Strafrecht overig

Poging tot doodslag. Steken met mes in buik slachtoffer. Gevangenisstraf 12 maanden, waarvan 6…

Rechtbank Den Haag, 12 juni 2026

Zaakgegevens

Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
12 juni 2026
Datum publicatie
15 juni 2026
Zaaknummer
09/137330-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16128
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag. Steken met mes in buik slachtoffer. Gevangenisstraf 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. Schermutseling, eerste vuistslag door slachtoffer. Ambtshalve beoordeling noodweer/noodweerexces. Reactie niet proportioneel. Geen hevige gemoedsbeweging. Verlenging en overschrijding redelijke termijn. Benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/137330-23

Datum uitspraak: 12 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sleeswijk Visser. Tevens heeft zij kennisgenomen van hetgeen door mr. J. Klein Molekamp namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 juni 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de buik, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 juni 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de buik, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het primaire feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit bekend en daarna niet anders verklaard.

De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023168084, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 123).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, op 6 juni 2023 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 25 juli 2023 (p. 79-80);

3. Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 9 juni 2023 (p. 86).

3.2.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 3 juni 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte

4.1.

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft zich tijdens zijn verhoren bij de politie en rechter-commissaris op het standpunt gesteld dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. De rechtbank begrijpt de verklaringen van de verdachte zo, dat hij een beroep doet op noodweer(exces).

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaringen en stukken in het dossier acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden relevant.

Op 3 juni 2023 vond een incident plaats aan de [adres 2] . De politie trof in die woning een slachtoffer aan met een steekwond in zijn buik waar een deel van een orgaan uit kwam. Enkele uren later meldde zich een persoon op het hoofdbureau van de politie om zichzelf aan te geven. Dit bleek verdachte [verdachte] te zijn.

De verdachte verklaarde in de woning op bezoek te zijn geweest bij [getuige] , die voor hem een drugsdealer zou bellen voor een bolletje. Toen de (vermeende) dealer even later aan de deur kwam, ontstond er tussen hem en de verdachte een woordenwisseling. De verdachte verklaart hierover: Hij zei dat ik iedere keer zo'n grote bek had en dat ik mijn mond moest houden want, dan anders zou hij mij de volgende keer neerstompen. Toen zei ik met mijn aangeschoten bek "nou dan doe je dat toch". Toen kreeg ik een vuistslag van hem tegen mijn oor. Ik verloor mijn evenwicht en ik zakte door mijn knieën. Ik zag dat hij boven mij stond. Ik was bang dat hij mij nog een keer zou slaan of schoppen. Voor hetzelfde geld schopte hij mij tegen mijn hoofd. Ik was als de dood. Je kan geen kant op met zijn drieën in dat halletje. Toen heb ik gestoken, toen schoot hij terug naar achteren, hij is om mij heen gelopen de woonkamer in en heeft de woonkamerdeur dichtgedaan. Ik ben toen weggevlucht.

De verbalisanten hebben tijdens het politieverhoor geconstateerd dat het linkeroor van de verdachte dikker was dan het andere oor. Ook zagen ze dat het oor rood verkleurd was.

[getuige] heeft een getuigenverklaring afgelegd, waarin hij bevestigt dat de verdachte als eerste werd geslagen. Volgens de getuige werd de verdachte daarbij geraakt ‘ergens op zijn hoofd of op zijn borst’. Ook heeft [getuige] verklaard dat over en weer is geslagen.

In zijn aangifte heeft het slachtoffer verklaard: Ik duwde hem van me af maar dat lukte niet waarop ik hem harder wegduwde en hij viel.

De rechtbank benadrukt dat verdachte de enige is die vanaf het begin open en eerlijk lijkt te hebben verklaard. Zijn verklaringen leggen dan ook verhoudingsgewijs meer gewicht in de schaal. Toch heeft ook [getuige] op enige moment verklaard over een schermutseling in zijn woning, waarbij hij niet alle schuld bij verdachte legde. Zijn verklaring over over en weer slaan maakt dat onvoldoende duidelijk is waartegen verdachte zich met zijn handeling zou hebben verdedigd. Volgens verdachtes eigen verklaring lag hij op de grond en vreesde hij (slechts) verder geweld.

Hoewel de eerste klap door het slachtoffer aannemelijk is geworden, laat de rechtbank in het licht van het voorgaande in het midden of daarmee de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich (al dan niet uiteindelijk) verdedigde voldoende aannemelijk is geworden.

Zelfs als immers een noodweersituatie aannemelijk zou zijn geworden, dan nog is het steken van een mes als reactie op een vuistslag niet proportioneel. Een ernstiger aanval is in elk geval niet aannemelijk geworden. Van noodweer als rechtvaardigingsgrond is reeds daarom geen sprake.

Of hem andere verdedigingswijzen of – middelen ten dienste stonden – zeer wel mogelijk had de verdachte kunnen weglopen in de richting van de woonkamer van [getuige] en de woonkamerdeur dicht kunnen doen, zoals het slachtoffer uiteindelijk heeft gedaan, dat daarbij (volgens de eigen verklaring van de verdachte) om de verdachte heen heeft moeten lopen – behoeft dan ook geen verdere beoordeling.

