Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor doodslag op zijn broer. De rechtbank acht bewezen dat alle 33…

Rechtbank Den Haag, 7 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
09/228249-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21940
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor doodslag op zijn broer. De rechtbank acht bewezen dat alle 33 steek- en 102 snijletsels zijn toegebracht door de verdachte. De rechtbank acht voorbedachte raad niet bewezen. Bij de verdachte was sprake van een psychose. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het feit. De rechtbank sluit zich hierbij aan bij het PBC rapport. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte ten tijde van het feit in enige mate in staat was om zijn handelen te sturen, daardoor is geen sprake van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De rechtbank acht de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar en legt op een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van het voorarrest en de maatregel van tbs met dwangverpleging. De vordering van de benadeelde partij (affectieschade zus, geen beroep op hardheidsclausule) wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/228249-25

Datum uitspraak: 7 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Raterman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Verbeeke naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Gouda opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in de hals en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te steken/snijden.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestanddeel voorbedachte raad niet bewezen kan worden verklaard en verzoekt de rechtbank om de verdachte daarvan vrij te spreken.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel voorbedachte raad. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

De gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt het volgende vast.

Op 26 augustus 2025 kwam het slachtoffer langs bij zijn ouders. Zijn broer, de verdachte, was ook in de woning aanwezig. Nadat de ouders waren vertrokken, liep de verdachte naar beneden, naar de woonkamer, en zag daar het slachtoffer staan. Er ging toen een knop bij hem om, zo verklaart hij, en het werd zwart voor zijn ogen. De verdachte weet niet meer wat er vervolgens is gebeurd, maar heeft wel verklaard dat er iets van een vechtpartij heeft plaatsgevonden. Op de camerabeelden zoals beschreven in het dossier, is te horen dat het slachtoffer vanaf 18:56 uur meermaals roept ‘ [verdachte] stop’ en ‘politie’. Om 19:02 uur loopt de verdachte de woning uit. Om 19:06 uur komt de politie ter plaatse en wordt het slachtoffer levenloos aangetroffen. De politie ziet over het hele lichaam van het slachtoffer steekwonden en met name een zeer grote, diepe wond in de nek van het slachtoffer. De politie volgt vervolgens het bloedspoor dat uit de woning loopt en treft de verdachte een aantal straten verderop volledig bebloed aan.

In de buurt van het lichaam treft de politie een opengeklapt mes aan op de grond, waarbij de punt van het lemmet is afgebroken. Dit mes is onderzocht en daarop is het DNA van de verdachte en van het slachtoffer aangetroffen.

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat het slachtoffer is overleden na 33 steek- en 102 snijverwondingen en het daarbij ontstane bloedverlies en bloed in de longen. Het NFI heeft na onderzoek geconcludeerd dat de hypothese dat de beschadigingen aan het lichaam zijn veroorzaakt door dit mes een veel waarschijnlijker scenario is, dan dat de beschadigingen zijn veroorzaakt met een willekeurig ander mes.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het aangetroffen mes gebruikt is door de verdachte en dat hij daarmee het slachtoffer heeft gedood.

Vrijspraak van moord

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad heeft gedood. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van moord, omdat niet is gebleken dat de verdachte de tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn daad (voorbedachte raad), voordat hij het mes pakte en het slachtoffer heeft gestoken. De rechtbank ziet hiertoe geen aanknopingspunten; noch in de verklaringen van de verdachte noch uit bevindingen in het dossier. De rechtbank is daarom, evenals de officier van justitie heeft gerekwireerd en de raadsman heeft bepleit, van oordeel dat moord niet kan worden bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Doodslag bewezen

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht door hem een groot aantal keer te steken met een mes en daarmee snij- en steekverwondingen heeft toegebracht.

De rechtbank acht daarmee de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 26 augustus 2025 te Gouda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een mes, meermalen in de hals en het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] te steken/snijden;

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

Uitgangspunt is dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. Daarop is echter een uitzondering. In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. Het gaat bij ontoerekenbaarheid om een uitzondering op het uitgangspunt dat iemand die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit daarvoor kan worden gestraft. Een dergelijke uitzondering kan niet licht worden aanvaard.

