poging tot doodslag;
oplichting;
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
witwassen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
straf en/of maatregel
veroordeelt de verdachte tot
een voor de duur van
gevangenisstraf 224 dagen
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf wordt afgetrokken;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot , niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die wordt vastgesteld op , houdt aan de volgende voorwaarden:
112 dagen 2 jaren
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
veroordeelt de verdachte voorts tot
een voor de duur van
taakstraf 100 uur;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van ;
50 dagen
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt de verdachte , tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 6.066,78, bestaande uit € 4.000,00 aan immateriële schade en € 2.066,78 aan materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 maart 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
[slachtoffer 1] hoofdelijk
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 6.066,78, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 maart 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd ;
[slachtoffer 1]
bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen;
bepaalt dat als de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 107,00 aan materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
[benadeelde 2]
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 107,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd ;
[benadeelde 2]
bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen;
bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 87,00 aan materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
[benadeelde 4]
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 87,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd ;
[benadeelde 4]
bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;
bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt de verdachte , tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van €8.653,32, bestaande uit € 5.000,00 aan immateriële schade en € 3.653,32 aan materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 juni 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
[slachtoffer 2] hoofdelijk
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 8.653,32, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 juni 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd ;
[slachtoffer 2]
bepaalt dat indien volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 78 dagen;
bepaalt dat als de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;
vordering tenuitvoerlegging
t.a.v. parketnummer 09/777065-19:
gelast een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van , subsidiair 30 dagen jeugddetentie, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de straf te geven;
60 uren
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, voorzitter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
en mr. D.M. Rupert, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier.
Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 10 mei 2023.
Mr. Rupert is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
.