Strafrecht overig

HARP zaak. Veroordeling voor de (verlengde) uitvoer van 4,95 kilo MDMA en het aanwezig hebben van 1,3 kilo…

Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
09/125110-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29558
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HARP zaak. Veroordeling voor de (verlengde) uitvoer van 4,95 kilo MDMA en het aanwezig hebben van 1,3 kilo hennep. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. (Opnieuw) schorsen voorlopige hechtenis vanaf datum einduitspraak.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/125110-26

Datum uitspraak: 5 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

BRP-adres: [adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 augustus 2026 (pro forma) en 21 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Vingerling naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2025 tot en met 9 december 2025 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.950 gram ([nummer 1]) en/of 5.000 gram ([nummer 2]), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, (telkens) zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij op of omstreeks [geboortedatum] 2026 te Arnhem opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1.357 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het opzettelijk aanwezig hebben wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat voor de overige ten laste gelegde gedragingen vrijspraak moet volgen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd nu de verdachte het voorhanden hebben van de hennep heeft bekend.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van het onderzoek 26Trecae met het nummer PL1500-2026036923, van de politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties, Domein Nationale Infra, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 145).

1. De verklaring van de verdachte [verdachte], afgelegd op de terechtzitting van 21 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

U toont mij de foto’s op pagina 32 en 33 van het dossier en zegt mij dat die zijn van de Multicopy op 3 december 2025. Ik herken mijzelf op die foto’s. U, voorzitter, zegt mij dat ik heb verklaard dat ik het pakketje bij de Multicopy heb verstuurd en u vraagt mij hoe het is gegaan met het versturen van dat pakketje. Er was een vriend van mij uit Engeland in Nederland. Die kwam ik tegen. Hij vroeg mij te helpen dat pakketje te versturen. Hij heeft me dat op een avond gegeven. Zodoende heb ik dat pakketje verstuurd. U houdt mij voor dat die vriend [naam 1] is en u vraagt mij wat voor vriend dat is. Hij is gewoon een kennis van mij. Ik kende hem uit Engeland, want we werkten samen bij de taxi. U vraagt mij of we elkaar vaak spreken. Vroeger wel, toen we dezelfde ritten werkten. Daarna ben ik naar Afrika gegaan en is het contact verminderd. Later heb ik hem een keer gezien. Dat was toen ik in Arnhem dat pakketje kreeg. U vraagt mij of we elkaar in de tussenliggende periode hebben gezien. Nee. Ik zag hem een keer op een zondagavond. Toen gaf hij dat pakketje aan mij. U vraagt mij of ik toen met hem had afgesproken op die zondagavond. Nee. Het was toevallig. Hij had me kennelijk een keer eerder met het PostNL busje zien rijden, waardoor hij vroeg of ik dat kon doen. Hij heeft me ook honderd euro gegeven zodat ik het kon regelen. Hij was met anderen. Ik kwam hem tegen op een parkeerplaats. Toen groette hij mij en vroeg hoe het ging. Hij zei: “Nu ik jou toch tegenkom, zou je dit voor mij willen regelen?”. U zegt mij dat het pakket 4,5 kilo woog en vraagt mij of ik niet misschien dacht dat dat wat zwaarder was dan een fles champagne. Ik heb het niet opengemaakt en gekeken. U vraagt mij hoeveel flessen erin zaten volgens [naam 1]. Weet ik niet. Het pakket was gewoon dicht en hij had het gewoon aan mij gegeven. Ik weet niet waarom hij het aan mij heeft gevraagd. Hij zei dat hij zelf ergens naar onderweg was en dat het hem niet meer lukte, dus hij vroeg of ik het kon doen. U vraagt mij of hij met twee anderen was. Ze zaten in een auto. Het leek alsof ze op reis waren. U houdt mij voor dat mij honderd euro in mijn handen is gedrukt. Hij zei dat ik daar de servicekosten mee kon betalen voor het versturen van het pakket. U, officier van justitie, vraagt mij of ik naar de buitenkant van het pakket heb gekeken. Ja. U vraagt mij of ik op het pakket heb gezien wat er bij de verzender staat, en u zegt mij dat daar [naam 2] staat. U vraagt mij wie dat is. Dat weet ik niet. U vraagt mij of de verzender niet [naam 1] was. Hij heeft het gewoon zo in mijn handen geschoven en geld gegeven om het te versturen. U vraagt mij of ik dus niet heb gekeken wie de verzender was. Daar had ik geen tijd voor. U zegt mij dat ik het pakket al de avond voor het verzenden had gekregen. Het was de avond van te voren, ik had het pakketje al in mijn bus gezet. De volgende ochtend heb ik dat pakket weggebracht voor mijn werk begon.

