Strafrecht overig

Vrijspraak zware mishandeling. Veroordeling mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten…

Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
09/179428-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29201
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak zware mishandeling. Veroordeling mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Oplegging van een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/179428-26

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. B. Ivanov-Petkova naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 22 juni 2026 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of een of meerdere (andere) verwondingen in/aan het hoofd, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] te slaan tegen het hoofd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 22 juni 2026 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] te slaan tegen het hoofd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten hersenletsel en/of een of meerdere (andere) verwondingen in/aan het hoofd) ten gevolge had.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit en heeft zich met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026221588, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/ Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 83).

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 september 2026, voor zover inhoudende:

Zonder goed na te denken gaf ik hem een klap met mijn linkerhand.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 24 juni 2026, voor zover inhoudende (p. 81):


Ik doe namens mijn man, [slachtoffer] , aangifte. Op maandag 22 juni 2026, was mijn man naar zijn werk gegaan. Hij werkt voor [bedrijf] . Diezelfde ochtend stond de politie voor mijn deur en die vertelden mij dat mijn man in het ziekenhuis lag. Ik heb gehoord dat er ruzie was geweest op het werk bij mijn man en dat mijn man een klap heeft gekregen, dat hij was geslagen door een andere persoon en dat hij hierdoor letsel heeft gekregen en naar het ziekenhuis is vervoerd. Op dit moment ligt mijn man in coma, hij wordt slapende gehouden en is het niet duidelijk hoe het precies met hem gaat.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2026, voor zover inhoudende (p. 53 tot en met p. 55):

Fragment 1: 75f235bl-26a2-4d5c-ba94-c738f7a17f27

Ik zag dat NNl met kracht een low-kick tegen de kuit van NN2 plaatste. Ik zag dat NN2 zijn hand naar beneden richting zijn been plaatste en direct erna zijn hand weer terug plaatste wijzend naar de borst van NNl. Ik zag dat NN2 de gehele tijd de houten paal naar beneden wijzend, schuin achter zijn lichaam hield. Op 0:57 seconden zag ik dat NNl zijn linkerarm met gebalde vuist naar achter bracht en met kracht en snelheid zijn vuist, tegen de rechterzijde van het gezicht van NN2 plaatste. Ik zag dat het gezicht van NN2, door de kracht van de vuiststoot, naar links bewoog. Ik zag dat NN2 direct zijn hoofd naar beneden liet hangen. Ik zag dat NN2 naar achter viel en hierbij de houten paal losliet. Ik zag dat NN2 op de betonnen grond terecht kwam. Ik zag dat NN2 zijn handen en hoofd liet zakken en zag dat NN2 niet meer bewoog.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2026, voor zover inhoudende (p. 65):

Op maandag 22 juni 2026 omstreeks 08.00 uur vond er in een bedrijf, gevestigd op de [adres] te Nootdorp een mishandeling plaats.

Beelden 75f235b1-26a2-4d5c-ba94-c738f7a17f27

In het proces-verbaal werden de twee personen betrokken bij de mishandeling NN01 en NN02 genoemd. NN02 bleek het latere slachtoffer, genaamd
[slachtoffer] .

NN01 bleek de later aangehouden verdachte [verdachte] .

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2026, voor zover inhoudende (p. 52):

Ik verbalisant [verbalisant] was aanwezig bij het incident en zag daarvoor dat rondom het hoofd van het slachtoffer een grote plas bloed lag, ik zag dat dit bloed afkomstig was uit het hoofd en het oor van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer niet bij bewustzijn lag en dat het slachtoffer geïntubeerd was. Ik hoorde van het ambulance personeel dat het slachtoffer niet meer zelfstandig kon ademhalen.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 juni 2026, voor zover inhoudende (p. 72):

