Strafrecht overig

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Het…

Rechtbank Den Haag, 11 maart 2025

Zaakgegevens

Op 11 maart 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
11 maart 2025
Datum publicatie
19 maart 2025
Zaaknummer
09/767315-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:4369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Het voortzetten van de vervolging is onverenigbaar met de goede procesorde.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/767315-16

Datum uitspraak: 11 maart 2025

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),

BRP-adres: [adres 1] , [woonplaats] , Dominicaanse Republiek.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 december 2016 (pro forma) en 25 februari 2025 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Sam-Sin en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte, mr. D.M.P. van Eijsden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2026 tot en met 6 september 2016 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDEA, (onder andere 171,6 kg MDMA en/of 60 kg MDMA en/of 9 kg metamfetamine) zijnde metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDEA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

zij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 6 september 2016 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDEA, in elk geval een van een materiaal bevattende metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDEA, zijnde metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA en/of MDEA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- een ruimte ( [adres 2] ) ter beschikking gesteld en/of

- 171 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid MDMA (in ruwe vorm) voorhanden gehad en/of

- geld en/of betaalmiddelen voorhanden gehad (waarmee de huur van een [adres 2] werd betaald),

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3

zij in of omstreeks de periode van 01 september 2016 tot en met 4 oktober 2016, te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of horloge(s) (met een zeer hoge waarde) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf

4

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 4 oktober 2016 te ‘s-Gravenhage en/of Voorburg (gemeente Leidschendam-Voorburg) en/of Zoetermeer en/of Wateringen (gemeente Westland) en/of Poeldijk (gemeente Westland) en/of De Lier (gemeente Westland) en/of Rijswijk en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan organisaties, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisaties tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- “ het vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van MDMA en/of MDEA en/of amfetamine en/of metamfetamine (artikel 2 en/of 10 Opiumwet) en/of

- “ het plegen van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van MDMA en/of MDEA en/of amfetamine en/of metamfetamine (artikel l0a Opiumwet) en/of

- “ het als marktdeelnemer, de bevoegde instanties opzettelijk niet in kennis stellen van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen, dat/die er op wijst/wijzen of kan/kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen (artikel 2 WVMC).

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – op gronden zoals genoemd in haar requisitoir op schrift – gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdachte in deze zaak op 4 oktober 2016 is aangehouden en op 7 oktober 2016 in bewaring is gesteld. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Voor volwassenen geldt dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.

In dit geval is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zes jaren.

De Hoge Raad stelt als vuistregel dat, indien sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, dit niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderingsgevallen. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

In deze zaak is evenwel ook sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. De forse overschrijding van de redelijke termijn zal namelijk ook gevolgen hebben voor de waarheidsvinding. Naar het zich laat aanzien zouden er door de verdediging nog onderzoekswensen worden ingediend. Het is evident dat het tijdsverloop een ongunstige invloed heeft op de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Het is immers de vraag hoeveel waarde nog gehecht kan worden aan een getuigenverklaring die meer dan acht jaar na de pleegdatum wordt afgelegd. De verdediging, de officier van justitie en de rechtbank worden zodanig belemmerd in hun zoektocht naar de feiten en de mogelijkheid om bewijs op deugdelijke wijze te controleren en te waarderen, dat de beginselen van een behoorlijke procesorde door het tijdsverloop wezenlijk en onherstelbaar geschonden zijn.

Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat niet is gebleken van een zodanig maatschappelijk belang bij strafrechtelijke vervolging dat opweegt tegen de mate waarin het recht op een eerlijk proces is aangetast: de verdachte lijkt een uiterst ondergeschikte rol ter zake van de verweten gedragingen te hebben gehad, er zijn geen directe slachtofferbelangen, de verdachte is sinds 2016 niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen en woont al langere tijd niet meer in Nederland.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de officier van justitie het recht op strafvervolging heeft verloren en derhalve niet-ontvankelijk is in de (verdere) vervolging van de verdachte.

3 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.X. Cozijn, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. J.J. Balfoort, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. R.J. Groeneveld en M. van Doesburg, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2025.