Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht, meerdere diefstallen (deels in vereniging gepleegd) (311 Sr), oplichtingen via Marktplaats…

Rechtbank Den Haag, 20 juli 2026

Zaakgegevens

Op 20 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 juli 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
09-243561-25, 15-312521-25, 13-234274-25 en 09-059
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21706
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht, meerdere diefstallen (deels in vereniging gepleegd) (311 Sr), oplichtingen via Marktplaats (326 Sr), jeugddetentie, voorwaardelijke jeugddetentie en taakstraf

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-243561-25, 15-312521-25, 13-234274-25 en 09-059825-26 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 20 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte]

(hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting


De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 6 juli 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. J.M. Eelman en de raadsvrouw van de verdachte is mr. S.M. Hoogenraad, advocaat te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

Dagvaarding I (09-243561-25)

1. diefstal in vereniging van (bak)fietsen van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] in de periode van 2 september 2024 tot en met 8 augustus 2025 te ’s-Gravenhage en/of Haarlem;

2. oplichting van [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] in de periode van 12 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2024 te ’s-Gravenhage;

3. diefstal in vereniging van een regenhuif/fietshoes en/of kettingslot van [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] in de periode van 1 december 2024 tot en met 16 april 2025 te ’s-Gravenhage en/of Haarlem;

4. poging tot diefstal in vereniging van een bakfiets van [benadeelde 10] in de periode van 25 januari 2025 tot en met 26 januari 2025 te ’s-Gravenhage.

Dagvaarding II (15-312521-25)

1. diefstal met braak/verbreking in vereniging van fietsen van [benadeelde 11] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] en/of [benadeelde 14] op 3 juli 2025 te Haarlem dan wel een poging daartoe;

2. diefstal in vereniging van een boormachine en/of boorkoppen en/of een handsensor/deuropener en/of een zonnebril en/of een etui van [benadeelde 14] en/of [benadeelde 15] op 3 juli 2025 te Haarlem dan wel een poging daartoe.

Dagvaarding III (13-234274-25)

diefstal met braak en/of verbreking in vereniging van een accu van de Nationale Politie op 28 juli 2025 te Amsterdam dan wel de heling van die accu.

Dagvaarding IV (09-059825-26)

poging tot diefstal met braak/verbreking in vereniging van een bakfiets van [benadeelde 16] op 24 februari 2026 te ‘s-Gravenhage.

De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het in dagvaarding II onder 1 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder 4 ten laste gelegde, het bij dagvaarding II onder 1 primair en feit 2 ten laste gelegde, het bij dagvaarding III ten laste gelegde en het bij dagvaarding IV ten laste gelegde .

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Vrijspraak dagvaarding I feit 4

[benadeelde 10] heeft aangifte gedaan van een poging tot diefstal van zijn bakfiets, die voor zijn woning in de [straatnaam 1] in Den Haag stond. Op 26 januari 2025 omstreeks 05.30 uur kwam er bij de politie een melding binnen. Door de anonieme melder, ook woonachtig in de [straatnaam 1] , is verklaard dat hij wakker werd van een hard geluid. De melder liep naar zijn raam en zag vervolgens dat er drie mannen bezig waren met een bakfiets. Hij zag dat de bakfiets verplaatst werd in de richting van de weg. De melder zag bij de bakfiets grote vonken. Hierop schreeuwde de melder naar de drie mannen, waarna zij, aldus de melder, wegrenden. Als de politie niet lang na de melding ter plaatse komt, blijkt de bakfiets verderop in de [straatnaam 1] op de grond te liggen. In die straat wordt niemand aangetroffen.

Een verbalisant heeft op 26 januari 2025 rond 05.35 uur een scootmobiel met daarop 3 personen waargenomen die vanuit de 2e Schuytstraat aan de kant van de Reinkenstraat aan kwam rijden. Een andere verbalisant heeft (later) op camerabeelden gezien dat een voertuig dat op een scootmobiel leek met daarop meerdere personen om 05.36 uur op de Koningin Emmakade reed, komend vanuit de richting van de Laan van Meerdervoort. Hij ziet op de beelden dat deze linksaf de [straatnaam 1] in reed. Om 05.49 uur worden de verdachte en een medeverdachte, die op een scootmobiel reden, aangehouden.