Noodweerexces

Uit het dossier zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die het ontstaan van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van die vuistslag of enige andere aanranding aannemelijk maken.

Van noodweerexces is dan ook evenmin sprake.

4.4.

Conclusie met betrekking tot de strafbaarheid

Het bewezenverklaarde en de verdachte zijn volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.

5 De strafoplegging

5.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft met een mes dat hij bij zich droeg het slachtoffer in de bovenbuik gestoken. Hiermee heeft hij het slachtoffer – met wie hij een woordenwisseling had omdat hij de verdachte geen verdovende middelen zou hebben willen geven – een ernstige verwonding toegebracht. Het slachtoffer heeft daarbij bloed verloren en moest met spoed een operatie ondergaan om het darmletsel te herstellen. Dat het slachtoffer het steekincident heeft overleefd is geenszins aan de verdachte te danken, maar is toe te schrijven aan adequaat optreden van de getuige.

In sterk strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat het bewijs in deze zaak met name afkomstig is van de verdachte zelf, omdat hij zich op de dag van het incident heeft gemeld bij de politie, zich meewerkend heeft opgesteld en een bekennende verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft daarbij gezegd zijn verantwoordelijkheid te willen nemen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte geen recente veroordelingen op zijn naam heeft staan. Wel is de verdachte in 2005 onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit en sindsdien meer dan eens voor andere geweldsfeiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.

Overschrijding van de redelijke termijn

Een omstandigheid die van invloed is op de duur van de op te leggen straf is het tijdsverloop. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de invloed van de verdediging op het procesverloop.

De rechtbank gaat uit van een aanvang van de redelijke termijn op 4 maart 2023, de dag

waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank wijst vonnis op 12 juni

2026, drie jaar en negen dagen na aanvang van de redelijke termijn.

De zaak tegen de verdachte is op 29 april 2025 voor het eerst door de meervoudige kamer behandeld. Op die zitting is de verdachte niet verschenen. Omdat de verdachte in zijn eerder afgelegde verklaringen een beroep deed op noodweer(exces), werd de behandeling van de zaak aangehouden. Vervolgens werd de zaak op 10 oktober 2025 in aanwezigheid van de verdachte behandeld, waarbij de verdachte te kennen gaf dat hij een wraking van de leden van de rechtbank overwoog en dat hij geen juridische bijstand van een advocaat wenste. Na die zitting heeft de verdachte de leden van de rechtbank gewraakt. Dat verzoek werd afgewezen. Op 20 februari 2026 werd de zaak opnieuw in aanwezigheid van de verdachte behandeld, waarbij hij nogmaals vrijwillig afstand deed van het recht op rechtsbijstand. Daarna werden de leden van de rechtbank gewraakt. Ook dat wrakingsverzoek is afgewezen.

De aanvankelijke aanhouding van de behandeling van de zaak was noodzakelijk vanwege de ernst van de verdenking en het niet verschijnen van verdachte – zodat onvoldoende duidelijk was of hij die ernst en de wenselijkheid van juridische bijstand kende. Dat maakte de zaak ingewikkeld. Verdachte heeft (ook) verder zelf een aanzienlijke invloed gehad op het procesverloop. Zijn verschillende verzoeken hebben geleid tot vertraging in de afdoening van de zaak.

Die omstandigheden maken dat de redelijke termijn in dit geval langer is dan het uitgangspunt van twee jaren. Als de duur van de periode tussen 13 mei 2025 (toen vroegstens vonnis had kunnen worden gewezen) en heden daarbij wordt gerekend, resteert per saldo een overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden en tien dagen.

De rechtbank zal, gelet op de omvang van die overschrijding, volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Strafoplegging

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank heeft in de overwegingen betrokken of nader onderzocht zou moeten worden of er leefgebieden of hulpvragen zijn, die bij de strafoplegging betrokken kunnen worden. Hoewel daarvoor aanwijzingen zijn in het gedrag van verdachte is er, gelet op het verloop van de eerdere zittingen en zijn niet-verschijnen op deze laatste zitting, onvoldoende aanleiding alsnog onderzoek door reclassering of NIFP te bevelen. De rechtbank betrekt daarbij ook het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2026 (sfeer proces-verbaal), waaruit blijkt dat de verdachte door de politie meerdere keren is gewezen op hulp bij diverse instanties, waaronder de Reclassering, en heeft aangegeven daarvan niets te willen weten.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden. Voorts zal de rechtbank een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en om hem de kans te bieden te laten zien dat hij dit kan waarmaken.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

6 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

6.1.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 11.183,51 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 248,51 aan materiële schade en € 10.935,00 aan immateriële schade. Ter terechtzitting heeft mr. Klein Molekamp de vordering namens de benadeelde partij gewijzigd in die zin dat het gevorderde bedrag onder de post immateriële schade wordt verhoogd tot een bedrag ter hoogte van € 13.668,75.

6.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3.

Het standpunt van de verdachte

De verdachte was niet op de terechtzitting aanwezig en heeft derhalve geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

6.4.1.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is door de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.748,51, bestaande uit € 248,51 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. Verder zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

6.4.2.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

6.4.3.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.748,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag ;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (MAANDEN), niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.748,51 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de heer [benadeelde] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 1.748,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de heer [benadeelde] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 17 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

mr. I. Jadib, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2026.