Strafrecht overig
De verdachte heeft tijdens een psychose meerdere auto's vernield, goederen uit een auto gestolen, een auto…
Rechtbank Den Haag, 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30097 · Rechtbank Den Haag · 1 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30097
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/101460-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30097
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft tijdens een psychose meerdere auto's vernield, goederen uit een auto gestolen, een auto met geweld gestolen en uiteindelijk zich tegen zijn aanhouding verzet. Gelet op de psychose wordt de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Wegens het ontslag van alle rechtsvervolging worden de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast wordt de verdachte van een poging tot zware mishandeling vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat hij de opzet had om met een auto een ander aan te rijden.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/101460-26
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 juli 2026 (pro forma) en 17 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.T.M. Eijsbouts naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd:
(1) diefstal met geweld op 4 april 2026 in Zoetermeer;
(2) vernieling, meermalen gepleegd, op 4 april 2026 in Zoetermeer;
(3) diefstal op 4 april 2026 in Zoetermeer;
(4) wederspannigheid op 4 april 2026 in Den Haag;
(5) poging tot zware mishandeling op 4 april 2026 in Den Haag.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde bepleit. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten en zal voor deze feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5
Feit 5
Inleiding
Op 4 april 2026 is de verdachte terwijl hij een auto bestuurde door twee verbalisanten staande gehouden. Hierbij ging de ene verbalisant aan de zijkant van de auto staan, om het gesprek met de verdachte aan te gaan, en de andere verbalisant aan de voorkant van de auto op korte afstand van de motorkap. Op een gegeven moment heeft de verdachte verbaal gedreigd de verbalisant die voor de auto stond te zullen aanrijden en met de (elektrische) motor van de auto geaccelereerd. De auto schoot hierdoor een kleine afstand naar voren, maar kwam meteen daarna abrupt tot stilstand. Er heeft geen contact tussen de auto en de verbalisant voor de auto plaatsgevonden.
Naast de twee verbalisanten die de verdachte hebben staande gehouden, heeft een derde verbalisant de situatie gedeeltelijk van een afstand waargenomen. Twee verbalisanten hebben het vermoeden geuit dat het voertuig enkel tot stilstand is gekomen doordat het veiligheidssysteem van de elektrische auto heeft ingegrepen en een noodstop heeft gemaakt. Daartegenover heeft de verdachte verklaard dat hij zelf op de rem heeft getrapt en juist direct na het optrekken wilde stoppen om niemand te raken.
De verdachte wordt verweten dat hij zich met zijn handelen aan een poging tot zware mishandeling schuldig heeft gemaakt.
Opzet op zware mishandeling?
Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling dient de rechtbank vast te stellen dat de verdachte met zijn handelen opzet op zware mishandeling van het slachtoffer heeft gehad. Daarvan is (in het kader van voorwaardelijk opzet) sprake als de verdachte in de gegeven omstandigheden de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De auto is na het incident technisch onderzocht. Dit onderzoek heeft geen uitsluitsel kunnen geven over de vraag of het voertuig door de verdachte zelf of door het veiligheidssysteem tot stilstand is gebracht. De officier van justitie heeft er ter zitting op gewezen dat de afwezigheid van gasgevend motorgeluid een indicatie is dat niet de verdachte, maar het veiligheidssysteem heeft ingegrepen. Bij elektrische motoren kan echter niet – in tegenstelling tot bij benzinemotoren – in stilstand het toerental van de motor omhoog worden gebracht, waardoor de rechtbank aan (de afwezigheid van) het motorgeluid geen doorslaggevende betekenis toekent.
Al met al kan de rechtbank uit de feiten zoals haar uit het dossier en het onderzoek terechtzitting kenbaar zijn geworden, niet afleiden welk scenario meer aannemelijk is. Er is dus een reële mogelijkheid dat de auto tot stilstand is gekomen doordat de verdachte zelf heeft ingegrepen. In dat geval heeft hij niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de verbalisant zou aanrijden, met alle mogelijke ernstige gevolgen van dien. Daarom kan opzet van de verdachte op zware mishandeling niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld.