Het dossier geeft sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde. Echter, gelet op de bevindingen van de twee verbalisanten, en dan met name de door de scootmobiel gereden route in relatie tot de locatie van de plaats, naar het oordeel van de rechtbank niet met de voor een bewezenverklaring vereiste zekerheid te zeggen dat dit daadwerkelijk het geval is geweest. Hierbij heeft de rechtbank ook nog meegewogen dat de hiervoor genoemde melder geen scootmobiel heeft gezien. De rechtbank zal de verdachte, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, van dit feit vrijspreken.

3.4

Vrijspraak dagvaarding II feit 1 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in dagvaarding II onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan, zonder nadere motivering, zal worden vrijgesproken.

3.5

Vrijspraak dagvaarding II feit 1 subsidiair (voor zover betrekking hebbend op de aangifte van [benadeelde 14] betreffende diefstal van een bakfiets)

[benadeelde 14] heeft onder andere aangifte gedaan van diefstal van haar bakfiets. Zij had de bakfiets op 3 juli 2025 in een inpandige, afgesloten, parkeergarage aan de [straatnaam 2] in Haarlem achter haar auto gezet en de dag erna stond deze bakfiets daar niet meer en was deze niet meer vindbaar, aldus aangeefster.

Op de screenshots van camerabeelden die zijn gevoegd bij een proces-verbaal (PL1100-2025151704-37) is te zien dat de bakfiets van aangeefster achter een grijze auto staat en dat twee personen op een andere plek, niet ver van de betreffende auto, bezig zijn bij/met fietsen. Onder foto’s gevoegd bij datzelfde proces-verbaal is te zien dat de politie, toen zij ter plaatse kwamen, de bakfiets aantroffen achter de auto die naast de grijze auto stond geparkeerd. Onder één van die foto’s wordt ook vermeld dat het slot van de bakfiets niet was doorgeslepen. Te zien is ook dat de kofferbak van de grijze auto open staat. De rechtbank constateert dat de bakfiets is verplaatst, mogelijk is dit gedaan om toegang tot de betreffende kofferbak te krijgen. Het is echter onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte, samen met anderen, heeft geprobeerd de bakfiets te stelen. De verdachte zal dan ook partieel van dit feit worden vrijgesproken..

3.6

Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding I feiten 1, 2 en 3 en dagvaarding II feit 1 subsidiair

De rechtbank zal voor de feiten 1, 2 en 3 van dagvaarding I met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten grotendeels bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024398437, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 498).

Feit 1

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , opgemaakt op 2 september 2024 (p. 60-62);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 oktober 2024 (p. 34-36);

4. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , opgemaakt op 7 augustus 2025 (p. 285-286);

5. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , opgemaakt op 16 april 2025 (p. 313-315);

6. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] , opgemaakt op 12 april 2025 (p. 341-343);

7. Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, opgemaakt op 24 september 2025 (p. 368-374);

8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 september 2025 (p. 375-380);

9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 oktober 2025 (p. 464-470).

Feit 2

1. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] , opgemaakt op 13 augustus 2024 (p. 18-21);

2. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 17] , opgemaakt op 13 augustus 2024 (p. 352-354);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 februari 2025 (p. 358).

Feit 3

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [benadeelde 8] , opgemaakt op 9 december 2024 (p. 63-64);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 december 2024 (p. 65);

4. Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, opgemaakt op 22 december 2024 (p. 66-71);

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 december 2024 (p. 74-75);

6. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] , opgemaakt op 27 januari 2025 (p. 134-135);

7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 februari 2025 (p. 136-137);

8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 februari 2025 (p. 138);

9. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 9] , opgemaakt op 16 april 2025 (p. 336-337).

Feit 1 subsidiair dagvaarding II

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1100-2025152191, van de politie eenheid Noord-Holland, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 196).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 12] , opgemaakt op 5 juli 2025 (p. 51-53);

3. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 18] , opgemaakt op 5 juli 2025 (p. 54-55);

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2025 (p. 31-33).

