Strafrecht overig

Veroordeling voor het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het slachtoffer een…

Rechtbank Den Haag, 17 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 17 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
17 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
09/044148-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23165
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het slachtoffer een minderjarige jongen was. Oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden contact- en locatieverboden. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast een taakstraf voor de duur van 120 uren en toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/044148-26

Datum uitspraak: 17 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 mei 2025 (regie) en 3 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. van Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Verstegen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 februari 2026 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

op een of meer tijdstippen opzettelijk [aangever] (11/4/2011)

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,

door

- genoemde [aangever] in/bij een auto te benaderen en/of

- tegen die [aangever] te zeggen dat hij moest instappen en/of

- [aangever] bij zijn mouw te pakken en/of (hierbij) het achterportier van de auto te

openen (waardoor [aangever] zich gedwongen voelde om in te stappen) en/of

- ( vervolgens) met genoemde [aangever] te gaan rijden (waardoor hij niet weg kon) en/of

- genoemde [aangever] (tijdens het rijden) een of meer filmpje(s) te laten zien van (een)

vuurwapen(s) en/of handelingen die daarmee werden verricht en/of

- ( daarbij) te zeggen "Ik ga je vastbinden en doodschieten" en/of

- genoemde [aangever] na het uitstappen beet te pakken en/of (daarbij) te zeggen "je gaat

mee, je gaat mee" en/of

- genoemde [aangever] (met de auto en/of te voet) te achtervolgen nadat hij was

weggerend en/of

- ( vervolgens) tegen genoemde [aangever] te zeggen "Stap in, we brengen je naar school,

we gaan je echt niks doen" en/of

- ( vervolgens) met genoemde [aangever] richting de snelweg te rijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2026 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[aangever] (11/4/2011) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

met zware mishandeling,

door

- genoemde [aangever] in/bij een auto te benaderen en/of

- tegen die [aangever] te zeggen dat hij moest instappen en/of

- [aangever] bij zijn mouw te pakken en/of (hierbij) het achterportier van de auto te

openen (waardoor [aangever] zich gedwongen voelde om in te stappen) en/of

- ( vervolgens) met genoemde [aangever] te gaan rijden (waardoor hij niet weg kon) en/of

- genoemde [aangever] (tijdens het rijden) een of meer filmpje(s) te laten zien van (een)

vuurwapen(s) en/of handelingen die daarmee werden verricht en/of

- ( daarbij) te zeggen "Ik ga je vastbinden en doodschieten" en/of

- genoemde [aangever] na het uitstappen beet te pakken en/of (daarbij) te zeggen "je gaat

mee, je gaat mee";

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.4.

Bewijsoverwegingen

Feiten en omstandigheden

Op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 10 februari 2026 is de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een stuk gaan rijden alwaar zij in de buurt van de school [school] aangever zagen lopen. Aangever wordt door [medeverdachte] gevraagd om een stuk mee te rijden en hij stapt ook in bij de verdachte en [medeverdachte] . Gedurende de rit wordt aan aangever een filmpje getoond van een vuurwapen. Op enig moment komen ze aan bij het bos waarna [medeverdachte] en aangever uitstappen. Er is wat duw- en trekwerk tussen aangever en [medeverdachte] , waarna aangever wegrent. [medeverdachte] rent achter hem aan. Aangever belt dan in paniek 112 en vertelt dat hij achternagezeten wordt. De verdachte en [medeverdachte] rijden vervolgens weg uit het bos en zien aangever lopen. Op filmpjes afkomstig van het toestel van de verdachte is te zien dat aangever geëmotioneerd is, bang lijkt en geen aanstalten maakt om het voertuig weer in te stappen nadat er geroepen wordt door verdachte dat hij hem weer naar school zal brengen. Aangever stapt uiteindelijk toch in. Wanneer het voertuig de toerit naar de A12 nadert, springt aangever uit de dan nog rijdende auto. Vervolgens klampt de aangever een motorrijder aan, die hem naar Centrum West Zoetermeer brengt. Achterop de motor heeft aangever nog contact met de politie en hij wordt vervolgens door de politie op Centrum West Zoetermeer opgevangen.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft betoogd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving omdat geen sprake is geweest van een gedraging waardoor iemand daadwerkelijk fysiek is gefixeerd. Voorts wijst de raadsvrouw er op dat de verklaring van aangever niet consistent is, onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en daarmee dus onbetrouwbaar is.

Verklaring aangever: inhoud en betrouwbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangever bij de politie en de rechter-commissaris, voldoende consistent en betrouwbaar zijn.

