Strafrecht overig

Vrijspraak mensenhandel (seksuele uitbuiting). Verklaringen aangeefster onvoldoende betrouwbaar voor het…

Rechtbank Den Haag, 2 juni 2026

Zaakgegevens

Op 2 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 juni 2026
Datum publicatie
17 juni 2026
Zaaknummer
09/160102-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16296
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak mensenhandel (seksuele uitbuiting). Verklaringen aangeefster onvoldoende betrouwbaar voor het bewijs. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/160102-21

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ( [land 1] ),

BRP-adres: [adres] ( [land 2] ).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 september 2022, 28 november 2022 en 24 februari 2023 (alle pro forma) en 12 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A. Kilinç naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 mei 2026 - ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot en met 1 mei 2019 te Rotterdam en/of Nieuwekerk aan de IJssel en/of Capelle aan den IJssel en/of Den Haag en/of Breda en/of elders in Nederland en of te [plaats] (Bulgarije) en/of elders in Bulgarije, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een ander, genaamd [aangeefster] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [aangeefster] (sub 1) en/of
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4) en/of
- heeft gedwongen of bewogen haar, verdachte, en/of haar mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [aangeefster] met of voor een derde tegen betaling (sub 9), en/of
- die [aangeefster] heeft aangeworven en/of meegenomen met het oogmerk haar in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3) en/of
- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster] (sub 6)

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
- aan die [aangeefster] voorgesteld om naar Nederland te komen om te werken en/of tegen die [aangeefster] gezegd dat het werk in Nederland zou bestaan uit het inkopen van auto’s en/of schoonmaakwerk, althans regulier werk niet zijnde sekswerk en/of
- een vliegticket voor die [aangeefster] gekocht en/of die [aangeefster] naar het vliegveld gebracht en/of die [aangeefster] vergezeld naar Nederland en/of
- tegen die [aangeefster] gezegd dat zij in de prostitutie moest werken omdat het anders slecht zou aflopen met haar gezin/familie en/of dat haar gezin/familie anders vermoord zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of
- die [aangeefster] geslagen en/of bedreigd (met een mes) en/of aan haar haren getrokken en/of brandende sigaretten op haar rug (uit) gedrukt en/of
- die [aangeefster] (telkens) ondergebracht in een woning en/of met die [aangeefster] in een hotel en/of vakantiewoning verbleven en/of
- die [aangeefster] (zonder eten en/of drinken) in een kamer opgesloten en/of
- die [aangeefster] bewogen om verdovende middelen te gebruiken met klanten en/of verdovende middelen aan die [aangeefster] verstrekt en/of
- foto’s van die [aangeefster] gemaakt ten behoeve van (een) (seks)advertentie(s) en die advertentie(s) op sekssites geplaatst en/of
- betalingen verricht om (een) advertentie(s) omhoog te plaatsen en/of
- (telefonisch) contacten onderhouden met klanten en/of (een) afspra(a)k(en) met klanten gemaakt en/of
- die [aangeefster] van en naar klanten gebracht en/of
- het door die [aangeefster] verdiende geld afgenomen en/of door haar laten afstaan aan verdachte en/of haar mededader(s).

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de periode van 1 mei 2018 tot en met 15 maart 2019, gepleegd te Rotterdam, Nieuwerkerk aan den IJssel, Den Haag, elders in Nederland, [plaats] (Bulgarije) en elders in Bulgarije.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn – wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

3.3.

Vrijspraak

3.3.1.

Inleiding

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Dit standpunt steunt grotendeels op de verklaringen van de aangeefster, die over een periode van bijna vijf jaar bij de politie en de rechter-commissaris is gehoord en in totaal elf verklaringen heeft afgelegd.