3.7

Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding II feit 2, dagvaarding III en dagvaarding IV

De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

3.8

Bewijsoverwegingen dagvaarding II feit 2

[benadeelde 14] heeft aangifte gedaan van diefstal uit haar in de hiervoor genoemde inpandige garage in Haarlem geparkeerde auto van een boormachine en boorkoppen en [benadeelde 15] van diefstal, ook uit een in die garage geparkeerde auto, van een deuropener, zonnebril en etui. De verdachte heeft ontkend bij deze diefstallen betrokken te zijn geweest.

Het feit dat de verdachte zich samen met twee anderen midden in de nacht in een afgesloten parkeergarage bevond, kan geen ander doel hebben gehad dan om, samen met die anderen, goederen uit de garage weg te nemen. De verdachte heeft bekend, en de rechtbank acht dit wettig en overtuigend bewezen (zie hiervoor), dat hij heeft geprobeerd, samen met die anderen, meerdere fietsen uit de betreffende garage te stelen. Door een verbalisant die, vóórdat de verdachte en zijn medeverdachten werden aangehouden, zicht had op wat zich in de parkeergarage afspeelde, zijn aldaar drie personen gezien en gezien is ook dat in ieder geval twee van hen zich in en rond aldaar geparkeerde auto’s ophielden en dat één persoon uit één van die auto’s een groene koffer wegnam (de rechtbank begrijpt dat de boormachine en boorkoppen van aangeefster [benadeelde 14] in deze koffer zaten). Dat niet is vastgesteld dat de verdachte één van die personen was, staat niet in de weg aan een bewezenverklaring van het feit. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, wat betreft de weggenomen goederen, nauw en bewust samenwerkte met zijn medeverdachten.

3.9

Bewijsoverwegingen dagvaarding III

Op 28 juli 2025 is een fietsaccu (merk Bosch Powerpack 500), toebehorend aan de Nationale Politie, in Amsterdam weggenomen. Vanwege de aanwezigheid van een peilbaken in die accu konden de bewegingen van die accu worden gevolgd. De verdachte en twee medeverdachten, die samen in een auto zaten, zijn om 03.54 uur aangehouden. De verdachte zat achterin de auto. In de betreffende auto, onder de bijrijdersstoel, is de accu aangetroffen.

De verdachte ontkent dat hij de accu heeft weggenomen. Hij heeft verklaard dat hij samen met een vriend door de bestuurder van de auto is opgehaald in Amsterdam en dat zij, na vijf minuten te hebben gereden, zijn aangehouden.

Uit het dossier volgt dat de accu omstreeks 03:42 uur in beweging is gekomen met snelheden tussen de 0 en 74 kilometer per uur en dat deze om 03:52 uur tot stilstand is gekomen op de plek waar de verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden. Het gaat hier dus om een tijdspanne van slechts 10 minuten tussen het wegnemen van de accu en het aantreffen. De auto waarin de accu zich bleek te vinden, is op de Simon Stevinstraat voor het eerst door een verbalisant waargenomen en hierna is de auto niet meer uit het zicht van de politie die de bewegingen van de accu volgde, verdwenen. Volgens de GPS-data van de accu bevond deze zich op de Simon Stevinstraat om 03.49.52 uur. De auto heeft daarvoor enkele keren kort stilgestaan op doorgaande wegen. De verklaring van de verdachte past niet bij deze bevindingen. Bovendien heeft de bestuurder van de auto verklaard dat hij twee personen had opgehaald, dat hij met hen naar Amsterdam is gereden en dat hij, daar aangekomen, ergens moest stoppen en de twee anderen uitstapten. Na een kwartier kwamen de verdachte en de andere persoon terug bij de auto, aldus de bestuurder, en één van hen had toen een tas bij zich. Door de bestuurder is ook verklaard dat toen de politie achter hen aan reed, door één van twee personen is geroepen ‘gooi dat ding weg’. De rechtbank acht aannemelijk dat met ‘dat ding’ de bewuste accu werd bedoeld.


Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal in vereniging met verbreking.

3.10

Bewijsoverwegingen dagvaarding IV

[benadeelde 16] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn bakfiets. Volgens de aangever is deze tussen 23 februari 2026 om 22.00 uur en 24 februari 2026 om 8.00 uur weggenomen voor zijn woning aan de [straatnaam 3] in Den Haag. Door een verbalisant is op camerabeelden gezien dat deze bakfiets door twee jongens midden in de nacht van 24 februari 2026 voor de woning van de aangever werd weggehaald, ergens anders werd neergezet (in de Klaproosstraat) en even later werd voorzien van een hoes. De politie heeft vervolgens zicht gehouden op de bakfiets. Later horen zij een scherp en snijdend geluid en wordt gezien dat een fatbike bij de bakfiets tot stilstand komt, dat vervolgens een persoon onder de hoes van de bakfiets vandaan komt en dat die persoon hierna als bijrijder op de fatbike stapt. Die bijrijder is door verbalisanten herkend als de verdachte. Ten overstaan van de raadkamer heeft de verdachte, toen hem werd gevraagd op de verdenking betreffende dit feit te reageren, verklaard dat hij ‘onder het zadel’ (van de betreffende bakfiets, zo begrijpt de rechtbank) zat. Gelet op dit alles, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte, samen met een ander, de bakfiets van de aangever [benadeelde 16] heeft proberen te stelen.

3.11

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding 1 (09-243561-25)

1
hij in de periode van 2 september 2024 tot en met 8 augustus 2025 te 's-Gravenhage en Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere (bak)fietsen, die aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2
hij in de periode van 12 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2024 te 's-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [benadeelde 5] en [benadeelde 6] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 23,95 euro en/of een geldbedrag van 25 euro, door
- via marktplaats een Bosch display intuvia aan te bieden en
- die [benadeelde 5] en [benadeelde 6] voor de aankoop van die bosch display intuvia een bedrag te laten betalen en
- de gevoerde communicatie die tot betaling hebben geleid te verwijderen en
- het product niet toe te sturen;

3
hij in de periode van 1 december 2024 tot en met 16 april 2025 te ’s-Gravenhage en Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, een regenhuif, fietshoes en een kettingslot, die aan [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Dagvaarding II (15-312521-25)

1
subsidiair:

hij omstreeks 3 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meerdere fietsen, die geheel aan [benadeelde 18] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking

- zich heeft begeven naar de parkeergarage te [straatnaam 2] te Haarlem en

- de sloten van de voornoemde fietsen heeft doorgeslepen en

- de voornoemde fietsen heeft verplaatst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij omstreeks 3 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, een boormachine en boorkoppen en een deuropener en een zonnebril en een etui, die aan [benadeelde 14] en/of [benadeelde 15] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;


Dagvaarding III (13-234274-25)

hij op 28 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, een accu (merk Bosch Powerpack 500) behorend bij een Urban Arrow bakfiets, die aan de Nationale Politie toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

Dagvaarding IV (09-059825-26)


hij omstreeks 24 februari 2026 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een bakfiets (merk: Urban Arrow), die aan [benadeelde 16] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van verbreking, door het slot van voornoemde fiets, al dan niet met een slijptol, open te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straffen

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 102 dagen, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden; een verplichting om mee te werken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en/of werk, een verplichting om zich beschikbaar stellen voor behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, een verplichting om zich open stellen voor gesprekken over drugs en mee te werken aan controles daarop, een verplichting om mee te werken aan de begeleiding van een coach en een meldplicht bij de jeugdreclassering.

