Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht – bewezenverklaring vernieling (art. 350 Sr), voorhanden hebben munitie (artt. 26, 55 Wwm) en…

Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
09-117319-26 en 02-220512-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30142
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht – bewezenverklaring vernieling (art. 350 Sr), voorhanden hebben munitie (artt. 26, 55 Wwm) en opzettelijk een ontploffing teweegbrengen door het laten afgaan van een explosief bij een woning (art. 157 Sr, geen levensgevaar). Vordering benadeelde partij ouders: immateriële schade gedeeltelijk toegewezen, overige niet-ontvankelijk verklaard. Vordering benadeelde partij minderjarige kinderen: onvoldoende onderbouwd; niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09-117319-26​​​​​​​ en 02-220512-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 5 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting


De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 21 september 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. D.F.R. de Vrught en de raadsvrouw van de verdachte is mr. A. Huseinovic. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Dagvaarding 1 02-220512-25

1
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Bergen op Zoom opzettelijk en wederrechtelijk
een of meerdere voorgevels en/of muren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

2
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Bergen op Zoom munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere kogelpatronen, van het merk Tula Factory en/of Prvi Partizan van het kaliber 7,62 x 39mm, voorhanden heeft gehad;

Dagvaarding 2 09-117319-26

hij op of omstreeks 20 april 2026 te ’s-Gravenhage, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief, in elk geval enig explosief materiaal, op/aan de woning gelegen aan de [adres 2]

te bevestigen en/of (vervolgens) dat explosieve materiaal tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten aan die woning en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer zich in deze woning en/of aangrenzende woning(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of een of meer perso(o)n(en) die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden te duchten was.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en 2 en het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

3.3.1

Dagvaarding 1 - 02-220512-25

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2000-2025201919L, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 140).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Feit 1:

1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
21 september 2026;

2. het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] opgemaakt op 1 augustus 2025 (p. 58-61);

3. het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] opgemaakt op 1 augustus 2025 (p. 62-69):

Feit 2:

1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van

21 september 2026;

2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 augustus 2025 (p. 31-43);

3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 augustus 2025 (p. 115-117).

3.3.2

Dagvaarding 2 - 09-117319-26

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026137258, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 166).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
21 september 2026;

2. het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 20 april 2026 (p. 37-38);

3. het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, met bijlagen, opgemaakt op 11 juni 2026 (p. 87-125).

Gevaarzetting bij ontploffing

De rechtbank dient te beoordelen of bij de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is hiervoor vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels te voorzien moet zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat er door de explosie levensgevaar te duchten was. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte daarom vrijgesproken. Uit de Vakbijlage Gevaarzetting Cobra 8 en vergelijkbare artikelen blijkt dat de ernst van de gevolgen van de explosie voor personen onder meer afhankelijk is van de locatie van personen ten opzichte van de explosie. Bij bijvoorbeeld lichaamscontact met een exemplaar van een Cobra 8 ten tijde van de explosie, ontstaat altijd zeer ernstig tot dodelijk lichamelijk letsel door de drukgolf en de hitte. Bij (vrijwel) direct contact met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon is het letsel zeker dodelijk. Naar het oordeel van de rechtbank was, nu de ontploffing plaatsvond voor de gesloten voordeur, naar algemene ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar dat de Cobra (in dit geval een Cobra 20), tijdens de ontploffing (vrijwel) direct contact zou hebben met het hoofd, de nek of de romp van een ander.

Naar het oordeel van de rechtbank was naar algemene ervaringsregels wel redelijkerwijs voorzienbaar dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander zou ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het tot ontploffing brengen van een explosief ernstig letsel zoals brandwonden, ernstig letsel door rondvliegend glas en gehoorschade kan veroorzaken. Dat zich personen in de woning zouden bevinden, was eveneens redelijkerwijs voorzienbaar, nu de ontploffing werd teweeggebracht op een tijdstip dat mensen doorgaans thuis zijn en liggen te slapen en er bovendien ten tijde van de ontploffing licht in de woning brandde.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook evident dat gemeen gevaar voor goederen ontstaat als een explosief tot een ontploffing wordt gebracht bij de voordeur van een woning.