De rechtbank kan beslissen dat het feit niet aan een verdachte kan worden toegerekend als –kortgezegd – de verdachte als gevolg van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis niet kon begrijpen dat dat strafbare feit wederrechtelijk was óf niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Het advies van de gedragsdeskundigen

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 6 mei 2026, opgemaakt door B.H. Boer (klinisch psycholoog) en G. Veen (psychiater). De bevindingen en conclusies van de deskundigen houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van een waanstoornis behorende tot het cluster van psychotische stoornissen waarbij de wanen zowel kenmerken hebben van het achtervolgingstype als van het grootheidstype. Deze wanen hebben een religieuze kleuring. De verdachte is ervan overtuigd dat hij alle verleidingen achter zich heeft gelaten, verlicht is en de waarheid spreekt, hetgeen volgens hem door zijn omgeving niet wordt geaccepteerd. In zijn beleving staat iedereen met elkaar in contact en is men erop uit op hem vernietiging of opgenomen te krijgen in een psychiatrische instelling. Het slachtoffer speelt een belangrijke rol in zijn waansysteem en werd door de verdachte als bedreigend ervaren. De deskundigen hebben echter geen volledig inzicht kunnen krijgen in de huidige manifestatie van de denkbeelden bij de verdachte omdat de verdachte weigert te spreken over zijn actuele beleving en aan het eind van zijn onderzoeksperiode helemaal niet meer met de deskundigen heeft willen spreken. Uit de gesprekken is wel gebleken dat de verdachte geen afstand heeft genomen van de denkbeelden, hetgeen volgens deskundigen duidt op een floride psychotisch toestandsbeeld. Er is volgens de deskundigen geen sprake van ziektebesef of -inzicht. De deskundigen zien ook kenmerken die kunnen passen bij een autismespectrumstoornis, maar door de prominente aanwezigheid van de waanstoornis is nadere diagnostiek op dit moment niet mogelijk.

De deskundigen constateren dat er ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit sprake was van een floride psychotische toestand, welke de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte heeft beïnvloed. In de periode voorafgaand aan het feit leefde de verdachte in voortdurende angst om vernietigd of opgenomen te worden. Ten tijde van het delict werd de verdachte mogelijk in zeer sterke mate, en wellicht onontkoombaar, aangestuurd door zijn psychopathologie, bestaande uit een psychotisch toestandsbeeld met wanen, gepaard gaande met ernstige oordeels- en kritiekstoornissen. De deskundigen kunnen vanwege onduidelijkheid over het delictscenario, omdat niet duidelijk is geworden wat de exacte aanleiding en omstandigheden waren, niet onderbouwen dat het handelen van de verdachte volledig werd bepaald door de waanstoornis.

De deskundigen concluderen op basis van het voorgaande dat het ten laste gelegde aan verdachte ten minste sterk verminderd kan worden toegerekend. De deskundigen kunnen daarnaast niet uitsluiten dat het ten laste gelegde de verdachte in het geheel niet kan worden toegerekend.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De rechtbank stelt op basis van de rapportage van de deskundigen vast dat bij de verdachte sprake was van een floride psychotisch toestandsbeeld waarbij de verdachte meerdere wanen had. De rechtbank stelt tevens vast dat deze stoornis ook aanwezig was ten tijde van het feit.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op hetgeen ten aanzien van de psychische problematiek van de verdachte uit het procesdossier naar voren is gekomen. Gebleken is dat de verdachte al langere tijd voorafgaand aan het feit psychische problemen had. Meerdere getuigen, waaronder zijn zus, broer en een ouderling van de kerk hebben hierover verklaard. Daarnaast hebben de politieagenten waargenomen dat de verdachte bij zijn aanhouding een apathische indruk maakte. Uit het dossier blijkt ook dat de verdachte ondanks zijn psychische problematiek min of meer normaal functioneerde in het maatschappelijk leven. Hij volgde een opleiding en werkte als hovenier. Ook tot kort voor het strafbare feit, namelijk om 18:00 uur tijdens het avondeten kort voor de confrontatie heeft de verdachte geen bijzonder gedrag vertoond. De gezinsleden die aanwezig waren bij het avondeten hebben hierover verklaard dat er geen bijzonderheden waren. De verdachte is de dag erna door de politie verhoord en geeft in zijn verhoor aan dat hij het vreselijk vindt wat er gebeurd is.