Conclusie
De rechtbank zal de verdachte van de poging tot zware mishandeling vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 4 april 2026 te Zoetermeer een Tesla die aan dhr. [aangever 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- die [aangever 1] bij zijn keel te pakken,
- die [aangever 1] meermalen op zijn hoofd en in zijn gezicht te slaan en
- tegen die [aangever 1] te zeggen "geef mij de auto, waarom geef je mij de auto niet, ik wil je
vermoorden", althans woorden van gelijke strekking;
2
hij op 4 april 2026 te Zoetermeer opzettelijk en wederrechtelijk meerdere auto’s en enig goed die aan een ander, te weten aan [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] , toebehoorden, heeft beschadigd;
3
hij op 4 april 2026 te Zoetermeer een pasjeshouder, die aan [aangever 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;
4
hij op 4 april 2026 te 's-Gravenhage zich met geweld heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, te weten [naam 1] en [naam 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten bezig met de aanhouding van verdachte, door
- zich al dan niet met zijn armen los te trekken uit de greep van die ambtenaren,
- met zijn armen om zich heen te slaan en daarbij die [naam 2] te raken op haar kin en
- die [naam 1] op zijn hoofd en lip te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en op grond daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarnaast heeft de officier van justitie geen oplegging van een maatregel aan de verdachte gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en op grond daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
Ter beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia-rapport van J. Marx, psychiater, van 18 augustus 2026. Daaruit blijkt dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een psychose. De verdachte werd door deze psychose volledig beïnvloed in zijn gedragskeuzes en gedragingen, en er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte vanuit een ander motief de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Daarom is geadviseerd om de bewezen verklaarde feiten niet aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank volgt de conclusies en overwegingen van de deskundige voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en zal daarom de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren. Daardoor is de verdachte niet strafbaar en zal hij door de rechtbank worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank ziet, gelet op het advies van de deskundige, geen aanleiding om aan de verdachte een maatregel op te leggen. Uit het rapport komt naar voren dat er sprake is van een laag risico op herhaling en dat de verdachte bereid is om aan toekomstige behandelingen mee te werken. Deze behandelingen kunnen binnen een vrijwillig kader binnen de reguliere GGZ worden geboden. Als in de toekomst blijkt dat het toch minder goed met de verdachte gaat of dat hij zich tegen vrijwillige behandeling verzet, kan zo nodig een zorgmachtiging worden aangevraagd. Daartoe bestaat op dit moment geen aanleiding.
6 De vorderingen van de benadeelde partijen
[aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] , [naam 1] en [naam 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.
[aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 24.204,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat € 15.704,11 aan materiële schade en € 8.500,- aan immateriële schade.
[aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 639,68, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 671,06, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 4] vordert een schadevergoeding van € 377,27, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 5] vordert een schadevergoeding van € 1.113,93, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[naam 1] vordert een schadevergoeding van € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[naam 2] vordert een schadevergoeding van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in beginsel ontvankelijk zijn in hun vorderingen en geconcludeerd tot:
- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [aangever 1] tot een bedrag van € 8.615,97 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige;
- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [aangever 2] tot een bedrag van
€ 607,28 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige;
- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [aangever 3] tot een bedrag van
€ 659,33 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige;
- gehele toewijzing van de vordering van [aangever 4] ;
- gehele toewijzing van de vordering van [aangever 5] ;
- gehele toewijzing van de vordering van [naam 1] ;
- gehele toewijzing van de vordering van [naam 2] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat, gelet op artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Subsidiair heeft de raadsvrouw een aantal schadeposten betwist en verzocht bij toewijzing van de vorderingen de toe te wijzen bedragen te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in zijn vordering als aan de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, er een zorgmachtiging wordt afgegeven of de rechtbank artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toepast. In dit geval wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en wordt geen maatregel opgelegd. Er doet zich ook geen ander geval voor als bedoeld in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Door de officier van justitie is naar voren gebracht dat uit een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2026:2560) volgt dat ook in het geval dat geen van de in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde situaties zich voordoet, een benadeelde partij in beginsel ontvankelijk in zijn vordering is. De rechtbank gaat hier niet in mee. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de wetsgeschiedenis en de redelijke wetsuitleg die deze in zijn optiek met zich brengt. Daar staat tegenover dat de tekst van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering duidelijk is en niet voorziet in de mogelijkheid tot schadevergoeding bij een ontslag van rechtsvervolging. Het belang van de rechtszekerheid van de verdachte brengt met zich dat de rechtbank vasthoudt aan de strekking van de huidige wettekst. Daar komt bij dat een benadeelde partij die niet-ontvankelijk in zijn vordering wordt verklaard nog steeds zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, zodat een strikte uitleg niet in de weg staat aan het geldend maken van de rechten van het slachtoffer. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het aangewezen acht om artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering strikt uit te leggen, in het belang van de rechtszekerheid voor de verdachte.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partijen op grond van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaren.
De rechtbank zal de kosten die in verband met de vorderingen zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen kosten dragen.
7 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;
ten aanzien van feit 4:
wederspannigheid;
verklaart de verdachte daarvoor niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, voorzitter,
mr. C.M. Koole, kinderrechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2026.