Conclusie

De rechtbank is, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding 1 02-220512-25

1
hij op 1 augustus 2025 te Bergen op Zoom opzettelijk en wederrechtelijk meerdere voorgevels en/of muren, die aan een ander, te weten aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , toebehoorden heeft beschadigd;

2
hij op 1 augustus 2025 te Bergen op Zoom munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere kogelpatronen, van het merk Tula Factory en Prvi Partizan van het kaliber 7,62 x 39mm, voorhanden heeft gehad.

Dagvaarding 2 09-117319-26

hij op 20 april 2026 te ’s-Gravenhage, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief voor de woning gelegen aan de [adres 2] tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten aan die woning en de in voornoemd pand aanwezige goederen en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer zich in deze woning bevindende perso(o)n(en) en een of meer perso(o)n(en) die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straffen

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 41 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd en ter zitting aangevuld door de deskundigen. De officier van justitie heeft gevorderd om het toezicht en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van
80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - verzocht om het raadsadvies te volgen en aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten.

De verdachte heeft zich op 1 augustus 2025 schuldig gemaakt aan vernieling door op de voorgevels van twee woningen met een spuitbus rode verf tekst te spuiten, en aan het voorhanden hebben van meerdere kogelpatronen. De verdachte had de opdracht gekregen om op de voorgevel van de woning gelegen aan de [adres 3] de tekst "wil je war" te spuiten en aldaar kogelpatronen door de brievenbus te doen. Met zijn handelen heeft de verdachte schade en overlast veroorzaakt en hij heeft zich uitsluitend laten leiden door het geld wat hem daarvoor was beloofd.

De verdachte heeft zich daarnaast op 20 april 2026 schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing door het laten afgaan van een explosief bij een woning. Tijdens de ontploffing waren een moeder en haar vier jonge kinderen in de woning aanwezig. De ontploffing had een enorme knal en materiële schade tot gevolg.

De ontploffing van een explosief bij een woning is een zeer indringende en intimiderende gebeurtenis voor de bewoners en omwonenden en kan tot zeer gevaarlijke situaties leiden.

Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen is op indringende wijze gebleken dat de ontploffing een grote impact op de bewoners - waaronder nog jonge kinderen - heeft gehad en dat zij de gevolgen daarvan nog iedere dag voelen. De verdachte heeft ervoor gezorgd dat de bewoners en omwonenden zich angstig en onveilig voelen op de plek waar zij zich juist het meest veilig dienen te voelen. Ook heeft de verdachte met zijn handelen laten zien dat hij zich ogenschijnlijk gemakkelijk laat inschakelen door anderen om tegen betaling criminele opdrachten uit te voeren, zonder stil te staan bij de gevolgen die zijn gedrag kan hebben voor anderen en voor zichzelf. Door het handelen van de verdachte zijn niet alleen gevoelens van onrust en onveiligheid bij de bewoners teweeggebracht, maar ook in de samenleving in het algemeen. Het tot ontploffing brengen van explosieven en vuurwerkbommen doet zich op verschillende plaatsen in Nederland steeds vaker voor, wat zorgt voor grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van de verdachte van
11 augustus 2026. Dit betekent dat het strafblad niet in strafverzwarende zin zal worden meegewogen bij de straftoemeting.

Persoon van de verdachte

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende rapporten en adviezen die over

de verdachte zijn opgesteld:

  • het Pro Justitia-rapport van 9 juli 2026, opgesteld door GZ-psycholoog
    drs. M. de Bree, betrekking hebbend op het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde;

  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van
    15 september 2026.

De bevindingen uit deze rapporten en de mondelinge toelichting van de deskundigen van de

Raad en de jeugdreclassering ter terechtzitting worden hierna, voor zover van belang, besproken.