Door politieambtenaren werd op verschillende moment contact opgenomen met de vriendin van de partner van het slachtoffer [slachtoffer] om navraag te doen naar de medische toestand van [slachtoffer] .
Maandag 22 juni 2026:
• Slachtoffer is uit de operatiekamer.
• Ernstig letsel aan linkerzijde gezicht
• Diverse botbreuken in gezicht
• Bloed in zijn hersenen waarvan gemonitord wordt waar het heen gaat/vandaan komt.
Hij wordt nu 24 uur in slaap gehouden en morgen wordt geprobeerd hem wakker te maken.
Dinsdag 23 juni 2026:
• Vandaag geprobeerd wakker te maken maar poging gestaakt omdat de bloeddruk toenam. Er wordt nu geprobeerd deze naar beneden te krijgen.
• Donderdag proberen ze het opnieuw
• Nog steeds geen hersenactiviteit, ook nog bloed in de hersenen waarvan niet bekend is waar het vandaan komt.

7. Het geschrift, te weten de vordering benadeelde partij, voor zover inhoudende (bijlage 1, ongenummerd):

Betreft: [slachtoffer]

Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 22-6-2026 tot en met 30-7-2026 op de afdeling Neurochirurgie in verband met resp. insuff. status na neurotrauma.

Reden van komst / Verwijzing

Diagnose: TBI met SAB, SDH links frontaal en contusiehaarden, fracturen aangezicht, doorgemaakte LWI.

Neuro: verlaagd bewustzijn, spoor SAB links frontaal, kleine schil aSDH links frontaal wv ICP meter via rechts frontaal d.d. 22-6

2. Traumatische sinus transversus trombose rechts

3. Mastoïdfractuur rechts met bloed uit AD

4. Os temporale fractuur links

5. Hematoom OS.

Dysfagie

Betreft: [slachtoffer]

Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 9 tot en met 14 juli 2026 op de afdeling Intensive Care van het HMC.

Status na mishandeling waarbij traumatisch breinletsel met subarachnoïdale bloeding, subduraal hematoom en contusiehaarden, meerdere fracturen aangezicht.

Bovengenoemde patiënt werd heropgenomen op de Intensive Care in verband met respiratoire insufficiëntie bij sputumstase en slikfunctiestoornis. De patiënte was reeds van 22 juni t/m 7 juli opgenomen vanwege neurotrauma ten gevolge van mishandeling.

Betreft: [slachtoffer]

Bovengenoemde patiënt zagen wij op 11-08-2026 op de Polikliniek Oogheelkunde.

Na mishandeling dd 22-06-2026: TBI en diverse aangezichts- en schedel fracturen wv:

- 22-6 tot 28-6 ICP

- 29-6 MRI toont: Contusiehaard links frontaal met omgevend oedeem en enige restrictie. Subduraal bloed langs convexiteit links temporaal. Geen TAI/DAI (geen swi opname) E1M1Vtube

CT 22-06-2026

Conclusie:

- Fracturen neurocranium: fractuur rechts pariëtaal doorlopend tot in het mastoïd rechts (geen aanwijzingen voor luxatie gehoorsbeenketen. Fractuur dorsaal sfenoïd rechts met betrokkenheid van canalis caroticum rechts. Hierbij verdenking kleine traumatische sinustrombose bij in aanleg hypoplastische sinus transversus rechts. Geen dissectie van de carotis.

- Spoor traumatisch subduraal en subarachnoïdaal bloed links frontaal met basofrontaal ook verdenking op kleine contusiehaard.

- Aangezichtsfractuur: laterale wand en orbitabodem links, zygoma links. Passend bij tripodfractuur. Geen intraorbitaal hematoom.

- Geen aanwijzingen traumatisch letsel cervicaal, thoracaal of abdominaal.

- Beperkte consolidaties beiderzijds basaal, verdacht voor doorgemaakte aspiratie.

Abducens paralyse rechts

3.4.

Bewijsoverwegingen

Op 22 juni 2026 bevinden de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] zich bij [bedrijf] B.V. in Nootdorp. Zij zijn daar beiden werkzaam. Er ontstaat een conflict tussen de verdachte en [slachtoffer] en dit conflict loopt uit op een fysieke confrontatie. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte, nadat het conflict zich heeft verplaatst naar de entree van de werkplek, een trappende beweging maakt tegen het been van [slachtoffer] . Hierna slaat de verdachte [slachtoffer] met zijn linker vuist op het hoofd. [slachtoffer] valt daarop achterover en raakt met zijn hoofd de betonnen grond.

