Strafrecht overig

Voorhanden hebben vuurwapen en patronen in woning. Verminderde toerekening. Gevangenisstraf 240 dagen waarvan…

Rechtbank Den Haag, 31 juli 2026

Zaakgegevens

Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
31 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
09/040015-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21405
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorhanden hebben vuurwapen en patronen in woning. Verminderde toerekening. Gevangenisstraf 240 dagen waarvan 76 dagen voorwaardelijk. Bijzondere voorwaarden met dadelijke uitvoerbaarheid. Reeds afgegeven zorgmachtiging. Voorlopige hechtenis geschorst met oog op zorgmachtiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/040015-26

Datum uitspraak: 31 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, H. Mol, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, A.R. Rens, naar voren is gebracht.

Als deskundigen zijn gehoord N.R. Deen, psychiater, en S.J.M, Kester, klinisch psycholoog.

Op de terechtzitting is tevens een voorbereiding van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg aan de orde geweest.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 8 februari 2026 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, een

wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

omgebouwd gaspistool (merk Blow), kaliber .32 AUTO (7.65 mm), zijnde een

vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft

gehad;

2

hij op of omstreeks 8 februari 2026 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, munitie

van categorie categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5 stuks

pistoolmunitie van het kaliber .32AUTO (7.65 mm), voorhanden heeft gehad.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026044658, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 30).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 februari 2026 (p. 5-7);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 februari 2026 (p. 28-30).

3.2.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 8 februari 2026 te Zoetermeer, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool (merk Blow), kaliber .32 AUTO (7.65 mm), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft

gehad;

2

hij op 8 februari 2026 te Zoetermeer, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5 stuks pistoolmunitie van het kaliber .32AUTO (7.65 mm), voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waaraan de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een verbod op verdovende middelen en testosteron, namelijk de voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd met uitzondering van de mogelijkheid tot een kortdurende opname bij de ambulante behandeling. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd gaspistool en munitie in de woning waar op dat moment ook zijn moeder en zevenjarige zusje aanwezig waren. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt vaak ook tot het daadwerkelijk gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage over de verdachte van 29 mei 2026, opgesteld door psychiater A.C. Hoek.

De psychiater adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en concludeert dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ook is er sprake van antisociaal gedrag. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen ten dele. De psychiater overweegt hierbij dat bij de verdachte in de periode rondom het ten laste gelegde sprake was van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld in de vorm van een psychose, waardoor de realiteit van de verdachte ernstig was verstoord en hij last had van akoestische hallucinaties, paranoïde wanen en grootheidswanen. De psychiater concludeert dat het aannemelijk is dat de beschreven pathologie dermate op de voorgrond heeft gestaan dat dit zijn denken, voelen en handelen ernstig heeft beïnvloed. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in ieder geval in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De psychiater komt tot de conclusie dat sprake is van een matig-hoog recidiverisico indien de problematiek van de verdachte ongewijzigd blijft en acht een klinische behandeling nodig om recidive te voorkomen. Omdat de verdachte geen ziekte-inzicht heeft, niet vrijwillig antipsychotica wil innemen en geen interne motivatie heeft voor gedragsverandering, wordt een klinische behandeling in een forensische kliniek met een gemiddeld beveiligingsniveau geadviseerd, waarbij tevens het advies is om de mogelijkheid van een zorgmachtiging in het kader van de Wet forensische zorg te laten onderzoeken. In de kliniek moet worden ingezet op de stabilisatie van het psychiatrisch toestandsbeeld (door medicatie) en psycho-educatie. Op een gegeven moment zou het verblijf in een kliniek kunnen overgaan in een ambulante behandeling.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van een gemiddeld risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de psychiater en acht het psychosociaal functioneren van de verdachte een delictgerelateerde factor waarop interventies moeten worden ingezet. De verdachte is niet gemotiveerd om mee te werken aan hulpverlening, maar heeft te kennen gegeven wel te willen meewerken aan de interventies als deze hem worden opgelegd.

De reclassering ziet evenmin indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht en adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een verbod op het gebruik van verdovende middelen en testosteron. Ook adviseert de reclassering om deze voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De reclassering kan een plan van aanpak opstellen dat parallel loopt aan een eventuele zorgmachtiging en merkt daarbij op dat een zorgmachtiging de enige manier is om dwangmedicatie toe te passen.

Psychiater Deen heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de klinische opname als bijzondere voorwaarde geen toegevoegde waarde heeft.

Toerekenbaarheid

Nu de conclusie en het advies van psychiater Hoek worden gedragen door haar bevindingen, legt de rechtbank die conclusie mede ten grondslag aan haar oordeel over de straftoemeting. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank zal het bewezenverklaarde daarom in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

Toepassing volwassenenstrafrecht

De rechtbank ziet geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank volgt de overwegingen en conclusies van de reclassering en de psychiater op dit punt.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, na te melden straf passend en geboden en zal aan het voorwaardelijke strafdeel de geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van de mogelijkheid tot een kortdurende opname bij de ambulante behandeling. Ten aanzien van de voorwaarde die ziet op het gebruik van testosteron merkt de rechtbank in lijn met de toelichting van deskundige Deen ter terechtzitting op dat dat niet gaat om door het lichaam aangemaakt testosteron, maar om hetgeen de verdachte inneemt of zich toedient.

De voorwaardelijke straf met deze voorwaarden wordt opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op 17 juli 2026, bij afzonderlijke beslissing, ten aanzien van de veroordeelde in de zaak met rekestnummer C/09/709118 een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder 1 van de Wet forensische zorg is afgegeven. Bij beslissing van diezelfde dag heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis geschorst per 21 juli 2026 en met ingang van het moment van opname in de kliniek waar de zorgmachtiging zal worden tenuitvoergelegd.

Nu aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest, zal de voorlopige hechtenis thans worden opgeheven.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op het recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

ten aanzien van feit 2:

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 76 (ZESENZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij de Reclassering Nederland op het adres [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling stelt van een forensische GGZ-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie gebruikt;

- na afloop van de klinische opname in het kader van de zorgmachtiging verblijft in een instelling voor beschermd of begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zo lang de reclassering dat nodig acht, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

- zich onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I en lijst II van de Opiumwet, middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet en testosteron, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles in de vorm van urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verstaat dat bij afzonderlijke beslissing van 17 juli 2026 ten aanzien van de veroordeelde een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder 1 van de Wet forensische zorg is afgegeven.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. F. Bouman, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2026.