2. Het proces-verbaal van bevinding en overdracht, opgemaakt op 4 december 2025, voor zover inhoudende (p. 14):

Pakket-nummer [nummer 1]
Werkstroom Postpakket (uitvoer)

Herkomst Nederland
Bestemming [land 1]

Wijze van verpakking / Vindplaats: Doorzichtige plastic potten

Test methode: Het aangetroffen vermoedelijke verdovende middel werd getest met een van rijkswege verstrekte test
[X] MMC M.M.C. Crystal Meth/XTC test uitslag test: positief
​​​​​​​
Gegevens pakketzending
Verzender:
Naam: [naam 2]
Adres: [adres 2] Woonplaats: [plaats 1]
Postcode: [postcode 1] Land: Nederland

Ontvanger:

Naam: [naam 3] Woonplaats: [plaats 2]

Adres: [adres 3] Land: [land 1]

Postcode: [postcode 2]

3. Het proces-verbaal van verstrekking gevorderde identificerende gegevens, opgemaakt op 16 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 30):

Beschikbare identificerende en/of productgegevens gerelateerd aan pakket met pakketnummer [nummer 1]:
Door PostNL zijn de volgende identificerende gegevens verstrekt:
- Deze zending is ingeleverd op de datum: 3-12-2025 omstreeks 09:56:17 uur
- Locatie:
MultiCopy
[adres 4]
[adres 4]

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 46-47):

[afbeelding niet beschikbaar]

5. Het deskundigenverslag, op 20 april 2026 opgemaakt en ondertekend door [naam 4] MSc, onderzoeksmedewerker bij het Douane Laboratorium te Amsterdam, voor zover inhoudende (p. 48-49):

Een plastic zak met daarin:

AASD6094NL) een plastic zakje met een plastic potje met bruin korrelig materiaal

CONCLUSIE:

Het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummer bevat 3,4-MDMA. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

3.4.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Partiële vrijspraak

Verdachte is op stills van de camerabeelden van 9 december 2025 door verbalisanten herkend als de persoon die het pakket met parketnummer [nummer 2] bij de Primera heeft ingeleverd. De herkenning van verdachte door de verbalisanten wordt echter betwist door de raadsman en de verdachte ontkent het pakketje te hebben ingeleverd en heeft verklaard niet de persoon te zijn die te zien is op de stills van de camerabeelden.

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer, indien herkenningen de enige of de voornaamste bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het ten laste gelegde feit kunnen aantonen, zoals in deze zaak het geval is.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval op de gebruikte stills onvoldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende kenmerken zichtbaar zijn van de persoon die door de verbalisanten is herkend als verdachte. De stills waarop het gezicht van de persoon niet recht in beeld is te zien, zijn bovendien niet scherp. De rechtbank vindt de herkenningen van de verbalisanten daarom onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen gebruiken.

Nu er verder geen ander bewijs in het dossier zit op grond waarvan verdachte als dader kan worden aangemerkt, wordt verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde voor zover dat ziet op het pakket met parketnummer [nummer 2] ingeleverd bij de Primera.

Ten aanzien van het pakket bij de Multicopy (parketnummer [nummer 1]) overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft erkend dat hij dat pakket heeft verstuurd. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte over de gang van zaken van het in ontvangst nemen en het op verzoek van een vriend versturen daarvan niet zo volstrekt ongeloofwaardig dat die verklaring op voorhand onaannemelijk is en als zodanig terzijde kan worden geschoven.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte bij het versturen van dat pakket het voor een bewezenverklaring van feit 1 vereiste opzet op het uitvoeren van verdovende midden heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de uitvoer van verdovende middelen, omdat hij geen opzet heeft gehad op de uitvoer van MDMA nu hij niet wist dat er drugs in het pakket zaten.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voor een veroordeling ter zake van uitvoer van verdovende middelen is opzet vereist, al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich een verboden gevolg – in dit geval de uitvoer van drugs – zou voordoen.

