Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. Medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal in vereniging (babbeltrucs bij ouderen)…

Rechtbank Den Haag, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
09-219319-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:27123
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal in vereniging (babbeltrucs bij ouderen). Toewijzing vorderingen benadeelde partij naar rato, waarbij rekening is gehouden met de ondergeschikte rol van de verdachte in het bewezenverklaarde.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-219319-25

Datum uitspraak: 17 september 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats]

inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting


De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 3 september 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. S. Sleeswijk Visser en de raadsman van de verdachte is mr. O.P Kuit te ‘s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van meerdere gekwalificeerde diefstallen in de periode van 19 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 te Woubrugge, Hazerswoude-Dorp, Alphen aan den Rijn en/of Hoorn (NH). Het ging daarbij om zogenaamde babbeltrucs. Subsidiair wordt de verdachte verweten dat zij medeplichtig is geweest aan deze feiten.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken voor medeplichtigheid aan de diefstal van [aangever 1] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er geen sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n). De rol van de verdachte is niet vergelijkbaar met de rol van de medeverdachten en zij heeft slechts een beperkt aandeel in de bewezenverklaarde feiten gehad. De rechtbank zal haar daarom vrijspreken van het medeplegen van deze feiten.

3.4

Partiële vrijspraak subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van medeplichtigheid bij een aantal feiten.

Uit het dossier volgen echter geen aanwijzingen dat de verdachte betrokken is geweest bij de babbeltruc bij [aangever 1] . Zowel de verdachte als de medeverdachte hebben verklaard dat de verdachte hier niet bij aanwezig was. De rechtbank acht de medeplichtigheid aan de gekwalificeerde diefstal bij [aangever 1] te Hoorn daarom niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.5

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het overige subsidiair ten laste gelegde en zal daarvoor met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer

PL1500-2025240844, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 385).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 3 juni 2025

(p. 19-24);

3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 10 juni 2025 (p. 51-62);

4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 20 juni 2025 (p. 83-84);

5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 21 juni 2025 (p. 113-115);

6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 166-169).

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

subsidiair

[medeverdachte] in de periode van 3 juni 2025 tot en met 17 juli 2025 te Woubrugge en Hazerswoude-Dorp en Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of ander,

sieraden en contante geldbedragen en een schilderij en munten en pinpassen, die geheel of ten dele aan [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 4] en [aangever 5] en [aangever 6] , toebehoorden,

heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [medeverdachte] en haar mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een

samenweefsel van verdichtsels, door

- voornoemde slachtoffers te bellen en zich voor te doen als politieambtenaren met de naam " [schuilnaam 1] " of " [schuilnaam 2] " of " [schuilnaam 3] " of " [schuilnaam 4] " of " [schuilnaam 5] " en

- tegen voornoemde slachtoffers te zeggen dat er criminelen in de buurt actief waren, dat voornoemde slachtoffers in de gaten werden gehouden door die criminelen, dat voornoemde slachtoffers hun sieraden en andere waardevolle spullen klaar moesten leggen, dat voornoemde slachtoffers hun pincodes en/of verzekeringsgegevens op een envelop moesten schrijven en moesten klaarleggen, dat de politie langs zou komen bij voornoemde slachtoffers om de waardevolle spullen veilig te stellen en

- naar de woning van voornoemde slachtoffers te gaan en zich tegenover die slachtoffers voor te doen als politieambtenaar en zich te legitimeren met de naam " [schuilnaam 4] " en " [schuilnaam 5] " en/of een politie dienstnummer en