De aangeefster heeft in grote lijnen het volgende verklaard. Zij kende de verdachte uit Duitsland en de medeverdachte uit Bulgarije en is door hen in mei 2018 met een smoes naar Nederland gelokt. Ze zou in Nederland “regulier” werk gaan doen. Zij reisde met de verdachte per vliegtuig vanuit Bulgarije via België naar Nederland, waar ze samen op verschillende adressen verbleven. De medeverdachte kwam af en toe langs vanuit Bulgarije. Kort na aankomst in Nederland kreeg de aangeefster van de verdachten te horen dat zij prostitutiewerk moest gaan doen, onder de bedreiging dat het anders niet goed zou aflopen met haar familie. De verdachte heeft via een advertentie op de sekswebsite Kinky.nl klanten voor de aangeefster geregeld. Alle communicatie met die klanten ging via de verdachte. Aangeefster werd door de medeverdachte of andere snorders naar haar klanten gebracht. Zij moest bijna non-stop werken, ook als ze ziek of ongesteld was. Ze sliep bijna niet. Als aangeefster het niet volhield, moest zij van de verdachten, ook samen met de klanten, drugs gebruiken. Daardoor is zij verslaafd geraakt. Zij mocht niks van de opbrengst van haar werkzaamheden zelf houden, op een enkele keer na dat zij geld kreeg om over te maken naar haar eigen familie. Als aangeefster niet wilde werken, werd zij geslagen en aan haar haren getrokken en werden er sigarettenpeuken op haar blote huid uitgedrukt. Ook werd ze soms opgesloten in haar kamer. De aangeefster had geen beschikking over een eigen telefoon en sprak de Nederlandse taal niet. Zij was dus afhankelijk van de verdachten en kon niemand om hulp vragen. Zij kon ook niet vluchten, want de verdachte was vrijwel altijd bij haar als aangeefster niet bij klanten was. Aangeefster was bovendien bang dat als zij niet meewerkte of zou proberen te vluchten, de verdachte, de medeverdachte of diens vrienden de dreigementen ten aanzien van haar familie zouden waarmaken. Geld dat de aangeefster verdiende moest zij aan de verdachten afstaan. In het voorjaar van 2019 is de aangeefster met haar toenmalige vriend, die zij had ontmoet vanuit haar prostitutiewerkzaamheden, toch gevlucht en naar de politie gegaan.

De verdachte heeft verklaard dat zij inderdaad een periode samen met, onder andere, de aangeefster als prostituee in Nederland heeft gewerkt. Zij bevestigt dat zij de aangeefster soms heeft geholpen met het vertalen van telefoon- en chatgesprekken met klanten, maar volgens haar is nooit sprake geweest van uitbuiting of van de gedragingen waarvan de aangeefster haar en de medeverdachte beschuldigt.

De raadsman van de verdachte heeft in zijn pleidooi uitvoerig gewezen op diverse inconsistenties in de verklaringen van aangeefster.

Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om te kunnen gebruiken voor het bewijs.

3.3.2.

De verklaringen van de aangeefster

De rechtbank stelt voorop dat zij op hoofdlijnen een rode draad kan herkennen in het verhaal dat de aangeefster in haar verschillende verklaringen heeft verteld. Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat die verklaringen op detailniveau tegenstrijdigheden en inconsistenties bevatten.

Zo heeft de aangeefster wisselend verklaard over haar ontmoeting met en relatie tot de medeverdachte. In het eerste verhoor op 20 september 2019 verklaarde ze dat zij de medeverdachte heeft leren kennen nadat zij was gestopt met haar werk als plukster van tabak. Zij was toen ongeveer 18 jaar oud. In het daaropvolgende verhoor van 13 oktober 2019 heeft ze uiteengezet dat ze hem in 2014 heeft ontmoet toen hij op visite was bij haar zus. Een jaar later kwam ze hem opnieuw tegen en na een maand kregen zij een intieme relatie. Dit was medio februari 2015. Pas een jaar daarna, in 2016, kwam zij erachter dat hij getrouwd was en heeft zij de relatie verbroken. In het verhoor van 28 november 2023 verklaarde ze bij de rechter-commissaris echter dat ze de medeverdachte pas heeft leren kennen nadat ze was teruggekomen uit Duitsland, waar zij – samen met de verdachte – ongeveer een half jaar werkte in een seksclub toen zij 19 of 20 jaar oud was. Op 14 juli 2022 verklaarde de aangeefster dat zij de medeverdachte al een lange tijd kende voordat zij medio 2018 enkele weken in België ging werken, enkele maanden voordat zij naar Nederland ging. Op 13 februari 2024 verklaarde de aangeefster echter dat ze de medeverdachte heeft leren kennen op de dag dat zij naar België vertrok. Later, in diezelfde verklaring, heeft de aangeefster verteld dat zij in de periode rond de jaarwisseling in Bulgarije, dus in de winter van 2018/2019, een trio heeft gehad met de verdachte en de medeverdachte en dat dit de eerste keer was dat zij ooit seks heeft gehad met de medeverdachte. Verderop in die verklaring komt ze terug op de periode en zegt ze dat dit is geweest toen zij in de zomer daarop samen in Bulgarije waren. Op 6 juli 2020 verklaarde zij echter dat zij tijdens de periode in Nederland ook seks met de medeverdachte had en in oktober 2019 verklaarde zij, zoals reeds benoemd, dat ze in de periode van 2015 tot 2016 ongeveer een jaar lang een intieme relatie met hem heeft gehad. De rechtbank wijst er daarnaast op dat de aangeefster naar eigen zeggen in de zomer na de jaarwisseling van 2018 op 2019 al met haar toenmalige vriend was vertrokken en niet meer in het bijzijn van de verdachten verkeerde.

