Strafrecht overig
Vrijspraak medeplegen van/medeplichtigheid aan diefstal met geweld. Onvoldoende duidelijk of en zo ja welke…
Rechtbank Den Haag, 17 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27493 · Rechtbank Den Haag · 17 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-27493
Zaakgegevens
Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Datum publicatie
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- 09/322780-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27493
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak medeplegen van/medeplichtigheid aan diefstal met geweld. Onvoldoende duidelijk of en zo ja welke rol de verdachte heeft gehad. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/322780-24
Datum uitspraak: 17 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. P.A. Verhoeven, waarnemend voor mr. T.J.F. Wassenaar, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 3 oktober 2024 te 's-Gravenhage, op de openbare weg, het parkeerterrein aan de Madesteinweg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een autosleutel, horloge, geld (€100,-), telefoon (Iphone 15) en rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] :
- meermalen in/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- te duwen in en/of tegen de auto van die [slachtoffer] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekende daders op of omstreeks 3 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een autosleutel, horloge, geld (€100,-), telefoon (Iphone 15) en rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door die [slachtoffer] :
- meermalen in/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- te duwen in en/of tegen de auto van die [slachtoffer] ,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 oktober 2024 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- gedurende de afspraak tussen die [slachtoffer] en mededader [medeverdachte 2] via Snapchat contact te onderhouden met die [medeverdachte 2] en andere mededader(s) en/of
- via Snapchat instructies te geven aan haar mededader(s):
‘ [medeverdachte 2] ’
‘Schatje’
‘Als je in de auto instapt‘
‘App mij’
‘Stuur iets’
‘Dan kan ik [medeverdachte 1] ’
‘laten weten’
’‘ [medeverdachte 1] snel’
‘Stuur de achterkant van de id’.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld.
De officier van justitie heeft, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot 75 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft verder gevorderd om aan de voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden te stellen een meldplicht, een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten en het hebben van een dagbesteding. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 60 uren gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Vrijspraak
Vaststaat dat [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) op 3 oktober 2024 door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: de medeverdachten) van zijn spullen is beroofd en dat daarbij geweld is gebruikt.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte als medepleger van dan wel als medeplichtige aan deze diefstal met geweld kan worden aangemerkt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt zij als volgt.
Uit het dossier volgt aan concrete aanwijzingen voor een eventuele betrokkenheid van de verdachte dat zij rondom het tijdstip van de beroving in een groepschat met de medeverdachten een aantal berichten heeft gestuurd. In dat chatgesprek zitten aanwijzingen dat de verdachte wetenschap had van een ontmoeting van de medeverdachten met het slachtoffer. Daar blijft het echter bij. Hoewel de berichten vragen oproepen, is de enkele wetenschap van de verdachte van een ontmoeting met het slachtoffer onvoldoende om daaruit een betrokkenheid van de verdachte af te leiden bij de strafbare handelingen die tijdens die ontmoeting hebben plaatsgevonden. Bij die stand van zaken blijft het onvoldoende duidelijk of en zo ja welke rol de verdachte heeft gehad bij het tenlastegelegde.
Conclusie
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair of subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken.
4 De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. D. Marcus, heeft zich als benadeelde
partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade
een bedrag van € 28.395,44, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op
€ 18.395,44 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging
van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de gevorderde medische kosten en reiskosten, alsmede de schadeposten betreffende het contante geld, het horloge, de autosleutel en de schade aan de auto, voor toewijzing in aanmerking komen. Volgens de officier van justitie dient dit naar redelijkheid te worden begroot op een bedrag van € 1.000,-. Ten aanzien van de overige posten heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 1.000,- redelijk is en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De officier van justitie heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat meerdere schadeposten in het geheel niet zijn onderbouwd en andere schadeposten ontoereikend zijn onderbouwd. Volgens de verdediging dient de benadeelde partij ten aanzien van die schadeposten niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, dan wel dient de vordering in zoverre te worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.
5 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
de vordering van de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. de Groot, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.