- genoemde goederen van voornoemde slachtoffers in ontvangst te nemen en

- de woning van voornoemde slachtoffers te betreden en

- met genoemde goederen de woning te verlaten en

- met de weggenomen pinpas(sen) geld op te nemen of te pinnen,

bij het plegen van welke misdrijven verdachte in de periode van 3 juni 2025 tot en met 17 juli 2025 te Woubrugge en Hazerswoude-Dorp en Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, telkens

opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- medeverdachte [medeverdachte] te vervoeren van en naar de adressen van voornoemde slachtoffers en de pinautomaten waar medeverdachte [medeverdachte] met de weggenomen pinpassen heeft gepind.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft daarnaast een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie gevorderd, met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het feit dat in februari 2025 bij de verdachte ADHD is vastgesteld. De daarmee gepaard gaande impulsiviteit heeft een rol gespeeld bij de feiten. De verdachte is niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen en heeft bij de politie direct alles bekend en op eigen initiatief extra informatie gegeven. Daarnaast heeft de verdachte veel spijt van haar gedrag en worstelt zij met wat zij in haar rol de slachtoffers heeft aangedaan. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft zij goed meegewerkt aan de begeleiding van de jeugdreclassering en de schorsingsvoorwaarden. De verdediging sluit zich aan bij het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en gelet daarop wordt verzocht een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan verschillende gekwalificeerde diefstallen, in de vorm van babbeltrucs. Zij wist dat de medeverdachte, haar vriendin, samen met een andere mededader, deze feiten zou gaan plegen. Haar vriendin en de mededader hebben zich voorgedaan als medewerkers van de politie. Haar vriendin ging, nadat er eerst gebeld was, naar de woning van meerdere slachtoffers, deed zich daarbij voor als politiemedewerkster en haalde waardevolle goederen, geld en pinpassen op.

De verdachte heeft de medeverdachte op de fatbike gebracht naar de woningen van de slachtoffers. De verdachte is zelf niet in de woningen geweest, maar is op afstand gebleven. Zij heeft vervolgens de medeverdachte naar een pinautomaat gebracht, zodat de medeverdachte daar bedragen van de bankrekening van de slachtoffers kon pinnen. Voor haar rol heeft de verdachte meerdere keren geldbedragen ontvangen. De verdachte was op de hoogte van het feit dat de medeverdachte zich voordeed als politiemedewerker en langs de woningen van de slachtoffers ging om waardevolle spullen op te halen. Het is extra kwalijk dat alle slachtoffers oudere mensen betreffen en de verdachte op de hoogte was dat de medeverdachte(n) misbruik hebben gemaakt van hun (grotere) kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Door het handelen van de medeverdachte(n) en indirect het handelen van de verdachte is de slachtoffers niet alleen financiële schade toegebracht, maar is ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. De gevolgen voor de slachtoffers zijn treffend verwoord in de toelichting van enkele van slachtoffers bij hun vordering als benadeelde partij: schaamte, angst, gevoelens van onveiligheid, verlies van vertrouwen in anderen en verdriet over verlies van sieraden die onvervangbaar zijn vanwege hun emotionele betekenis.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit heeft verder geen invloed op de straf, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 25 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De zeer beperkte risico’s zijn gelegen in de impulsiviteit van de verdachte, die voortkomt vanuit de diagnose ADHD en het feit dat zij ten aanzien van het tenlastegelegde onvoldoende de gevolgen van haar gedrag heeft overzien. Er zijn veel beschermende factoren aanwezig. De verdachte groeit op in een veilige en stabiele gezinssituatie, zet zich in voor school, heeft een zinvolle vrije tijdsbesteding en komt haar afspraken na. De verdachte heeft veel spijt van haar gedrag en worstelt hiermee. Het is goed om hiervoor ondersteuning in te zetten, zodat de verdachte hulp krijgt bij de verwerking hiervan. Nu de kans op herhaling laag is, er geen meerwaarde wordt gezien in begeleiding door de jeugdreclassering of een verplichte behandeling, wordt geadviseerd een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Hoewel de ernst van de feiten aanleiding kunnen geven tot een onvoorwaardelijke straf, ziet de Raad daarin geen toegevoegde pedagogische meerwaarde, gelet op de strafbeleving die de verdachte al heeft ervaren.

