Strafrecht overig

Bewezenverklaring handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit…

Rechtbank Den Haag, 16 juni 2026

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
16 juni 2026
Zaaknummer
09/057599-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16200
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewezenverklaring handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie, meermalen gepleegd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/057599-25

Datum uitspraak: 16 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 2 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de bewijsbeslissing van het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024317552 (hierna: het procesdossier), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 183) of de pagina’s van de processen-verbaal van het onderzoek naar de wapens en munitie (hierna: PV WWM) (pagina 1 t/m 12).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 juni 2026;

2. Het proces-verbaal van verdenking, opgemaakt op 1 oktober 2024 (p. 65 - 66);

3. Het proces-verbaal van onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] op 4 april 2025 (p. 1 - 4 PV WWM):

4. Het proces-verbaal van onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] op 9 mei 2025 (p. 5 - 7 PV WWM):

5. Het proces-verbaal van onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] op 9 mei 2025 (p. 8 - 10 PV WWM):

6. Het proces-verbaal van onderzoek wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] op 9 mei 2025 (p. 11 - 12 PV WWM):

3.2.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 6 februari 2023 tot en met 1 oktober 2024 te Rijswijk,

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een

automatisch vuurwapen, van het merk Cugir, model PM model 63, kaliber

7.62x39mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en

- een wapen van categorie II, onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een

gewijzigd vuurwapen (zijnde een hagelgeweer waarvan de loop en de kolf zijn

ingekort), van het merk Omega, model 30, kaliber 12, zijnde een vuurwapen dat

zodanig is vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is en

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een

revolver, van het merk Taurus, model 85, kaliber .38 special, zijnde een vuurwapen

in de vorm van een revolver en

- munitie, te weten 4 stuks revolvermunitie van het merk Remington-Peters, kaliber

.38 special en37 stuks revolvermunitie van het merk Geco, kaliber .357 Magnum,

in de zin van van de Wet Wapens en Munitie, voorhanden heeft gehad;

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk

zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor de oplegging van een langdurige taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens en revolvermunitie. Hij heeft verklaard de wapens al ongeveer 12 jaar te bezitten, tot het moment dat deze wapens zijn ontdekt in zijn opslagbox door de politie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie in zijn algemeenheid brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Dat die risico’s zich realiseren blijkt uit de veelheid van geweldsincidenten waarbij vuurwapens zijn gebruikt en (dodelijke) slachtoffers moeten worden betreurd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens streng moet worden opgetreden.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in 2012 voor het laatst is veroordeeld voor een misdrijf. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij vroeger meerdere inbraken heeft gepleegd, maar dat dit nu in een ver verleden ligt. Verder heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij werk heeft, een woning huurt met zijn vrouw, en zorgt voor zijn 7 jarige dochter. De zorg voor hun dochter komt, vanwege ziekte van zijn vrouw, grotendeels op zijn schouders terecht.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit zoals hiervoor uiteengezet, in beginsel de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

Daar staat tegenover de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij de verboden wapens ongeveer 12 jaar geleden heeft verkregen, dat hij deze alleen had aangenomen uit fascinatie en dat hij nooit de bedoeling heeft gehad deze wapens te gaan gebruiken. De verdachte komt hierin op de rechtbank oprecht over. Bij deze inschatting betrekt de rechtbank de manier waarop de wapens zijn aangetroffen (het hagelgeweer en het automatische vuurwapen waren verpakt in meerdere lagen folie en geen van de wapens waren gereed om te vuren) en de openheid waarmee de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Verder heeft de rechtbank oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het komt de rechtbank voor dat de verdachte, na een crimineel verleden, zijn leven nu op orde heeft. De verdachte en zijn gezin zouden door een gevangenisstraf hard geraakt worden, hetgeen de rechtbank onder deze omstandigheden niet passend acht. De rechtbank zal daarom aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Vanwege de ernst van de feiten en om herhaling te voorkomen zal de rechtbank in plaats daarvan aan verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast legt zij hem de maximale taakstraf onvoorwaardelijk op, te weten een taakstraf van 240 uur.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 13, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,

mr. F.X. Cozijn, rechter,

mr. M.S. Verboom, rechter,

in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.