Zo heeft aangever verklaard dat [medeverdachte] tijdens het tonen van het filmpje met een vuurwapen heeft gezegd: “ik ga je vastbinden en doodschieten”, terwijl ze op weg waren naar het bos.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat het filmpje is getoond wordt door de verdachte in zijn verklaring ter terechtzitting bevestigd. De zichtbare angst van de aangever op de beelden, en het wegrennen na de eerste keer uitstappen past bij zijn verklaring dat er daarbij ook dreigende woorden zijn gevallen. Aangever heeft bovendien 112 gebeld en heeft later nogmaals contact gehad met de politie, toen hij achter op de motor zat. De verklaring van deze motorrijder, die bij aangever angst en paniek heeft waargenomen en hem naar Centrum West Zoetermeer heeft gebracht, geeft ook steun aan de verklaring van aangever. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, die er op neer komt dat er in de auto in het geheel geen dreigende situatie is ontstaan, volstrekt onaannemelijk. Niet in de minste plaats nu ook de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de aangever in de auto in shock leek en steeds om zich heen zat te kijken.

De verdediging heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de verkeerssituatie ter plaatse, dat het niet de bedoeling was om de snelweg op te rijden. Daarbij is opgemerkt dat de auto op dat specifieke punt niet alleen naar links (de snelweg op) maar ook nog rechtdoor (over de snelweg) kon rijden, zodat er geen reden was voor aangever om uit de auto te springen. In dat betoog gaat de rechtbank niet mee. Aangever heeft verklaard dat hij dacht dat de verdachten met hem de snelweg op wilden rijden en dat acht de rechtbank ook aannemelijk. [medeverdachte] heeft daarover verklaard dat dit de bedoeling was en daarnaast past het gedrag van de aangever, die vlak voor de snelweg uit de auto is gesprongen en vervolgens direct om hulp heeft gevraagd, bij zijn verklaring.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

De rechtbank moet beoordelen of de gedragingen van de verdachte wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren. Daarvan is sprake indien de dader iemand doet verblijven, zonder dat hij daartoe gerechtigd is, op een plaats waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst moment ogenblikkelijk kan verwijderen. De feitelijke situatie waarin het slachtoffer is gebracht vormt daarin het zwaartepunt. Hierbij is van belang dat iemands bewegingsvrijheid niet alleen fysiek beperkt kan worden, maar ook beperkt kan worden door iemand angst aan te jagen. Daadwerkelijk fysiek beletten dat iemand weg kan is (anders dan de verdediging stelt) niet vereist.

De rechtbank is op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving en van het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden van de aangever. Hoewel de aangever zelf in de auto is gestapt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en [medeverdachte] door hun handelen een zodanig dreigende situatie hebben doen ontstaan dat de aangever zich daaraan niet kon onttrekken.

De rechtbank betrekt daarbij de omstandigheden waaronder de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, te weten het aankondigen dat de aangever zou worden meegenomen naar het bos, de daarbij gebruikte bewoordingen, het tonen van een filmpje met een vuurwapen, de geuite bedreiging, het vastpakken van de aangever, het achter hem aanrennen en tot slot het rijden met aangever in de auto richting de snelweg, terwijl tegen de aangever werd gezegd dat hij terug naar school zou worden gebracht. Het gedrag van de verdachte en [medeverdachte] was uitermate intimiderend, wat ook onderstreept wordt door het feit dat de verdachten de aangever hebben gefilmd en dit op snapchat hebben gezet, terwijl duidelijk te zien is dat hij geëmotioneerd is. De verdachte en [medeverdachte] hadden daaruit kunnen en moeten afleiden dat de aangever niet in de auto wilde zitten, en dat hij angstig was.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid van een ander bij een strafbaar feit als medeplegen door die ander kan worden gekwalificeerd als is komen vast te staan dat die betrokkenheid een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van deze bewuste en nauwe samenwerking. [medeverdachte] is degene die de aangever actief heeft bedreigd en geïntimideerd. De aangever zat in een rijdende auto, die de verdachte ter beschikking had gesteld en die door hem werd bestuurd. Op geen enkel moment heeft de verdachte de medeverdachte aangesproken op zijn gedrag of afstand genomen van de situatie. Nadien zijn ze samen nog naar school gereden om de aangever te zoeken. Met die handelingen heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving geleverd.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte in vereniging met een ander, aangever [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 10 februari 2026 te Zoetermeer,

tezamen en in vereniging met een ander, op tijdstippen opzettelijk [aangever] (11/4/2011)

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

door

- genoemde [aangever] bij een auto te benaderen en

- tegen die [aangever] te zeggen dat hij moest instappen en

- vervolgens met genoemde [aangever] te gaan rijden waardoor hij niet weg kon en

- genoemde [aangever] tijdens het rijden een filmpje te laten zien van een

vuurwapen en

- daarbij te zeggen "Ik ga je vastbinden en doodschieten" en

- genoemde [aangever] na het uitstappen beet te pakken en daarbij te zeggen "je gaat

mee, je gaat mee" en

- vervolgens tegen genoemde [aangever] te zeggen "Stap in, we brengen je naar school,

we gaan je echt niks doen" en

- vervolgens met genoemde [aangever] richting de snelweg te rijden;