Pro Justitia-rapport

In het rapport wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel, een aandachtstekortstoornis (overwegend onoplettende type) en een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Volgens de psycholoog heeft de aandachtstekortstoornis een rol gespeeld bij het tenlastegelegde. De verdachte handelde in eerste instantie impulsief en was hierbij verminderd in staat de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Door zijn beïnvloedbaarheid kon hij zijn eigen gedrag hierbij verminderd sturen. Op grond hiervan is het advies om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt als matig beoordeeld. De psycholoog meent dat de risico’s vooral zijn gelegen in de tekortschietende copingmechanismen bij stress en de gebrekkige emotie- en gedragsregulatie, waardoor de verdachte in de contacten met leeftijdgenoten impulsief grenzen opzoekt. Ook het feit dat hij duidelijke monitoring van zijn gedrag buitenshuis en van zijn schoolgang nodig heeft, is hierbij volgens de psycholoog een aandachtspunt.

Ter verlaging van het recidiverisico en ter bevordering van een gunstige ontwikkeling is de verdachte gebaat bij het voortzetten van zijn dagbesteding bij E25 en van de huidige begeleiding door zijn coach. Daarnaast dient psychologische hulpverlening te worden ingezet om ervaringen uit het verleden te verwerken en emoties beter te reguleren. Ook zal de verdachte moeten leren zijn eigen gedrag te observeren en te evalueren. Hierdoor kan hij leren van ervaringen en zijn gedrag leren aan te passen door bijvoorbeeld minder gepaste reacties te remmen en probleemoplossende benaderingen te kiezen. Deze hulp kan door een forensische instelling als De Waag geboden worden. Hier kan tevens opnieuw gekeken worden naar medicatie en kan er aandacht besteed worden aan psycho-educatie over ADD.


Gezien de ernst van het tenlastegelegde en de jeugdige leeftijd van de verdachte in combinatie met zijn gebrekkige zelfsturing is bij een bewezenverklaring een duidelijk kader met toezicht en begeleiding door jeugdreclassering aangewezen. De geadviseerde behandeling en begeleiding kunnen worden opgelegd als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.

De Raad

Uit het rapport van de Raad volgt dat de verdachte moeite heeft met het overzien van oorzaak en gevolg en dat hij beïnvloedbaar is. De verdachte is redelijk gemotiveerd voor begeleiding en toezicht. Hij stelt zich open op en de coach en jeugdreclassering zijn tevreden over zijn inzet. Het belang van het doorzetten van het toezicht en de reeds ingezette hulpverlening is groot, zeker gezien de leeftijd van de verdachte. In aanvulling hierop is behandeling door De Waag of een vergelijkbare organisatie passend. Deze behandeling dient gericht te zijn op het vergroten van vaardigheden en het adequaat leren uiten van emoties. Ook dient er aandacht te zijn voor het medicatiegebruik. Het advies van de Raad is om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen, en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie om het doorzetten van de hulpverlening mogelijk te maken en de behandeling bij De Waag op te starten. De bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd zijn: (i) het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit betekent het meewerken met een coach vanuit E25, (ii) het meewerken aan behandeling door De Waag of een soortgelijke instelling en (iii) het hebben van dagbesteding. Tot slot heeft de Raad geadviseerd het toezicht en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Jeugdreclassering

De jeugdreclasseerder, werkzaam bij Jeugdbescherming west Haaglanden, heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis positieve stappen heeft gemaakt. De verdachte is duidelijk gebaat bij structuur en duidelijke regels. Daarom wordt geadviseerd om het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding als aanvullende bijzondere voorwaarde op te nemen.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat het Pro Justitia-rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van het gedragskundig onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over wat betreft de bij de verdachte aanwezige stoornissen en de toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte. De rechtbank acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feit. Gelet op de aard van de problematiek acht de rechtbank de verdachte ook verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de bij dagvaarding I bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal bij het bepalen van de op te leggen straf rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daaruit blijkt dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie als uitgangspunt wordt genomen voor brandstichting met aanzienlijke schade en gevaar voor personen. Voor vernieling met geringe schade wordt een taakstraf van 20 uur als uitgangspunt genomen. Voor het voorhanden hebben van munitie kent het LOVS geen oriëntatiepunten.