Zwaar lichamelijk letsel

Als gevolg van de vuistslag en de val die daarop volgde heeft hij ernstig hoofd- en hersenletsel opgelopen. Hij moest kunstmatig worden beademd en in slaap worden gehouden. Hij heeft van 22 juni tot en met 7 juli 2026 en vervolgens van 9 juli tot en met 14 juli 2026 op de Intensive Care gelegen. De klap heeft bloedingen in het hoofd en botbreuken in het aangezicht en in de schedel teweeggebracht. Ook het zicht van [slachtoffer] is door de klap beschadigd geraakt. Als gevolg van het opgelopen hersenletsel ondervindt hij zowel fysieke als cognitieve problemen. De rechtbank is van oordeel dat het bij [slachtoffer] ontstane letsel gelet op de aard en de gevolgen daarvan als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

Vrijspraak zware mishandeling

Hoewel de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem uitgeoefende geweld, is de rechtbank niet van oordeel dat in dit geval, gelet op alle feiten en omstandigheden, sprake was van een aanmerkelijke kans dat de enkele vuistslag zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, laat staan dat de verdachte de kans op dit zwaar lichamelijke letsel op dat moment bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte daarom geen opzet gehad op de grote gevolgen van zijn handelen. Ook niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde, te weten dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem tegen het hoofd te slaan, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wettig en overtuigend bewezen.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij, op 22 juni 2026 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] te slaan tegen het hoofd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten hersenletsel en andere verwondingen in/aan het hoofd ten gevolge had.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat van een langdurig en ingrijpend herstelbeloop als vereist voor het verhoogde LOVS-oriëntatiepunt voor “zeer zwaar” lichamelijk letsel geen sprake is. Zij voert hiertoe aan dat het dossier geen medische onderbouwing van een herstelperiode van langer dan zes maanden bevat en dat het slachtoffer inmiddels zijn reguliere werkzaamheden weer verricht.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, al dan niet met daarnaast een voorwaardelijk deel. Voorts verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om rekening te houden met de context waarbinnen het misdrijf heeft plaatsgevonden.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Dit geweldsdelict vond plaats naar aanleiding van een conflict dat was ontstaan op de werkvloer tussen de verdachte en zijn collega, slachtoffer [slachtoffer] . Nadat het slachtoffer de verdachte had aangesproken op zijn werkzaamheden ontstond er ruzie. In plaats van zich aan de situatie te onttrekken en weg te gaan, heeft de verdachte bewust meerdere keren de fysieke confrontatie opgezocht en uiteindelijk het slachtoffer [slachtoffer] met zijn vuist tegen het hoofd geslagen. Door deze klap is het slachtoffer hard met zijn hoofd op een betonnen vloer gevallen en buiten bewustzijn geraakt. In plaats van hulp te bieden aan het slachtoffer nadat hij was gevallen, is de verdachte weggelopen De verdachte heeft, door zijn agressieve wijze van handelen, inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Het slachtoffer is meerdere dagen in een kunstmatige coma gehouden en heeft van 22 juni 2026 tot en met 7 juli 2026 en van 9 juli 2026 tot en met 14 juli 2026 op de Intensive Care gelegen. Dit moet voor zijn dierbaren een hele zware en onzekere tijd zijn geweest.

Door de klap en de val heeft het slachtoffer ernstig hoofd- en hersenletsel opgelopen. Uit de medische stukken blijkt dat de klap en de val bloedingen in het hoofd en botbreuken in het aangezicht en de schedel hebben veroorzaakt. Ook heeft het slachtoffer problemen met zijn zicht. De verdachte heeft daarnaast niet alleen lichamelijk, maar ook psychisch letsel veroorzaakt. Wat begon als een normale werkdag, eindigde voor het slachtoffer aan de kunstmatige beademing in het ziekenhuis. Het slachtoffer werd van het ene op het andere moment afhankelijk van intensieve zorg.