Ook over de aanleiding om met de verdachte naar Nederland te reizen en onder welke voorwendselen dat zou zijn geweest, heeft aangeefster wisselende verklaringen afgelegd. Op 20 september 2019 verklaarde ze dat, nadat zij was gestopt met haar werk als tabak plukster, de medeverdachte met het voorstel kwam om in Nederland te gaan werken in de handel van tweedehands auto’s. De aangeefster vond dat meteen een goed idee en ze zou samen met zijn vrouw, naar later bleek de verdachte, naar Nederland reizen met het vliegtuig. Op 13 oktober 2019 heeft zij echter verklaard dat zij samen met de verdachte en de medeverdachte over het voorstel had gesproken. Deze gesprekken zouden hebben plaatsgevonden in de woning van de verdachte, in een casino en een dag later weer in een hotel. De aangeefster zei in dit verhoor juist dat zij haar bedenkingen had en pas na vier of vijf maanden na nieuw contact met de medeverdachte akkoord is gegaan. Zij vloog vervolgens met de verdachte van Bulgarije naar België, waarna zij naar Nederland zijn gebracht.

In het verhoor bij de rechter-commissaris op 28 november 2023 vertelde aangeefster anders, namelijk dat zij met de verdachte en de medeverdachte koffie aan het drinken was in Bulgarije en dat daar de mogelijkheden werden besproken om met de verdachte in Nederland te gaan werken als schoonmaakster in hotels. Dit terwijl de aangeefster ook nog in een eerder verhoor op 14 juli 2022 heeft verklaard dat zij niet wist dat de verdachte eveneens naar Nederland zou reizen en dat zij haar slechts toevallig was tegengekomen op het vliegveld. Bij navraag door de raadsman van de verdachte tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris van 13 februari 2024, over het soort werk wat aangeefster dacht te gaan verrichten, verklaarde zij nogmaals dat dit zou gaan om schoonmaakwerk in hotels. Even later verklaarde zij in datzelfde verhoor weer dat de medeverdachte had gezegd dat ze in een autowasstraat zou gaan werken.

Over de bedreigingen waaronder haar werd medegedeeld dat zij prostitutiewerk moest gaan (en blijven) verrichten, heeft aangeefster eveneens wisselend verklaard. In het eerste verhoor op 20 september 2019 verklaarde ze dat de medeverdachte een week na aankomst tegen haar heeft gezegd dat zij in de prostitutie moest werken, omdat ze anders niet naar Bulgarije konden reizen en het niet goed zou uitpakken voor haar familie. Op 13 februari 2024 verklaarde aangeefster wederom dat zij door de medeverdachte werd bedreigd en dat hij haar familie zou vermoorden als zij niet meewerkte. In datzelfde verhoor zei ze even later dat beide verdachten hebben gedreigd haar familie iets aan te (laten) doen. Vervolgens is zij op 13 juni 2025 nogmaals gehoord bij de rechter-commissaris en heeft zij verklaard dat het de verdachte was die dreigde de familie en de neefjes van aangeefster dood te maken en werkfoto’s van aangeefster in haar dorp te verspreiden. De medeverdachte zou haar nooit hebben bedreigd. Dat laatste staat haaks op de inhoud van haar eerdere verklaringen op dit punt.

Ten aanzien van de mishandelingen verklaarde de aangeefster in haar verhoor van 13 oktober 2019: “Zij sloegen mij”. Tijdens het verhoor van 10 november 2019 verklaarde aangeefster daarentegen dat de medeverdachte alleen naar haar schreeuwde en dat de verdachte degene was die haar sloeg, aan haar haren trok, haar met een mes bedreigde en sigarettenpeuken op haar uitdrukte. Op 13 februari 2024 heeft de aangeefster bij de rechter-commissaris verklaard dat de medeverdachte niet op de hoogte was van de mishandelingen en dat dit gebeurde buiten zijn aanwezigheid. In het verhoor van 13 juni 2025 kwam zij daar weer op terug en verklaarde zij dat de medeverdachte dit wel heeft zien gebeuren, maar dat hij daar niet op reageerde. Ook deze verklaringen, die toezien op de rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte, zijn tegenstrijdig aan elkaar.