In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat de verdachte het bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde heeft gepleegd nadat hij voor de bij dagvaarding 1 bewezenverklaarde feiten reeds in voorarrest had gezeten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank houdt bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte rekening met zijn jonge leeftijd ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en met het feit dat hij zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de schorsende voorwaarden heeft gehouden. Daarnaast weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat hij openheid van zaken heeft gegeven en dat hij op de zitting spijt heeft betuigd. Zoals reeds is overwogen, houdt de rechtbank in strafverminderende zin ook rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Gezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank - conform de eis van de officier van justitie - de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 49 dagen) passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 41 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en ter zitting aangevuld door de jeugdreclassering. De voorwaardelijke straf dient als waarschuwing voor de verdachte en biedt de mogelijkheid voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte met behulp van toezicht, behandeling en begeleiding.

In de aard en ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook

een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank acht een werkstraf voor de duur van 50 uren passend en geboden.

De rechtbank legt een lagere werkstraf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij het van belang vindt dat de verdachte voldoende tijd en ruimte overhoudt om zich te focussen op school en zijn behandeling. Dit zal namelijk de nodige tijd en inspanning van hem vergen.

Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Gelet op de ernst van het feit en de rapportages van de deskundigen, waaruit onder meer blijkt dat behandeling voor de verdachte passend wordt geacht vanwege een gebrekkige zelfsturing, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen (dagvaarding 2)

De slachtoffers van de ontploffing bestaan uit een gezin met een vader, een moeder en hun vier minderjarige kinderen.

[aangever 3] (de vader), [aangever 4] (de moeder), [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] (de minderjarige kinderen) hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces, ter zitting bijgestaan door mr. Ö. Arslan, waarnemend voor mr. H. Berberoglu-Bingöl.

- [aangever 3] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 23.993,-, bestaande uit € 16.493,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

- [aangever 4] vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 8.862,-, bestaande uit

€ 862,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

- Namens [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt voor ieder ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 4.000,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat door de ontploffing bij de woning evident leed aan het gezin is toegebracht, maar zij heeft daarbij opgemerkt dat de gevorderde bedragen bij elkaar tot een hoog bedrag leiden en dat zij zich kan voorstellen dat de rechtbank aanleiding ziet voor matiging.

Ten aanzien van het door [aangever 3] gevorderde bedrag voor het plaatsen van rolluiken aan de woning heeft de officier van justitie opgemerkt dat het om een offerte gaat en dat er nu nog geen kosten zijn gemaakt terwijl het feit in april 2026 heeft plaatsgevonden. Om die reden kunnen er volgens de officier van justitie vraagtekens worden gezet bij de stelling dat deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van de explosie.

Ten aanzien van de door de kinderen gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie opgemerkt dat de vorderingen specifieker per kind onderbouwd hadden kunnen worden.

Voor het overige heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2

Het standpunt van de verdediging

[aangever 3]

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de gevorderde kosten voor de rolluiken af te wijzen, nu op dit moment niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk worden of zijn gemaakt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde toekomstige medische kosten onvoldoende zijn onderbouwd, omdat onvoldoende duidelijk is of deze schade zal ontstaan en wat de omvang daarvan ongeveer zal zijn. De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij voor deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren of de schadepost af te wijzen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing van het gestelde geestelijk letsel. Subsidiair heeft zij verzocht de schadepost af te wijzen of het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen.

[aangever 4]

Ten aanzien van de vordering van [aangever 4] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gevorderde kosten voor de huishoudelijke hulp en de toekomstige medische kosten onvoldoende zijn onderbouwd en dat niet vast staat of hiervoor daadwerkelijk kosten zijn of zullen worden gemaakt.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw primair verzocht de vordering in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het gestelde geestelijk letsel, en het causaal verband tussen de beschreven psychische klachten en de explosie onvoldoende concreet zijn onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen. Meer subsidiair heeft zij verzocht het bedrag aanzienlijk te matigen.