Het leidt geen twijfel dat het gedrag van de verdachte onrust en angst heeft veroorzaakt bij collega’s en omstanders. In algemene zin veroorzaakt dit soort gewelddadig gedrag ook onrust en angst in de samenleving.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 juli 2026, waaruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder veroordeeld is voor enig misdrijf.

Straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De rechtbank legt aan de verdachte een lagere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank vrijspreekt van het primair ten laste gelegde en de rechtbank van oordeel is dat de straf die rechtbank oplegt de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €111.911,70, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit €62.461,70 aan materiële schade en €49.450,00 aan immateriële schade.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij (gedeeltelijk) moet worden toegewezen en heeft zich voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Verlies van arbeidsvermogen tot en met oktober 2026

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat nu [slachtoffer] per 1 september 2026 weer werkzaam lijkt te zijn als komkommersorteerder, het verlies van arbeidsvermogen dient te worden beperkt tot zeven weken, waarbij de reeds geplande vakantie van drie weken in mindering is gebracht. De verdediging komt daarbij uit op een bedrag van €6.426,00. Voor het overige verzoekt de verdediging de rechtbank dit deel van de vordering af te wijzen.

Verlies van arbeidsvermogen vanaf november 2026

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij gevorderde compensatie voor het verlies van arbeidsvermogen vanaf november 2026 in zijn geheel dient te worden afgewezen, nu door de verdediging voldoende is aangetoond dat [slachtoffer] zijn oude werkzaamheden inmiddels heeft hervat. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de rechtbank dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Immateriële schade

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] voldoende is hersteld om in zijn oude functie werkzaam te kunnen zijn en dat zijn herstelperiode beperkt lijkt te zijn gebleven tot minder dan drie maanden. Volgens de verdediging dient daarom aansluiting te worden gezocht bij d) ‘Minder ernstig letsel’ van de Rotterdamse Schaal, met een ondergrens van €10.000,00.

De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat er sprake is van een te complexe vordering en dat nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren, nu het onduidelijk is of sprake is van een medische eindsituatie en of er reeds sprake is van (bijna) volledig herstel. Ook zijn er geen actuele medische stukken voorhanden. De raadsvrouw refereert zich daarom voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is op de punten van de daggeldvergoeding met betrekking tot de ziekenhuisopname, de kosten van het eigen risico zorgverzekering met betrekking tot de ambulancerit, de kosten van de annulering van vliegtickets voor een vakantie, de reiskosten en het verlies aan verdienvermogen vanaf 22 juni 2026 tot 1 september 2026 niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank waardeert deze schade op €8.758,70 (€1.520,00 (daggeldvergoeding ziekenhuisopname), €277,52 (kosten eigen risico zorgverzekering), €520,00 (kosten annulering vliegtickets vakantie), €15,18 (reiskosten) en €6.426,00 (verlies aan verdienvermogen vanaf 22 juni 2026 tot 1 september 2026, met aftrek van drie weken vakantie).

De benadeelde partij zal met betrekking tot het gevorderde bedrag van €53.703,- aan verlies aan verdienvermogen niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu het de rechtbank onvoldoende is gebleken of [slachtoffer] vanaf 1 september 2026 al dan niet zijn werkzaamheden heeft hervat. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek naar deze kwestie een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en wegens een gebrek aan medische stukken die betrekking hebben op de actuele medische situatie van de benadeelde partij, zal de rechtbank, conform de Rotterdamse Schaal categorie D (minder ernstig hersenletsel), de gevorderde immateriële schade toewijzen tot een bedrag van €10.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW toe te wijzen.

Toe te wijzen bedrag

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van €18.758,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 22 juni 2026. Dit bedrag bestaat uit €8.758,70 aan materiële schade en €10.000,00 aan immateriële schade.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van €18.758,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2026 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (VIJF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe tot een bedrag van €18.758,70 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald aan [slachtoffer] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor zover de vordering meer dan €18.758,70 bedraagt niet-ontvankelijk is en bepaalt dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van €18.758,70, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 118 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. L.J. van den Herik, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A. Copier en S.J.H. Oosterloo LL.M, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.