Strafrecht overig

Vrijspraak van opzettelijke brandstichting.

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
8 juli 2026
Zaaknummer
09-251086-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18741
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van opzettelijke brandstichting.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/251086-24

Datum uitspraak: 8 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 24 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.A.G. Balkenende naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 juli 2024 te Zoeterwoude, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gelegen aan de [adres 2] , door open vuur, middels een aansteker en/of een sigaret, in aanraking te brengen met een kledingstuk, althans met een brandbare stof terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten genoemde woning en/of goederen in die woning en/of (een) naastgelegen woning(en) en/of goederen in die naastgelegen woning(en), en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer perso(o)n(en) welke aanwezig waren in genoemde woning en/of naastgelegen woning(en), te duchten was.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

3.3.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ontstaan van de brand

Op 19 juli 2024 is een brand ontstaan in de woning van verdachte. De verdachte heeft verklaard die dag overstuur te zijn geweest en ter kalmering, met haar bruidsjurk omgeslagen, in de kamer waar de brand is ontstaan een sigaret te hebben opgestoken. Vervolgens is in die kamer brand ontstaan. De verdachte heeft bij herhaling verklaard niet te weten hoe de brand is ontstaan.

Op basis van onderzoek van de forensische opsporing is een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand uitgesloten en is de bruidsjurk als brandhaard aangewezen. Nu de verdachte als enige in de woning was en zelf ook heeft verklaard dat er plots brand was ontstaan in de kamer waar zij aanwezig was, stelt de rechtbank vast dat de brand door toedoen van verdachte moet zijn ontstaan.

De vraag die de rechtbank dan dient te beantwoorden is of de brand opzettelijk is gesticht.

Geen sprake van opzet

De forensische opsporing heeft op basis van haar onderzoek geconcludeerd dat opzettelijke brandstichting de meest aannemelijke oorzaak is van de brand. Gebleken is dat het tijdrovend is om de jurk met een sigaret laten ontbranden. Het is daarentegen gemakkelijk en snel de jurk met een aansteker te laten ontbranden. De officier van justitie heeft die conclusie, tezamen met het feit dat de verdachte kort na de brand verward is aangetroffen en opmerkingen richting haar man heeft gemaakt als ‘ik word hier helemaal gek van, van jou en van alles’, ten grondslag gelegd aan haar standpunt dat sprake moet zijn geweest van opzettelijke brandstichting.

De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de brand opzettelijk heeft veroorzaakt. Zo sluiten de bevindingen van de forensische opsporing niet uit dat de bruidsjurk – zoals de verdediging ook naar voren heeft gebracht – bij het aansteken van de sigaret per ongeluk vlam heeft gevat. Dat dit geen ondenkbeeldig scenario is, blijkt mede uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat de bruidsjurk om haar schouders was geslagen en zij hevig beefde. Bij het aansteken van een sigaret komen de aansteker en de bruidsjurk onder die omstandigheden dicht bij elkaar in de buurt, dan wel met elkaar in contact.

Dat de verdachte in een verwarde toestand verkeerde, maakt voorgaande niet anders, nu dat op zichzelf ook geen bewijs oplevert voor de conclusie dat de bruidsjurk opzettelijk in brand is gestoken. De genoemde uitlatingen door de verdachte zijn bovendien gedaan nadat de brand is ontstaan, waardoor niet valt uit te sluiten dat deze opmerkingen zijn gedaan vanwege het ontstaan van de brand of de schrik bij verdachte.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht. De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken.

4. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Hengeveld, voorzitter,

mr. F.X. Cozijn, rechter,

mr. M.R. Aaron, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.