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 321 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met de aangever en mededader [medeverdachte] , dadelijk uitvoerbaar, een locatieverbod voor [school] met een straal van 500 meter daaromheen, dadelijk uitvoerbaar, coaching/begeleiding indien de reclassering dat nodig acht, en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, geen standpunt ingenomen over een op te leggen straf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Zij hebben met hun handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid en psychische integriteit van het slachtoffer. De situatie, steeds “twee tegen één”, moet voor het slachtoffer zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. De verdachte heeft herhaaldelijk de gelegenheid gehad om de situatie te beëindigen en zich te ontfermen over het slachtoffer. In plaats daarvan heeft hij de situatie in stand gehouden door het slachtoffer te filmen in geëmotioneerde toestand, dat filmpje vervolgens te uploaden op Snapchat en rond te blijven rijden met aangever in de auto, terwijl hij zelf ook opmerkte dat het slachtoffer in shock leek. De rechtbank rekent hem dit aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 maart 2026.

Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens enig misdrijf.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 21 april 2026 en het voortgangsverslag van 24 juli 2026. Het advies van 21 april 2026 benoemt risicovolle signalen aangaande het psychosociaal functioneren van de verdachte, met name de beïnvloedbaarheid in combinatie met impulsiviteit dan wel naïviteit en het sociaal netwerk van verdachte. De reclassering acht het aannemelijk dat deze factoren een rol hebben gespeeld bij het plegen van het delict. Het recidiverisico kan echter niet worden ingeschat in verband met de ontkennende houding van verdachte. De reclassering heeft verder geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat verdachte leeftijdsadequaat functioneert en er geen noodzaak is voor het inzetten van interventies van pedagogische aard.

De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit advies af te wijken. De rechtbank weegt wel de jeugdige leeftijd ten tijde van het feit in het voordeel van verdachte mee. Verder blijkt uit het voortgangsverslag van 24 juli 2026 van de reclassering dat de verdachte inmiddels een fulltime baan heeft met uitzicht op een vaste aanstelling en zich goed conformeert aan zijn reclasseringstoezicht. Ook die omstandigheden weegt de rechtbank bij bepaling van de straf in zijn voordeel mee

De op te leggen straffen

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke gevallen wordt opgelegd en ziet, gelet op al het voorgaande, aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [aangever] en [medeverdachte] , een locatieverbod voor het gebied rondom de school van de aangever met een straal van 500 meter daaromheen en begeleiding door een coach indien noodzakelijk geacht door de reclassering. De hoogte van deze – grotendeels voorwaardelijke – gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank niet volledig recht aan de ernst van het feit. Om die reden zal de rechtbank, daarnaast, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis opleggen.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten [aangever] . Gelet op de omstandigheid dat de verdachte kennelijk zonder enige aanleiding zich heeft laten meeslepen door de medeverdachte en is overgegaan tot het plegen van een zeer heftig feit, ter terechtzitting zich nog altijd niet volledig bewust lijkt van de ernst van wat zich heeft afgespeeld en blijkens het reclasseringsrapport beïnvloedbaar is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden, te weten het contactverbod met [aangever] en het contactverbod met [medeverdachte] , alsmede het locatieverbod voor de [school] met een straal van 500 meter en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, in de eerste plaats wegens de bepleite vrijspraak en in de tweede plaats omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft gesteld dat hij als gevolg van de gebeurtenis spanningsklachten en slaapproblemen heeft ontwikkeld. Daarbij is hij een periode niet naar school geweest uit angst voor een confrontatie met de verdachte en de medeverdachte.

Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106, eerste lid. aanhef en onder b. van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachte in zijn persoon is aangetast en daarom aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade. Hoewel geestelijk lijden niet met stukken is onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van een verklaring van een huisarts of een andere medisch specialist, neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de aard en de ernst van de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de gegeven omstandigheden meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Bij het vaststellen van de hoogte van het toe te kennen bedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en met de Rotterdamse schaal. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast en wijst deze toe tot het gevorderde bedrag van € 1.000,-.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € l.000.-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en beroofd houden;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 136 DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met

[aangever] (geboren op [geboortedatum 2] 2011) en [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum 3] 2009), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter van [school] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, [adres 2] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang als de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd, indien de reclassering dat nodig acht, laat coachen dan wel begeleiden bij een nader te bepalen instelling (bijvoorbeeld van E25) ten behoeve van vaardigheidstekorten, zijn persoonlijke ontwikkeling en toekomstbestendige invulling van zijn leven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

Beveelt dat het genoemde contactverbod, het genoemde locatieverbod en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 120 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 DAGEN;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald.

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Kuijper, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. J.Y. van Gameren, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. I. Verhagen en E.D. Six, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2026.