De verdachte heeft de hiervóór als bewijsmiddel 1 vermelde verklaring afgelegd en heeft ontkend dat hij wist of ook maar enig vermoeden had dat er drugs in het pakket zaten.

De rechtbank overweegt dat de omstandigheden waaronder het pakket volgens de verklaring van de verdachte aan hem is gegeven, op zijn minst genomen verdacht te noemen zijn. De verdachte had de vriend al langere tijd niet gezien of gesproken en kwam hem toevallig tegen op een willekeurige parkeerplaats in Arnhem. Op dat moment zou de vriend het pakket met bestemming [land 1], niet kunnen versturen en heeft hij het in handen gegeven van de verdachte met de vraag het voor hem te doen. Noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte zich op enig moment heeft afgevraagd waarom de vriend dat niet zelf kon doen en wat de reden zou zijn dat hij dat voor hem zou moeten doen. De verdachte heeft voor het versturen van het pakket honderd euro gekregen van de vriend, zogenaamd ter dekking van de kosten, terwijl de portokosten voor het versturen van een pakket van dat formaat en gewicht naar het buitenland volgens een snelle zoektocht op het internet lang geen honderd euro betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte zich op zijn minst genomen moeten afvragen waarom hij aanzienlijk meer geld kreeg dan de te betalen kosten. Bovendien heeft hij bij het afrekenen kunnen zien dat de daadwerkelijke kosten maar ongeveer de helft waren van het bedrag dat hij van zijn vriend had ontvangen. Ook dat had vragen moeten oproepen. Daarnaast heeft de verdachte het pakket minstens enkele uren in zijn bezit gehad en had hij moeten zien dat de naam van de verzender, [naam 2], niet overeenkwam met die van zijn vriend, [naam 1]. Ook daarbij had de verdachte zijn vraagtekens moeten zetten.

Onder de voornoemde omstandigheden heeft te gelden dat bij de verdachte ten minste alarmbellen hadden moeten afgaan over de gang van zaken. Dit geldt te meer nu de verdachte zelf als pakketbezorger werkzaam was bij PostNL en zodoende geacht mag worden kennis te hebben van de normale gang van zaken bij het versturen van een pakket en de extra bedachtzaamheid die moet worden betracht bij het versturen van een pakket in de naam van iemand anders.

Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een aanmerkelijke kans dat er verdovende middelen in het pakket zaten en heeft de verdachte, door na te laten zichzelf te vergewissen van de daadwerkelijke inhoud van het pakket en dit ondanks de genoemde, verdachte omstandigheden, toch te versturen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er verdovende middelen in het pakket zaten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzettelijk verdovende middelen heeft uitgevoerd.

3.5.

Opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

De rechtbank zal voor het onder 2 ten laste gelegde feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van het onderzoek 26Trecae met het nummer PL1500-2026036923, van de politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties, Domein Nationale Infra, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 145).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

6. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 21 september 2026;

7 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 april 2026 (p. 54).

