Strafrecht overig

Vrijspraak medeplegen van afpersing conform standpunten officier van justitie en raadsman.

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
09-095578-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17619
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak medeplegen van afpersing conform standpunten officier van justitie en raadsman.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-095578-25

Datum uitspraak: 18 juni 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting


De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 4 juni 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. R.B. Schiphuis en de raadsman van de verdachte is mr. J.N. Hoek te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

medeplichtigheid aan de afpersing van [benadeelde] op 12 maart 2025 in Delft, door [medeverdachte] te wijzen op een bestelling op naam van [benadeelde] , [medeverdachte] naar het adres van [benadeelde] te rijden en [medeverdachte] te vergezellen bij de woning van [benadeelde] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit.

3.3

Vrijspraak

De rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een strafbare rol van de verdachte.
De rechtbank zal de verdachte daarom zonder nadere motivering vrijspreken.

4 De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. Jagesar, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 19.869,25 althans € 19.421,10 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering, die op 3 juni 2026 is aangevuld, ziet op € 3.869,25/€ 3.412,10 aan materiële schade en € 16.000,- aan immateriële schade. Ter zitting heeft mr. Jagesar benadrukt dat de vordering van 3 juni 2026 moet worden gezien als een aanvulling op de eerder door de heer [benadeelde] zelf ingediende vordering. In deze eerder ingediende vordering is ook verzocht om vergoeding van materiële schade van € 300,- aan gestolen geld. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

7.1

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. van Die, kinderrechter, voorzitter,

mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,

en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.