Voorts heeft de aangeefster in het verhoor van 10 november 2019 verklaard dat zij gedurende de gehele ten laste gelegde periode niet beschikte over een telefoon. Zij kreeg alleen een kleine Nokia mee naar klantenafspraken. Later in hetzelfde verhoor verklaarde zij dat ze de telefoon tijdens het verblijf in [land 1] in januari 2019 wel heeft teruggekregen, maar dat die daarna weer door de verdachten is afgenomen. Op 28 november 2023 verklaarde ze bij de rechter-commissaris echter dat haar telefoon door de verdachte al bij aankomst in België was afgenomen en dat zij die nooit heeft teruggekregen. Daarnaast heeft de aangeefster in het verhoor bij de rechter-commissaris op 13 juni 2025 verklaard dat de medeverdachte op enig moment een telefoon voor haar heeft gekocht omdat zij veel geld had verdiend, maar dat de verdachte die kapot heeft gemaakt toen ze daar achter kwam. Ook deze verklaringen zijn tegenstrijdig en inconsistent.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de aangeefster ten aanzien van veel kwesties een aanzienlijke hoeveelheid inconsistenties en tegenstrijdigheden bevatten.

3.3.3.

Onvoldoende steun voor en weerleggingen van de verklaringen van aangeefster

Naar het oordeel van de rechtbank worden de verklaringen van de aangeefster ten aanzien van de uitbuitingssituatie daarnaast in onvoldoende mate gedragen door andere verklaringen en resultaten van het opsporingsonderzoek, of daardoor zelfs tegengesproken.

Eén van de belangrijkste redenen dat aangeefster naar eigen zeggen niet om hulp kon vragen, was dat zij niet over een eigen telefoon beschikte. Zij heeft dit op meerdere momenten verklaard. Haar verklaringen hierover worden echter niet gesteund door ander bewijs. Integendeel: de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben allebei, los van elkaar en over verschillende periodes binnen de ten laste gelegde periode, verklaard dat zij de aangeefster (continu) in de weer zagen met haar telefoon, waarbij de getuige [getuige 1] ook zag dat aangeefster actief was op sociale media. Bovendien is op de iPhone van aangeefster een foto aangetroffen van een auto die is gemaakt op het vakantiepark waar zij in Nederland verbleef. Op 6 juli 2020 verklaarde de aangeefster dat zij af en toe een klein deel van het door haar verdiende geld achterhield en daar dan een andere simkaart mee kocht om haar moeder te bellen. De moeder van de aangeefster heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij ongeveer één keer per maand met haar dochter belde en dat de aangeefster haar dan belde met haar eigen Bulgaarse nummer. Of zij nu een Nederlands nummer of een Bulgaars nummer had, uit de verklaring van moeder blijkt dat aangeefster de beschikking had over een telefoon en haar moeder kon bereiken. Dit strookt niet met de verklaring van de aangeefster dat zij helemaal geen telefoon kon gebruiken.

De verklaringen van de aangeefster worden ook op andere onderdelen niet gesteund door derden, bijvoorbeeld haar ouders en getuige [getuige 3] . Op 28 november 2023 verklaarde de aangeefster bij de rechter-commissaris dat zij in eerste instantie in Duitsland in de prostitutie was gaan werken omdat haar moeder ziek was, haar vader alcoholist was, en omdat haar ouders een lening hadden afgesloten die zij niet konden aflossen. In het eerste verhoor van 13 oktober 2019, verklaarde zij dat zij niet aan haar ouders kon vertellen wat voor werk zij moest doen, omdat haar moeder ziek was en dat niet zou overleven. In het telefoongesprek met aangeefster van 24 juni 2022, dat is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 787 van het procesdossier, vermeldt zij overigens dat het haar vader was die ziek was. Zowel de vader als de moeder van de aangeefster hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op geen enkel moment gezondheidsproblemen hebben gehad of dat er sprake was van financiële moeilijkheden binnen hun gezin. Ook de zus van de aangeefster, getuige [getuige 3] , verklaarde bij de rechter-commissaris het beeld van schulden of een lening bij haar ouders niet te herkennen.

Aangeefster geeft aan dat de verdachte brandende sigarettenpeuken op haar blote huid op haar rug zou hebben uitgedrukt, waardoor zij blijvend letsel heeft opgelopen in de vorm van littekens. Een forensisch arts heeft dit letsel bestudeerd aan de hand van foto’s. Het procesdossier bevat een beperkt aantal foto’s die bovendien van beperkte kwaliteit zijn. De rechtbank constateert dat de politie deze foto’s in november 2019 heeft gemaakt, ongeveer een half jaar nadat de aangeefster bij de verdachten is vertrokken. Uit de analyse van de forensisch arts volgt dat het letsel mogelijk zou kunnen passen bij het uitdrukken van sigaretten op de blote huid, maar dat het ook zijn oorsprong zou kunnen vinden in bijvoorbeeld een huidaandoening. Op grond van de in het dossier opgenomen foto’s, die ruim na de tenlastegelegde periode genomen zijn, en de verklaring van de arts, kan de rechtbank dit letsel niet zonder meer duiden als door de verdachte toegebracht letsel.