De jeugdreclassering heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte haar afspraken gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed is nagekomen. De afgelopen periode zat de verdachte niet altijd goed in haar vel. Zij is daarom aangemeld bij [instelling] en is daar recentelijk mee gestart. De verdachte vindt deze hulpverlening af en toe lastig, maar zij is gemotiveerd om dit af te ronden.

Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.

De rechtbank weegt bij de strafoplegging mee dat de verdachte een zeer beperkte rol heeft gehad bij de feiten. Zij is niet in de woningen van de slachtoffers geweest, maar haar rol bestond uit het vervoeren van de medeverdachte en in ruil daarvoor heeft zij geld ontvangen. De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat zij haar vriendin, die onder druk werd gezet door de mannelijke mededader, niet alleen wilde laten gaan. Dat is - en dat heeft de verdachte ook erkend - echter geen excuus voor haar gedrag. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte bij de politie direct openheid van zaken heeft gegeven, goed heeft meegewerkt aan de begeleiding en de afspraken tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis (die al een jaar loopt) en oprecht spijt heeft betuigd van wat de slachtoffers is aangedaan. Ter zitting heeft zij naast spijt ook verteld hoe zeer zij zich schaamt voor haar gedrag. Zij komt daarin oprecht over.

De rechtbank zal bij de strafoplegging niet aansluiten bij de eis van de officier van justitie voor wat betreft het opleggen van een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, maar zal een (hogere) voorwaardelijke werkstraf opleggen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren. De rechtbank gaat er van uit dat deze straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten en dient als (stevige) waarschuwing voor de verdachte. Aan de voorwaardelijke werkstraf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden. De rechtbank zal geen bijzondere voorwaarden verbinden aan de proeftijd. De verdachte heeft aangegeven zelf ook de behandeling bij [instelling] te willen afmaken. Die behandeling heeft zij nodig om de haar te ondersteunen om alles rondom het bewezenverklaarde te verwerken. De rechtbank gaat er van uit dat de verdachte deze behandeling dus vrijwillig zal voortzetten en afmaken.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vorderingen

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 1.380,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op € 380,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

[aangever 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 13.735,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[aangever 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 1.400,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 3.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op € 2.000,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [aangever 1] concludeert de officier van justitie tot afwijzing van de vordering, nu de verdachte niet bij dit feit betrokken is geweest.

De officier van justitie concludeert tot volledige toewijzing van de vordering van [aangever 6] . Hoewel de handtekening op de vordering tot schadevergoeding van [aangever 6] ontbreekt, heeft de benadeelde partij het wensenformulier wel ondertekend. Hieruit blijkt dat zij de intentie heeft gehad om een vordering tot schadevergoeding in te dienen, waardoor de handtekening op het wensenformulier als het ware moet worden ingelezen bij de vordering.

Voor wat betreft de vordering van [aangever 2] concludeert de officier van justitie tot toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van € 300,- aangezien dit tijdens de diefstal op 3 juni 2025 is weggenomen en de verdachte hier als medeplichtige bij betrokken is geweest. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade concludeert de officier van justitie tot toewijzing tot een bedrag van € 200,- nu de verdachte niet in de woning van de benadeelde partij is geweest.

Ten aanzien van het deel van de vordering van [aangever 4] dat ziet op het weggenomen cashgeld, de zilveren munten, de iPhone 8 en de nieuwe simkaart concludeert de officier van justitie tot toewijzing.

Voor wat betreft de zilveren munten concludeert de officier van justitie tot toewijzing van het gevorderde bedrag. De schade ten aanzien van de gouden sieraden is niet onderbouwd met facturen, maar hiervoor wordt verwezen naar prijzen van vergelijkbare sieraden op het internet. De prijzen voor soortgelijke gouden sieraden lopen erg uiteen. Gelet daarop concludeert de officier van justitie tot toewijzing tot een geschat bedrag van € 1000,- voor de gevorderde schade ten aanzien van het horloge, de armband, de ketting en de trouwring en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige.