De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat het begrip van de verdachte van de wederrechtelijkheid van zijn gedraging in die zin niet dusdanig was verstoord, dat hij niet kon begrijpen dat hij mensen geen pijn mocht doen. Op basis van de beschikbare informatie kan verder niet worden vastgesteld dat de verdachte niet in staat was om in overeenstemming met dat begrip te handelen.

De rechtbank merkt op dat zij, net als de deskundigen, beperkt informatie heeft over de exacte aanleiding en omstandigheden rondom het feit. De verdachte heeft tijdens zitting geen enkele vraag beantwoord en heeft aan de rechtbank als, zoals al eerder overwogen, aan de deskundigen in het PBC geen inzage gegeven in zijn beweegwereld. Hier tegenover staat dat de verdachte tijdens het opsporingsonderzoek in afgeluisterde gesprekken met zijn familie aangeeft dat hij niks gaat zeggen over het strafbare feit en zijn zusje aanspoort om eveneens geen verklaring af te leggen. De rechtbank ontkomt, gelet hierop, niet aan de indruk dat de verdachte in zekere mate berekenend omgaat met zijn procespositie.

Alles afwegende ziet de rechtbank te weinig aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van feit.

Conclusie

Op basis van de beschikbare informatie gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit in enige mate in staat was om zijn handelen te sturen. Gelet hierop kan van volledige ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake zijn. De rechtbank zal het advies van de deskundigen om de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken, volgen. Dat leidt tot de conclusie dat de verdachte wel strafbaar is, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna ook: dwangverpleging) wordt opgelegd.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor zo kort mogelijke duur zodat de verdachte spoedig aan de gevorderde tbs-maatregel kan beginnen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zijn eigen broer, een man van 29 jaar oud, met een mes van het leven beroofd en het recht op leven ontnomen, het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt.

De wijze waarop de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht behoort qua geweld en gruwelijkheid tot een buitencategorie. De verdachte heeft zijn broer een zeer groot aantal steek- en snijletsels toegebracht, waarbij ook de keel is doorgesneden. Dit alles heeft in het ouderlijk huis plaatsgevonden, en plek waarbij de familie zich bij uitstek veilig en geborgen zou moeten weten.

De verdachte heeft daarmee de nabestaanden, tevens zijn eigen familieleden, onherstelbaar leed aangedaan zoals ook in de slachtofferverklaringen door zijn ouders en zijn zus is verwoord. Hieruit blijkt hoeveel pijn en verdriet het handelen van de verdachte heeft veroorzaakt. Het handelen van de verdachte heeft daarnaast bij diegenen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, zoals omwonenden en bekenden, gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Ook de samenleving als geheel is door het handelen van de verdachte ernstig geschokt.

Persoon van de verdachte

Strafblad

De verdachte is niet eerder veroordeeld, zo blijkt uit zijn strafblad.

De Pro Justitia rapportage

Hiervoor (onder 5.3) is al genoemd dat de rechtbank kennis heeft genomen van de rapportage van 6 mei 2026 opgemaakt door B.H. Boer (klinisch psycholoog) en G. Veen (psychiater), welk rapport zij ook zal betrekken bij de vraag welke straf en/of maatregel moeten worden opgelegd.