Met betrekking tot het gedwongen drugsgebruik merkt de rechtbank op dat de aangeefster in meerdere verklaringen heeft aangegeven dat zij door de verdachten werd gedwongen om tijdens de prostitutiewerkzaamheden drugs te gebruiken en dat zij daardoor verslaafd is geraakt. Geen van de gehoorde getuigen bevestigen echter het beeld dat zij gedwongen werd om drugs te gebruiken. Integendeel, de verdachte zou juist fel tegen drugsgebruik zijn en sprak de aangeefster daar ook regelmatig op aan, zo verklaarden de getuigen [getuige 1] en [getuige 4] .

Ten slotte heeft de aangeefster bij herhaling verklaard dat zij alle verdiensten van het prostitutiewerk moest afstaan aan de verdachten. Een enkele keer zou zij ongeveer vijftig euro hebben gekregen om naar haar ouders te sturen en af en toe hield ze zelf stiekem een klein bedrag achter om beltegoed of een simkaart van te kopen. De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de aangeefster in de ten laste gelegde periode meerdere malen geld heeft overgemaakt, onder andere naar haar familie. Hoewel de rechtbank erkent dat dit niet om grote bedragen gaat, is het totaal van de overboekingen naar haar familieleden wel aanzienlijk hoger dan waarover zij heeft verklaard. De aangeefster blijkt zodoende in ieder geval wel in enige mate geld tot haar beschikking te hebben gehad. Uit verklaringen van meerdere getuigen blijkt verder dat zij ook geld uitgaf aan verdovende middelen. Getuige [getuige 1] heeft over de periode dat zij met de aangeefster en de verdachte op het vakantiepark verbleef wel verklaard dat de aangeefster haar verdiende geld na een klus direct aan de verdachte overhandigde, maar zij kon verder niks verklaren over de afspraken die de aangeefster en de verdachte daarover hadden of over de uiteindelijke verdeling van het geld. Voor het overige blijkt eveneens nergens uit het dossier concreet dat de aangeefster het door haar verdiende geld volledig moest afstaan aan de verdachte en dat zij daarvan niks zelf mocht houden.

Getuigen die de verklaringen van aangeefster op essentiële punten over de ten laste gelegde uitbuitingshandelingen wel ondersteunen, bleken over die kwesties alleen van de aangeefster te hebben gehoord en daarvan geen eigen waarnemingen te hebben. Zij kunnen de verklaringen van de aangeefster en de betrouwbaarheid daarvan in zoverre dan ook niet ondersteunen. Andere onderdelen van de verklaringen van aangeefster komen helemaal niet terug in de in het procesdossier vastgestelde gegevens en kunnen op basis daarvan dus ook niet worden geverifieerd, bijvoorbeeld wat betreft de bedreigingen, het verplichte drugsgebruik, het opsluiten in haar kamer zonder eten of drinken of het kopen van een vliegticket voor aangeefster door een de verdachten.

3.3.4.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, bevatten de verklaringen van de aangeefster naar het oordeel van de rechtbank te veel tegenstrijdigheden en inconsistenties en worden zij in onvoldoende mate ondersteund door andere verklaringen of bevindingen in het dossier om buiten gerede twijfel vast te kunnen stellen dat er sprake is geweest van een uitbuitingssituatie. Zodoende zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

4 De vordering van de benadeelde partij

4.1.

De vordering

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert primair een bedrag aan schadevergoeding van € 165.130,00. Dit bedrag bestaat uit € 150.130,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. Subsidiair vordert de benadeelde partij een bedrag van € 47.600,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, in totaal € 62.600,00. Ten aanzien van zowel het primaire als het subsidiaire bedrag heeft de benadeelde gevorderd zowel verdachte als medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor het toe te wijzen bedrag, en dit te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2018. De benadeelde partij heeft tevens verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 157.476,00.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, omdat de benadeelde partij over haar eigen geld kon beschikken en aldus geen materiële schade heeft geleden.

Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering gelet op de bepleite vrijspraak niet kan worden toegewezen

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. J. Herfkens, rechter,

mr. C. Hofman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.