De toegewezen bedragen dienen telkens te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarnaast heeft de officier van justitie telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [aangever 2] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor wat betreft de vordering van [aangever 4] heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de schadeposten die zien op de zilveren munten, de armband, het horloge, de ketting en de trouwring niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en een deskundige beoordeling om de waarde vast te stellen ontbreekt. Ten aanzien van de gevorderde schade voor het weggenomen contante geld, de iPhone 8 en de nieuwe simkaart heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van [aangever 6] heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De handtekening van de benadeelde partij ontbreekt en de vordering voldoet daarmee niet aan de formele eisen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een deel van de bij [aangever 6] weggenomen goederen bij de verdachte thuis zijn aangetroffen en de verdachte onder andere een bedrag van € 1.090,- aan de politie heeft overhandigd. Dit bedrag is vervolgens ten behoeve van de benadeelde partij veiliggesteld en is of zal aan de benadeelde partij worden geretourneerd. Gelet daarop dient de vordering ten aanzien van dat bedrag niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel te worden afgewezen. Voor het overige van de vordering heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte niet bij deze diefstal betrokken is geweest. Subsidiair is verzocht om de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting oplevert voor het strafproces. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van alle vorderingen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet hoofdelijk moeten worden toegewezen, gelet op de rol van de verdachte.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Verdeling naar rato

De rechtbank gaat er van uit dat de medeverdachte [medeverdachte] de feiten tezamen en in vereniging met een mededader, de jongen die zich uitgaf als agent, heeft gepleegd. De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat het niet zeker is of hij voor de onderhavige feiten zal worden vervolgd, omdat hij in een ander arrondissement al vervolgd wordt voor meerdere soortgelijke feiten. Omdat het niet zeker is of hij voor deze zaken ook nog wordt vervolgd, is het ook onzeker of de benadeelde partijen in die strafzaak een vordering kunnen indienen. De rechtbank meent dat daarom onzeker is wat de gevolgen zijn van een hoofdelijke veroordeling, niet alleen voor de verdachte, de medeverdachte, maar ook voor de benadeelde partijen. Bovendien is de rol van de verdachte van een andere orde dan die van de medeverdachten. De rechtbank zal daarom de vorderingen op een andere manier beoordelen.

Gelet op de verschillende rollen die de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben gehad bij de bewezenverklaarde feiten, vindt de rechtbank het niet passend om de verdachte hoofdelijk aansprakelijk te achten voor de volledige schade. De rechtbank zal daarom aan de verdachte en aan [medeverdachte] verplichtingen tot schadevergoeding opleggen die passen bij ieders aandeel in de feiten. De rechtbank heeft in de verdeling rekening gehouden met de ondergeschikte rol die de verdachte heeft gespeeld in het bewezenverklaarde, waarbij zij wordt vrijgesproken van het medeplegen en haar gedragingen worden gekwalificeerd als medeplichtige. Gelet daarop zal de rechtbank de toegewezen bedragen verdelen waarbij – grosso modo - 80% van het toegewezen bedrag voor rekening van medeverdachte [medeverdachte] komt en 20% voor rekening van de verdachte.

[aangever 2]

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdediging niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten ter grootte van het gevorderde bedrag van € 380,- . Dit bedrag ziet op het geinde geld van de benadeelde partij op twee verschillende data, namelijk op 3 juni 2025 en op 11 juli 2025.

Nu de verdachte alleen betrokken is geweest bij de eerste diefstal op 3 juni 2025 van de benadeelde partij en bij deze diefstal € 300,- van de rekening van de benadeelde partij is gepind, zal de rechtbank alleen dit bedrag naar rato verdelen onder de verdachten en de medeverdachte en de € 80,- die bij de tweede diefstal op 11 juli 2025 is gepind volledig toewijzen ten laste van medeverdachte [medeverdachte] . Gelet op de verdeling van het toegewezen bedrag naar rato, zal de rechtbank ten aanzien van de materiële schade € 320,- (te weten 80% van € 300,-, plus € 80,- van de diefstal op 11 juli 2025) ten laste van medeverdachte [medeverdachte] toewijzen en € 60,- (te weten 20% van € 300,-) ten laste van de verdachte.