Ten aanzien van het recidiverisico concluderen de deskundigen dat er bij de verdachte sprake is van een hoog risico op geweld omdat de verdachte nog steeds psychotisch is en geen afstand heeft genomen van de waanideeën en vanwege het gebrek aan ziektebesef en het ontbreken van motivatie voor behandeling. Ter vermindering van het recidiverisico is langdurige behandeling van de psychotische symptomen noodzakelijk, waarbij wordt gedacht aan een combinatie van farmacotherapie en psycho-educatie, met daarnaast aandacht voor het aanbrengen van dagstructuur, zinvolle daginvulling, het opbouwen van een stabiel sociaal netwerk en het herstel van relaties met familieleden. Een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau en voldoende forensische scherpte wordt daarbij noodzakelijk geacht. Gelet hierop zien de deskundigen geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de tbs-maatregel met dwangverpleging.

Reclasseringsadvies

De reclassering onderschrijft in haar advies van 1 juli 2026 de adviezen van de psychiater en de psycholoog. Zij adviseert eveneens de tbs-maatregel met dwangverpleging en acht een tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar gelet op de door de deskundigen vastgestelde problematiek, de noodzaak tot (langdurige) klinische behandeling en het gebrek aan ziektebesef en – inzicht, alsmede het feit dat de verdachte in zijn geheel niet in gesprek wil met de reclassering waardoor er geen sprake is van betrouwbare motivatie om zich langdurig aan voorwaarden te conformeren.

Toerekeningsvatbaarheid

Hiervoor is al overwogen dat de rechtbank, gelet op de conclusies van de deskundigen, ervan uitgaat dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit in overwegende mate werd bepaald door zijn ziekelijke stoornis. Dit brengt mee dat de rechtbank het ten laste gelegde in (sterk) verminderde mate toerekent aan de verdachte.

De oplegging van straf en maatregel

De straf

Gelet op de ernst van het feit en het leed dat het slachtoffer en de nabestaanden is aangedaan, acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd. Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank enerzijds rekening gehouden met de ernst van het feit zoals hiervoor uiteengezet. Anderzijds heeft de rechtbank in strafmatigende zin in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens de Pro Justitia rapportage sterk verminderd toerekeningsvatbaar is en dat aan hem, zoals hierna zal worden overwogen, een tbs-maatregel zal worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De tbs-maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten die de wet aan het opleggen van de tbs-maatregel stelt in artikel 37a Sr. De rechtbank beschikt over een advies van twee deskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en de adviezen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en dat dit tevens geldt voor dwangverpleging. Daartoe is redengevend dat het begane feit zeer ernstig is en de problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt en het daaruit voortvloeiende herhalingsgevaar indien de problematiek van de verdachte onbehandeld blijft, zodanig is dat het niet verantwoord is om hem onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De bescherming van de veiligheid van de samenleving noodzaakt daarom tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging en de rechtbank zal deze maatregel dan ook naast de gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de maatregel van tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Contact en locatie-verbod

De verdachte zal als gevolg van de op te leggen gevangenisstraf en tbs-maatregel langdurig de vrijheid worden benomen. De rechtbank ziet gelet hierop en op wat er naar voren is gebracht door de benadeelde partij onvoldoende noodzaak om een locatie- dan wel een contactverbod op te leggen.

7 De vordering van de benadeelde partij

[zus van slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering benadeelde partij aangevoerd dat deze vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering geen wettelijke grondslag heeft.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering die door [zus van slachtoffer] is ingediend als zus van het slachtoffer, valt niet onder (een van) de genoemde categorieën uit de wet, zoals die momenteel geldt. Het uitgangspunt in de huidige wet is namelijk dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, is ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (de zogenaamde hardheidsclausule). De benadeelde partij heeft op deze hardheidsclausule geen beroep gedaan. De rechtbank ziet daarom geen reden voor een geslaagd beroep op deze hardheidsclausule. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om vooruit te lopen op de door de Staatssecretaris aangekondigde wetswijziging voor uitbreiding van de vaste kring van aanspraakgerechtigden voor vergoeding van affectieschade, omdat niet duidelijk is of deze wetswijziging zal worden aangenomen en hoe deze eruit zal komen te zien.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank bepaalt verder dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

doodslag

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

de vordering van de benadeelde partij

bepaalt dat de benadeelde partij, [zus van slachtoffer] , niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. F. Bouman, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.