De kinderen

De verdediging heeft verzocht om de kinderen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen. Daartoe is naar voren gebracht dat de vorderingen allemaal op dezelfde manier zijn onderbouwd terwijl de leeftijden van de kinderen uiteenlopen. Ook zijn er geen medische stukken overgelegd waaruit de psychische klachten blijken. Subsidiair heeft zij verzocht om de vorderingen af te wijzen of de vorderingen aanzienlijk te matigen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

7.3.1

De vordering van [aangever 3]

Materiële schade

Ten aanzien van de schadepost voor het plaatsen van rolluiken overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat deze kosten daadwerkelijk worden of zijn gemaakt. De toelichting op de vordering bevat geen opdracht, factuur of betalingsbewijs waaruit blijkt dat de rolluiken geplaatst zijn, op zeer korte termijn geplaatst zullen worden of dat de opdracht hiertoe reeds is bevestigd. Dat maakt dat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit deel van vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op toekomstige medische kosten, nu onduidelijk is of en, zo ja, in welke omvang deze kosten zich zullen voordoen. Ook dit deel van vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feit.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Er is in ieder geval sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die hier een beroep op doet, zal voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar was de benadeelde partij ten tijde van de explosie niet in de woning aanwezig, maar hij heeft dit wel zien en horen gebeuren in de wetenschap dat zijn gezin op dat moment in de woning verbleef. Daarmee is hij ook rechtstreeks slachtoffer van dit feit. Uit het huisartsenjournaal bij de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij sinds mei 2026 in behandeling is bij de praktijkondersteuner GGZ met klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis, waaronder herbelevingen, hyperalertheid, en vermijdingsgedrag, schrikreacties en slaapproblemen. Daarnaast blijkt uit de vordering dat hij is gestart met een behandeling gericht op traumaverwerking en dat hij op de wachtlijst staat voor EMDR. Het bewezenverklaarde feit heeft tevens geleid tot een ernstige ontwrichting binnen het gezin van de benadeelde partij en tot gevoelens van onveiligheid. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.

Bij het bepalen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen.

De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij categorie 19.3.b. Deze categorie ziet op ernstige persoonsaantastingen in het geval van bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing. In deze categorie wordt een bedrag tussen de

€ 1.000,- en € 5.000,- genoemd.

Al het voorgaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,- nu toewijsbaar is. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade daarom tot dat bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot immateriële schadevergoeding.

Conclusie

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 4.000,-, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 april 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 4.000,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 april 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 3] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

7.3.2

De vordering van [aangever 4]

Materiële schade

Ten aanzien van de schadepost voor de huishoudelijke hulp overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij gedurende de eerste twee weken niet in staat was het huishouden en de verzorging van de kinderen op zich te nemen. Dat maakt dat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit deel van vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op toekomstige medische kosten, nu onduidelijk is of en, zo ja, in welke omvang deze kosten zich zullen voordoen. Ook dit deel van vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feit.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Er is in ieder geval sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die hier een beroep op doet, zal voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat zij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij was ten tijde van de explosie samen met haar vier jonge kinderen in de woning aanwezig. Daarmee is zij rechtstreeks slachtoffer van dit strafbare feit. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van de explosie last heeft van schrikreacties, herbelevingen en slaapproblemen. Uit het huisartsenjournaal bij de vordering blijkt voorts dat de praktijkondersteuner heeft vastgesteld dat benadeelde partij getraumatiseerd is en dat zij is verwezen naar de generalistische basis-GGZ voor EMDR. Het bewezenverklaarde feit heeft tevens geleid tot een ernstige ontwrichting binnen het gezin van de benadeelde partij en tot gevoelens van onveiligheid. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen

Bij het bepalen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen.

De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij categorie 19.3.b. Deze categorie ziet op ernstige persoonsaantastingen in het geval van bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing. In deze categorie wordt een bedrag tussen de

€ 1.000,- en € 5.000,- genoemd.