De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 200 uren gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een andere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Daartoe heeft de verdediging het volgende aangevoerd. De verdachte is nog jong en heeft geruime tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis gelopen. Ook is het oudste feit bijna twee jaar geleden gepleegd. Hierdoor heeft de verdachte lange tijd in onzekerheid gezeten. Hij is meerdere malen aangehouden, maar hoorde vervolgens niet of hij zou worden vervolgd voor de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht. De verdediging heeft verzocht om bij oplegging van bijzondere voorwaarden deze anders te formuleren. Als de verdachte zou moeten meewerken aan een behandeling bij de Waag, moet ook worden opgenomen dat de verplichting slechts zal gelden zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer achttien maanden, tezamen met een ander of anderen en ook alleen, schuldig gemaakt aan groot aantal strafbare feiten, waaronder diefstallen van bakfietsen en elektrische fietsen en oplichtingen via Marktplaats. Met de diefstallen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers. Dergelijke feiten zorgen voor veel schade, overlast en ergernis. Het gaat in dit geval ook in overwegende mate om fietsen die zeer duur zijn in aanschaf. Ook met de oplichtingen heeft de verdachte schade aan de gedupeerden toegebracht. Daarnaast schaden dergelijke feiten het vertrouwen in de handel via internet, terwijl (o.a.) Marktplaats bij uitstek het medium is waar veel mensen in goed vertrouwen spullen kopen en verkopen. De verdachte lijkt zich ogenschijnlijk niet bewust te zijn van de ernst van hetgeen waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt, laat staan dat hij heeft laten zien dat hij beseft wat dergelijke feiten voor gevolgen hebben voor de slachtoffers en de maatschappij. De verdachte heeft bij het plegen van deze feiten alleen rekening gehouden met zijn eigen financiële gewin en dit rekent de rechtbank hem aan

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 mei 2026, waaruit blijkt dat hij op 4 oktober 2024 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor een oplichting en hij op 3 oktober 2022 door de kinderrechter is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur voor mishandeling, bedreiging en belediging. Het strafblad weegt dan ook strafverzwarend.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 30 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het risico dat de verdachte zich opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig zal maken, hoog is. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag en houdt zich niet aan de geldende regels. Ook gaat de verdachte al langer dan zes maanden niet naar school en heeft hij ook geen andere, passende, dagbesteding. Hij is nergens voor gemotiveerd. De verdachte is veel buiten op straat, er is onvoldoende zicht op zijn (antisociale) contacten en er zijn grote zorgen over zijn beïnvloedbaarheid die hem terecht kan laten komen in probleemsituaties. De Raad maakt zich ook zorgen om het softdrugsgebruik van de verdachte, hoewel het momenteel begrijpelijk is dat de verdachte voor blowen kiest om rust te vinden, nu zijn moeder onlangs plotseling is overleden. De Raad adviseert om aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met daarnaast een geheel voorwaardelijke jeugddetentie met in ieder geval bijzondere voorwaarden die betrekking hebben op het vinden en behouden van dagbesteding, het meewerken aan begeleiding door een coach en een meldplicht. De in voornoemd rapport genoemde bijzondere voorwaarden betreffende een verbod op het gebruik van drugs en een verplichting om zich beschikbaar te stellen voor behandeling door De Waag of een soortgelijke instelling strekken op dit moment wellicht te ver, aldus de deskundige, en behoeven mogelijk aanpassing.