Immateriële schade
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde zo voor de hand liggen, dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken. Bij de diefstallen zijn bewust oudere mensen uitgekozen en is er op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van hun kwetsbaarheid. Uit de toelichting bij de vordering blijkt ook dit een grote impact heeft gemaakt op de benadeelde partij, waardoor haar vertrouwen in de medemens een enorme deuk heeft gekregen en zij achterdochtig is geworden. De rechtbank maakt voor de vaststelling van de omvang van de schade gebruik van haar bevoegdheid om deze naar billijkheid vast te stellen. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 1.000,-. Gelet op de verdeling naar rato zal de rechtbank € 800,- ten laste van medeverdachte [medeverdachte] toewijzen en € 200,- ten laste van de verdachte.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 260,-, bestaande uit € 60,- aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 260,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

[aangever 4]

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. De gevorderde schade voor het weggenomen contante geld, de iPhone 8 en de nieuwe simkaart is door de verdediging niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank zal dit toewijzen zoals verzocht. Ten aanzien van de zilveren munten is de rechtbank van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat deze wegens de stijging van de zilverprijs in waarde zijn gestegen sinds de aankoop daarvan. De rechtbank zal deze schadepost ter hoogte van

€ 3.915,- dan ook toewijzen. Uit het dossier blijkt dat er meerdere sieraden bij de benadeelde partij zijn weggenomen. De rechtbank zal voor de schade ten aanzien van de sieraden gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid naar billijkheid, omdat deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Het is een feit van algemene bekendheid dat goud waardevast is en de goudprijs de afgelopen jaren is gestegen. De rechtbank stelt de schade voor de sieraden schattenderwijs vast op € 1.500,- en zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het totaal toegewezen bedrag aan materiële schade bedraagt

€ 6.135,-. Gelet op de hiervoor besproken verdeling naar rato zal de rechtbank € 4.908,- ten laste van de medeverdachte toewijzen en € 1.227,- ten laste van de verdachte.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 1.227,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 4] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

[aangever 6]

Ontbreken handtekening

De rechtbank stelt vast dat de vordering niet compleet is en de pagina met de handtekening van de benadeelde partij ontbreekt. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij haar schade wil verhalen op de verdachte. De benadeelde partij heeft daarnaast ook het wensenformulier teruggestuurd, waar haar naam en handtekening wel op staan. Gelet daarop is het onmiskenbaar dat de benadeelde partij een vordering heeft willen indienen. De rechtbank acht haar daarom ontvankelijk in haar vordering.

Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde, ter grootte van het gevorderde bedrag. Gelet daarop zal de rechtbank het gevorderde bedrag van

€ 1.400,- toewijzen. Gelet op de verdeling naar rato zal de rechtbank € 1.120,- ten laste van de medeverdachte toewijzen en € 280,- ten laste van de verdachte.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 280,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 6] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

[aangever 1]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot

schadevergoeding, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van (medeplichtigheid aan) het feit dat ziet op deze benadeelde partij.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de

verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft

moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 48, 49, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

medeplichtigheid aan het medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse

sleutels, het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en een

samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 50 (VIJFTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 (VIJFENTWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (4 dagen), bij de eventuele tenuitvoerlegging van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht (omgerekend 8 uren), voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt dat deze gehele taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de vordering van benadeelde partij [aangever 2] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 260,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 260,-, bestaande uit € 60,- aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 260,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de vordering van benadeelde partij [aangever 4] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 1.227,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 1.227,- bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 juni 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.227,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de vordering van benadeelde partij [aangever 6] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 280,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 280,- bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 280,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de vordering van benadeelde partij [aangever 1] en de schadevergoedingsmaatregel

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J. Bouwman, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,

en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.