Strafrecht overig
Veroordeling wegens opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar…
Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22436 · Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-22436
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 09/113735-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22436
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling wegens opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten is. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Toewijzing vordering tot schadevergoeding, de indiener is daartoe namens de rechtspersoon gemachtigd, zo oordeelt de rechtbank. De rechtbank maakt om de hoogte van het bedrag te bepalen gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Afwijzing verzoek tot opleggen schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/113735-26
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] , locatie [locatie] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Kampen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A. Aïssal, naar voren is gebracht.
De Wassenaarsche Bouwstichting heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de toelichting daarop ter terechtzitting.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 april 2026 te Honselersdijk, gemeente Westland, althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een bank en/of een matras, althans één of meerdere goederen die zich bevonden in de woning gelegen aan [adres] terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor één of meer goederen, te weten voornoemde woning gelegen aan [adres] en/of (de goederen in dan wel de inboedel van) de omliggende woning(en) te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die omliggende woning(en), althans de personen die zich in de directe omgeving en/of nabijheid van de woning aan [adres] begaven, te duchten was.
3 De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Ter terechtzitting heeft de verdachte een merendeels bekennende verklaring afgelegd. De raadsman heeft slechts een partieel (juridisch) vrijspraakverweer gevoerd over het te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan worden volstaan. De officier van justitie heeft met betrekking tot het feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2026131069, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 127).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 juli 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen forensisch onderzoek woning, opgemaakt op 11 mei 2026.
Bewijsoverweging
Het verweer van de verdediging dat niet blijkt dat levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder die van het proces-verbaal van bevindingen forensisch onderzoek woning. Daarin is aangegeven dat een gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was omdat, indien de brand niet gesmoord was, de aanwezige brandlast groter (en uitslaand) had kunnen worden en daardoor aanwezige personen op de galerij in aanraking hadden kunnen met rook/rookgassen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 15 april 2026 te Honselersdijk, gemeente Westland, opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een bank die zich bevond in de woning gelegen aan [adres] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning gelegen aan [adres] en (de goederen in dan wel de inboedel van) de omliggende woningen te duchten was en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die omliggende woningen, althans de personen die zich in de nabijheid van de woning aan [adres] begaven, te duchten was.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zijn woning op de dag dat deze zou worden ontruimd overhoop gehaald en zijn bank, die in het midden van de woonkamer stond, met een aansteker in brand gestoken. Toen de bank had vlamgevat heeft de verdachte de deuren gesloten en heeft hij de woning verlaten.
Door zijn spullen op een hoop te gooien, bewust in brand te steken en daarna de woning te verlaten zonder iemand te waarschuwen, heeft de verdachte alle mogelijke gevolgen voor lief genomen. Hierbij is ook van belang dat de verdachte eerder te kennen had gegeven dat hij zijn woning in brand zou steken als hij uit zijn woning gezet zou worden en dat hij daar op de dag van de ontruiming ook daadwerkelijk gevolg aan heeft gegeven. Dit omdat hij niet wilde dat - in zijn woorden - iemand anders van zijn spullen zou gaan genieten.
Dat de brand - buiten forse schade aan de huurwoning zelf - niet heeft geleid tot schade buiten de woning, letsel aan anderen of erger, is meer geluk dan wijsheid aan de zijde van de verdachte. Als de brand niet uit zichzelf was gesmoord, dan had deze, gezien de hoeveelheid brandbaar materiaal in de woning, groter en uitslaand kunnen worden. Rond de woning aanwezige personen hadden daardoor in aanraking kunnen komen met rook en rookgassen, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent de verdachte de gevaarzetting van de brandstichting aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 22 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op de leefgebieden huisvesting, financiën, psychosociaal functioneren en in de houding van de verdachte. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog en het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. Omdat de verdachte geen veranderwens heeft ten aanzien van zijn gedrag en absoluut niet mee wil werken aan bijzondere voorwaarden, ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De reclassering adviseert dan ook de verdachte bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De verdachte heeft de (potentiële) gevolgen van zijn daad vooral gebagatelliseerd, maar ook heeft hij direct na de brand erkend dat hij deze had aangestoken en heeft hij ter zitting enig berouw getoond. De verdachte heeft daarmee openheid van zaken gegeven en in enige mate verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen. De rechtbank neemt dit in beperkt strafmatigende zin mee in de strafoplegging.
7 De vordering van de benadeelde partij
De Wassenaarsche Bouwstichting heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding, ter terechtzitting bijgesteld naar € 68.085,49, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, primair omdat niet blijkt dat de persoon die de vordering heeft ondertekend, gemachtigd is om die vordering namens de Wassenaarsche Bouwstichting in te dienen, subsidiair omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich bij het standpunt van de officier van justitie aangesloten.
Het oordeel van de rechtbank
Machtiging
De rechtbank stelt vast dat [aangever] namens de Wassenaarsche Bouwstichting aangifte van brandstichting heeft gedaan. Diezelfde persoon heeft de vordering tot schadevergoeding namens de stichting ingediend. Zij was ook ter terechtzitting aanwezig. Het gaat hier dus om een natuurlijk persoon die vanuit de rechtspersoon zelf namens die rechtspersoon is opgetreden. De rechtbank concludeert dan ook dat [aangever] bevoegd was om namens de stichting de vordering in te dienen en deze ter terechtzitting te vertegenwoordigen.
Inhoudelijk
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit.
De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zij stelt de schade, gelet op de opgelopen huurderving en de na de brand benodigde herstelwerkzaamheden (met aftrek van btw en begeleidingskosten), vast op € 47.000,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2026, de dag waarop de schade is ontstaan.
Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank zal het verzoek van de benadeelde partij tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel afwijzen. De benadeelde partij wordt namelijk als rechtspersoon geacht om over juridische middelen te beschikken om zelfstandig de schade te verhalen.
8 Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast zoals het ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 47.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de Wassenaarsche Bouwstichting;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
wijst af het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. M. den Besten en B.J. Stil, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 augustus 2026.