Al het voorgaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,- nu toewijsbaar is. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade daarom tot dat bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot immateriële schadevergoeding.

Conclusie

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 4.000,-, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 april 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 4.000,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 april 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 4] .

Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

7.3.3.

De vorderingen van de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en
[minderjarige 4]

Immateriële schade

Zoals reeds overwogen, brengt artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Er is in ieder geval sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die hier een beroep op doet, zal voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In uitzonderlijke situaties kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor de betrokkene voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen.

Namens de kinderen is gesteld dat zij door het incident onder meer slecht slapen, last hebben van nachtmerries en herbelevingen, angstig zijn en dat er sprake is van een terugval in zindelijkheid. Anders dan in het geval van de ouders is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat bij de kinderen als gevolg van het bewezenverklaarde feit sprake is van geestelijk letsel. Bij de vordering zijn immers geen objectieve gegevens gevoegd waaruit volgt dat hiervan sprake is. Het overgelegde bericht van de ondersteuner van rondomJou is hiervoor onvoldoende. De gestelde psychische schade (de klachten en gedragsveranderingen) is voor ieder van de kinderen grotendeels op dezelfde manier onderbouwd en is daarmee onvoldoende specifiek. Het had op de weg van de benadeelde partij gelegen om voor elk afzonderlijk kind een nadere onderbouwing te geven van wat het kind feitelijk heeft meegemaakt en welke concrete, waarneembare gevolgen (inclusief de intensiteit daarvan) het kind in kwestie daarvan nu nog ondervindt.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de aard en de ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan evenmin meebrengen dat de schade zoals die gevorderd is, kan worden toegewezen. Gezien de jonge leeftijd van de kinderen (7, 6, 4 en 2 jaar oud ten tijde van de explosie) kan de rechtbank niet inschatten in hoeverre de kinderen zich bewust waren van de aard en de ernst van het strafbare feit, zodat een aantasting in de persoon niet zonder meer kan worden aangenomen. De vorderingen roepen daarvoor te veel vragen bij de rechtbank op. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskostenveroordeling benadeelde partijen

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8 De in beslag genomen voorwerpen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen aansteker zal worden vernietigd en dat de telefoon zal worden teruggegeven aan de verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de telefoon aan de verdachte terug te geven.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen (beslaglijst) volgt dat onder verdachte de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:

  • 1 STK Aansteker (Omschrijving: PL1500-2026137258-BZBD0199), voorwerpnummer: BZBD0199;

  • 1 STK Telefoonautomaat (Omschrijving: PL1500-2026137258-BZBD0197), voorwerpnummer: BZBD0197.

Teruggave

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de telefoon.

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal voorts de aansteker verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en onder feit 2 en het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

dagvaarding 1 - 02-220512-25

ten aanzien van feit 1:


vernieling;

ten aanzien van feit 2:

dagvaarding 2 - 09-117319-26:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straffen

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank berekend op 49 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 41 (EENENVEERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het meewerken met begeleiding door een coach vanuit E25;

  2. gedurende de proeftijd meewerkt aan behandeling vanuit De Waag of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;

3. gedurende de proeftijd onderwijs volgt volgens het rooster of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;

4. zich gedurende proeftijd inzet voor het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan en/of sport;

geeft opdracht aan Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het - op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 50 (VIJFTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 (VIJFENTWINTIG) DAGEN;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (vader)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 3] , een bedrag van € 4.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 april 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 3] te betalen € 4.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij of aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] (moeder)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 4] , een bedrag van € 4.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 april 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij of aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

de vorderingen van de benadeelde partijen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en
[minderjarige 4] (de kinderen)

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

de in beslag genomen goederen

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten:

1. STK Telefoonautomaat (Omschrijving: PL1500-2026137258-BZBD0197), voorwerpnummer: BZBD0197;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1. STK Aansteker (Omschrijving: PL1500-2026137258-BZBD0199), voorwerpnummer: BZBD0199;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,

mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,

en mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van

mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2026.