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1
hij op 3 december 2025 te Arnhem opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.950 gram ([nummer 1]) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2
hij op 28 april 2026 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1.357 gram hennep, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van verdovende middelen. Hij heeft in naam van een ander een postpakket met bijna vijf kilo MDMA, verstopt onder een deklading Himalayazout, ter verzending naar [land 1] aangeboden. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim één kilo hennep. MDMA en hennep zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Daarnaast gaat de verspreiding van en de handel in verdovende middelen gepaard met vele vormen van criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. De verdachte heeft daar door zijn gedragingen aan bijgedragen. Dat rekent de rechtbank hem aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 juni 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet recent is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte zal daarom niet in zijn nadeel worden meegewogen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 juli 2026, waaruit volgt dat de reclassering geen directe risicofactoren ziet voor herhaling van delictgedrag en dat er sprake is van een laag recidiverisico. Daar moet bij worden opgemerkt dat de beschikbare informatie enkel afkomstig is van de verdachte en dat er geen referenten zijn gesproken. Desondanks heeft de reclassering gerapporteerd dat de verdachte onder de indruk lijkt van de detentieperiode en gemotiveerd oogt om niet opnieuw in een dergelijke situatie terecht te komen. Ook oogt hij zelfredzaam, doordat hij gedurende zijn detentie zelfstandig hulp heeft gezocht bij de juiste instanties voor zijn huisvesting. Ondersteuning vanuit het forensische werkveld wordt door de reclassering niet passend en noodzakelijk geacht.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank met de verdachte gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. Hij woont sinds enkele jaren in Nederland en was hier werkzaam als pakketbezorger voor PostNL. Een aantal maanden voor zijn aanhouding is dat werk gestopt. Na zijn detentie is de verdachte aan de slag gegaan om dagbesteding en nieuwe huisvesting te regelen via de gemeente. Ook heeft hij het juridisch loket ingeschakeld om problemen met zijn vorige huisbaas op te lossen en is hij bezig met een sollicitatieprocedure als bezorger bij Albert Heijn. De verdachte heeft een vrouw en drie jonge kinderen die in [land 2] wonen zolang zijn woning in Nederland niet geschikt is om een heel gezin te huisvesten. Het gezin in [land 2] is volledig afhankelijk van de inkomsten van de verdachte. Een langere detentieperiode zou volgens de verdachte desastreus zijn voor het gezin in [land 2], omdat hij dan geen inkomen kan genereren.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS). Daarin staat als uitgangspunt voor de uitvoer van vier tot vijf kilo harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 tot 38 maanden. Gelet op uitspraken in vergelijkbare zaken (vgl. bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2026:27677) en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank het in onderhavige zaak echter passend om een iets lagere straf op te leggen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt maar zal zij daarbij wel een deel voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank acht dat voorwaardelijke deel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 4 augustus 2026 geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag van rechtswege eindigt. De rechtbank dient opnieuw een afweging te maken of het aflopen van de schorsing noodzakelijk is, of dat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis op zijn plaats is (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987). Daarbij worden de strafvorderlijke belangen bij vrijheidsbeneming afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte bij zijn vrijheid.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte zich gedurende zijn schorsing aan alle voorwaarden heeft gehouden en dat gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat mogelijk een langdurige gevangenisstraf zal worden opgelegd geen reden is om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdachte heeft op de terechtzitting zijn persoonlijk belang bij zijn vrijheid toegelicht.

Daar staat het strafvorderlijk belang bij vrijheidsbeneming tegenover. Om het gewicht daarvan te bepalen, weegt de rechtbank onder andere mee dat bij dit vonnis aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die van langere duur is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de grond als bedoeld in artikel 67a Sv, die tot het bevel tot gevangenhouding van de verdachte heeft geleid, ook nu nog van toepassing is. In dat kader overweegt de rechtbank dat het recidiverisico door de reclassering wordt ingeschat als laag, maar dat die inschatting alleen is gebaseerd op informatie van de verdachte zelf en dus niet door derden is geverifieerd. Uit de bewezen verklaarde feiten en de verklaringen van de verdachte daarover volgt daarnaast dat de verdachte zich vaker gemakkelijk door anderen laat lenen voor klusjes die op zijn minst twijfelachtig van aard te noemen zijn. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de voorlopige hechtenis niet opheffen.

De rechtbank ziet wel aanleiding om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen. De verdachte heeft zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan de voorwaarden en gemaakte afspraken gehouden. Na zijn schorsing heeft de verdachte bovendien zelfstandig hulp gezocht bij de gemeente en het juridisch loket om zijn problemen rondom huisvesting en dagbesteding aan te pakken. Daarnaast is hij ook zelfstandig aan de slag gegaan om een nieuwe baan te vinden en daarmee weer inkomen te gaan genereren, om zo zichzelf en zijn gezin in [land 2] te kunnen onderhouden. Daarmee lijkt er in ieder geval goed gewerkt te worden aan de randvoorwaarden voor een stabiel leven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het recidiverisico door het stellen van voorwaarden aan een schorsing voldoende kan worden geborgd. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het persoonlijk belang van de verdachte op dit moment zwaarder dan het strafvorderlijk belang.

De rechtbank zal bepalen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw wordt geschorst met ingang van de dag dat dit vonnis wordt uitgesproken en zal hieraan de na te melden schorsingsvoorwaarden stellen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 5 oktober 2026 onder de voorwaarden dat de veroordeelde:

  • als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

  • als hij voor de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;

  • zal meewerken aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt voor het vaststellen van zijn identiteit;

  • geen strafbare feiten zal plegen;

  • iedere adreswijziging van tevoren zal doorgeven aan de officier van justitie;

  • aan iedere oproeping in deze zaak van de officier van justitie, de politie of de rechtbank gevolg zal geven.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Schaaf, voorzitter,

mr. W.R. van Hattum, rechter,

mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2026.