De deskundige van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte is aangemeld voor begeleiding door een coach. Ook staat de verdachte op de wachtlijst voor een behandeling bij de Waag.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van rapport betreffende het psychologisch onderzoek van 20 januari 2026 door GZ-psycholoog [psycholoog] . Daaruit volgt – kort samengevat – dat er bij de verdachte sprake is van een gespecificeerde disruptief gedragsstoornis. Daarnaast functioneert de verdachte op zwakbegaafd niveau. Ook is er sprake van een stoornis in cannabisgebruik, welke stoornis zijn gedrag beïnvloedt. De verdachte heeft geen informatie willen verstrekken over de tenlastegelegde feiten, waardoor het onduidelijk blijft of het handelen van de verdachte impulsief dan wel in enige mate doordacht is geweest. Ook kan niet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte primair was ingegeven door financieel gewin, door spanningszoekend gedrag of dat het verkrijgen van middelen, zoals cannabis, hierbij een rol heeft gespeeld. Door het ontbreken van deze informatie kan geen inschatting worden gemaakt van de motivatie, context en mogelijke samenhang met het functioneren van de verdachte. De GZ-psycholoog onthoudt zich om deze redenen van een advies over de mate waarin de tenlastegelegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Het risico op voortgezet delictgedrag en recidive wordt door de GZ-psycholoog in de huidige situatie als matig tot verhoogd ingeschat, mede gezien de aanwezige individuele en sociaal-contextuele risicofactoren en het beperkte aantal beschermende factoren.
Gezien de beperkte motivatie van de verdachte, wordt een intensieve, ‘probleemgerichte’ behandeling op dit moment niet haalbaar geacht. Het inzetten van een motiverend traject gericht op het cannabisgebruik en een leer/werktraject lijkt het hoogst haalbare. Dit traject kan gericht zijn op het vergroten van inzicht in het eigen functioneren en inzicht in het gebruik van cannabis en het stimuleren van motivatie voor verdere hulpverlening, waarbij het betrekken van de verslavingszorg mogelijk helpend is. Aangezien in het huidige onderzoek geen verband kon worden vastgesteld tussen een eventuele stoornis en de ten laste gelegde feiten, wordt het inzetten van bovengenoemde begeleiding primair gezien in het kader van het bevorderen van een gunstige ontwikkeling van de verdachte. Als de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard, adviseert de GZ-psycholoog het geformuleerde interventieadvies te verbinden aan het juridisch kader van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Voor diefstal van een fiets geldt als uitgangspunt oplegging van een taakstraf vanaf 30 uur, waarbij onder meer de waarde van het vervoermiddel als een strafverzwarende omstandigheid geldt. Voor de diefstal uit een auto geldt als uitgangspunt een oplegging van een taakstraf van 60 uur en voor oplichting een taakstraf van 25 uur. De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de straf ook rekening met het feit dat de schorsing van de voorlopige hechtenis, met daaraan verbonden strenge voorwaarden, de verdachte er niet van heeft weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit (dit betreft dagvaarding IV).

De rechtbank is van oordeel dat de feiten zoals deze door de verdachte zijn gepleegd, oplegging van een jeugddetentie van 102 dagen gecombineerd met een taakstraf van 200 uur rechtvaardigen. Het voorarrest zal van de op te leggen jeugddetentie worden afgetrokken en een gedeelte van die jeugddetentie, te weten 80 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de officier van justitie, op basis van het advies van de Raad, zijn ge(her)formuleerd. Bij het bepalen van de duur en zwaarte van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het eensluidende en dringende advies van de Raad en de jeugdreclassering dat de verdachte ondersteund en begeleid moet worden door de jeugdreclassering. De verdachte bevindt zich in een zeer moeilijke en zware periode van zijn leven door het overlijden van zijn moeder. Hij zoekt daardoor wellicht meer zijn toevlucht tot cannabisgebruik. De rechtbank is het met de deskundigen eens dat het belangrijk is dat de verdachte open is over zijn drugsgebruik en gaat meewerken aan controles en op gebruik gerichte behandeling, indien en voor zover en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt. De rechtbank zal een bijzondere voorwaarde met die strekking opleggen en de verdachte niet verplichten zich te onthouden van het gebruik van drugs. Daarnaast ziet de rechtbank ook de noodzaak om de verdachte te verplichten om nuttige dagbesteding te zoeken en te behouden. Zolang de verdachte op straat rondhangt of thuis niets doet, is de kans groot dat hij opnieuw zal terugvallen in crimineel gedrag. Ook een behandelverplichting, een verplichting om mee te werken aan begeleiding van een coach en een meldplicht acht de rechtbank aangewezen. Met oplegging van de taakstraf, in de vorm van een werkstraf, zal de verdachte ook nu de gevolgen van zijn handelen ondervinden.

7 De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 7] , [benadeelde 9] en [benadeelde 15] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces.

[benadeelde 2] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 2.350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[benadeelde 5] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 23,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[benadeelde 7] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 34,88, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[benadeelde 9] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 159,90, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

[benadeelde 15] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 760,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 560,- aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 15] heeft de officier geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 740,-. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de overige door de benadeelde partijen gevorderde bedragen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] naar voren gebracht dat niet duidelijk is welke schade er daadwerkelijk is geleden, dat een benadeelde partij niet beter mag worden van een strafbaar feit en dat de vordering om die redenen moet worden afgewezen.

De verdediging is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] moet worden afgewezen dan wel dat deze benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] heeft de verdediging opgemerkt dat op het bij die vordering gevoegde screenshot geen bedrag staat vermeld en er ook geen bon bij de vordering is gevoegd. De vordering moet volgens de verdediging dan ook worden afgewezen dan wel de benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in die vordering volgen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9] heeft de verdediging zich op het standpunt dat, omdat onderbouwing van de vordering in de vorm van een bon ontbreekt, deze moet worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering

De benadeelde partij [benadeelde 15] moet volgens de verdediging niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering dan wel deze vordering moet worden afgewezen, nu vrijspraak is bepleit. Als het strafbare feit waarom het hier gaat, bewezen wordt verklaard, moet dit volgens de verdediging tot dezelfde uitkomst leiden, nu uit de door de benadeelde partij aangeleverde factuur niet kan worden afgeleid dat de weggenomen zonnebril de zonnebril is die op die factuur wordt vermeld en ook de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit van dagvaarding I en ter grootte van het gevorderde bedrag. De benadeelde partij is niet, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, beter geworden van het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij heeft immers een tweedehands fiets gekocht. Het gevorderde bedrag acht de rechtbank redelijk en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 augustus 2025 omdat vanaf die datum de schade is geleden.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 2.350,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Benadeelde partij [benadeelde 5]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit van dagvaarding I en ter grootte van het gevorderde bedrag. De benadeelde partij heeft geld betaald voor een display voor op een e-bike die hij nooit heeft ontvangen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 23,95, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 augustus 2024 omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 23,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 5] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Benadeelde partij [benadeelde 7]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezen verklaarde feit van dagvaarding I en ter grootte van het gevorderde bedrag, dat niet onredelijk voorkomt.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 34,88, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 januari 2025 omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 34,88, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 7] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Benadeelde partij [benadeelde 9]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezen verklaarde feit van dagvaarding I. De rechtbank schat deze schade op € 130,-, nu dit bedrag redelijk voorkomt, en zal dit bedrag, betreffende materiële schade, toewijzing. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 april 2025 omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 130,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 9] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Benadeelde partij [benadeelde 15]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit van dagvaarding II. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij deels toewijzen. De deuropener is door de politie teruggegeven en de oplader is niet benoemd in de aangifte. Daarnaast is de gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal voor wat betreft dit deel van de vordering daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Wat de zonnebril betreft, houdt de rechtbank rekening met de afschrijvingskosten, zodat een bedrag van € 162,- voor toewijzing vatbaar is.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 162,-, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding II is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 162,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 15] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8 De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1

De officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er op de in beslag genomen fiets conservatoir beslag ligt ten behoeve van vergoedingen die aan slachtoffers moeten worden uitgekeerd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de in beslag genomen fiets terug te geven. De fiets is, aldus de verdediging, niet alleen van de verdachte, maar ook van de rest van het gezin.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot opheffing van het conservatoir beslag, nu onvoldoende onderbouwd is dat de in beslag genomen fiets ook aan anderen dan de verdachte toebehoort.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77z, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 van dagvaarding I (09-243561-25) en het onder 1 primair van dagvaarding II (15-312521-25) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 van dagvaarding I (09-243561-25) ten laste gelegde feiten, de onder 1 subsidiair en 2 primair van dagvaarding II (15-312521-25) ten laste gelegde feiten, het in dagvaarding III (13-234274-25) ten laste gelegde feit en het in dagvaarding IV (09-059825-26) ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.11 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

ten aanzien van feit 1 van dagvaarding I (09-243561-25):

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 van dagvaarding I (09-243561-25):

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 van dagvaarding I (09-243561-25):

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 subsidiair van dagvaarding II (15-312521-25):

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair van dagvaarding II (15-312521-25):

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding III (13-234274-25):

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

ten aanzien van dagvaarding IV (09-059825-26):

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straffen

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 102 (honderdtwee) dagen;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (22 dagen), bij de eventuele tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 80 (tachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

2. openheid geeft over zijn drugsgebruik en meewerkt aan controles op zijn drugsgebruik en/of aan een behandeling gericht op dat gebruik, indien en voor zover en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

3. zich beschikbaar zal stellen voor behandeling door de Waag of een soortgelijke instelling, indien en voor zover en zo lang de jeugdreclassering het nodig acht;

4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de coaching door/vanuit E25 of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de afspraken die in dat verband met hem worden gemaakt;

5. gedurende de proeftijd een zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft en behoudt;

geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 2.350,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 2.350,- , bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om hoofdelijk aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] te betalen € 2.350,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] toe tot een bedrag van € 23,95 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 23,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] te betalen € 23,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 34,88 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting hoofdelijk te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 34,88, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 7] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om hoofdelijk aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] te betalen € 34,88, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 7] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 130,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting hoofdelijk te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 130,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst af het door de benadeelde partij [benadeelde 9] meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 9] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om hoofdelijk aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 9] te betalen € 130.-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 9] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 15] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 162,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting hoofdelijk te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 162,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 9] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 15] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting om hoofdelijk aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 15] te betalen € 162,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 15] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E. Bierling, kinderrechter,

en mr. M.J. Bouwman kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel en mr. F.H. Lüchinger, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2026.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Dagvaarding I

1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 8 augustus 2025 te 's-Gravenhage en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere (bak)fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2
hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van 23,95 euro en/of een geldbedrag van 25 euro, door
- via marktplaats een Bosch display intuvia aan te bieden en/of
- (vervolgens) die [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] voor de aankoop van die bosch display intuvia een bedrag te laten betalen en/of
- (vervolgens) de gevoerde communicatie die tot betaling hebben geleid te verwijderen en/of
- het product niet toe te sturen;

3
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks 1 december 2024 tot en met 16 april 2025 te ’s-Gravenhage en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere regenhui(f)(ven)/fietshoe(s)(zen) en/of een kettingslot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4
hij in of omstreeks de periode van 25 januari 2025 tot en met 26 januari 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een bakfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen;
- de ijzeren ring waar de bakfiets aan stond heeft doorgeslepen en/of
- heeft gepoogd het ringslot van de fiets te halen en/of
- de bakfiets (enkele meters) heeft verplaatst,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Dagvaarding II

1
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 18] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] en/of [benadeelde 14] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 18] en/of [benadeelde 12] en/of [benadeelde 13] en/of [benadeelde 14] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking
- zich heeft begeven naar de parkeergarage te [straatnaam 2] te Haarlem en/of
- de sloten van de voornoemde fietsen heeft doorgeslepen en/of
- de voornoemde fietsen heeft verplaatst,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een boormachine en/of boorknoppen en/of een handsensor/deuropener en/of een zonnebril en/of een etui, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 14] en/of [benadeelde 15] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een boormachine en/of boorknoppen en/of een
handsensor/deuropener en/of een zonnebril en/of een etui, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 14] en/of [benadeelde 15] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te
nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
- zich heeft begeven naar de parkeergarage te [straatnaam 2] te Haarlem en/of
- zich toegang heeft verschaft tot een of meerdere voertuigen en/of
- de voornoemde goederen uit de voertuigen gehaald heeft en/of
- de voornoemde goederen heeft verplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Dagvaarding III

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een accu behorend bij een Urban Arrow bakfiets (merk Bosch Powerpack 500), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Nationale Politie, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een accu behorend bij een Urban Arrow bakfiets (merk Bosch Powerpack 500), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof

Dagvaarding IV


hij op of omstreeks 24 februari 2026 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een bakfiets (merk: Urban Arrow), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 16] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, het slot van voornoemde fiets, al dan niet met een slijptol, open heeft geslepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.