Strafrecht overig

toepassing jeugdstrafrecht, jeugddetentie en werkstraf opgelegd voor het meermalen steken met een mes…

Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
09-053930-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30158
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

toepassing jeugdstrafrecht, jeugddetentie en werkstraf opgelegd voor het meermalen steken met een mes, vordering tot schadevergoeding, hoogte immateriële schade bepaald aan de hand van de Rotterdamse schaal

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09-053930-25

Datum uitspraak: 16 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.A.H. Vromen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen, althans eenmaal,

- met een mes, althans een scherp voorwerp heeft gestoken in zijn been en/of arm, en/of

- met een mes, althans een scherp voorwerp (stekende) bewegingen heeft gemaakt in de richting van de onderrug van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 februari 2025 te ‘s-Gravenhage

[slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal,

- met een mes, althans een scherp voorwerp te steken in zijn been en/of arm, en/of

- met een mes, althans een scherp voorwerp (stekende) bewegingen te maken in de richting van de onderrug van die [slachtoffer] .

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit nu uit het dossier niet volgt dat de verdachte degene is geweest die met het mes heeft gestoken.

Op specifieke (bewijs)verweren zal hieronder – indien noodzakelijk – nader worden ingegaan.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

3.4.

Bewijsoverwegingen

Op basis van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 9 februari 2025 om 21:53 uur kreeg de politie een melding dat er iemand op het Anna Blamanplein aan het schreeuwen was. Ter plaatse werd [slachtoffer] aangetroffen met acht steekverwondingen, in zijn been (enkel), arm (pols) en in de buurt van de onderrug. Hij zou meerdere keren met een mes zijn gestoken door een jongen gekleed in een witte jas. Meerdere getuigen hebben waargenomen dat één persoon een witte jas droeg en dat alle andere aanwezigen in het zwart gekleed waren. Na het steken heeft de jongen met de witte bovenkleding een fatbike gepakt en is daarop weggereden.

Uit camerabeelden in de omgeving van het Anna Blamanplein volgt dat er om 21:44 uur drie personen voorbij [bedrijf] richting het Veluweplein liepen. De meest rechtse persoon op de camerabeelden droeg een wit vest of hoodie met daarover een donkere bodywarmer. Om 21:48 uur liepen vijf personen op de marktweg in de richting van de Lau Mazirellaan, waaronder één persoon die een zwarte jas droeg met witte mouwen en een witte capuchon. Op de jas werd een lichtgekleurd puntje ter hoogte van de linkerschouder waargenomen. Vervolgens liepen drie personen, waaronder één persoon met witte accenten rond zijn armen en nek, vergezeld door een persoon op een fatbike in de richting van het Anna Blamanplein. Om 21:52 uur reed een persoon met licht gekleurde armen vanaf het Ana Blamanplein weg.

De rechtbank is aan de hand van de beelden en de verklaringen van de getuigen van oordeel dat de persoon die op de camerabeelden wordt waargenomen als de jongen die een wit vest of hoodie draagt met daarover een donkere bodywarmer, de persoon moet zijn geweest die [slachtoffer] meermalen heeft gestoken. Uit de beelden volgt immers dat er geen ander persoon ten tijde van het incident in de buurt aanwezig is geweest die (deels) witte bovenkleding droeg en die na het incident op een fatbike wegreed. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende duidelijk geworden dat de getuigen het witte vest of hoodie met daarover een donkere bodywarmer onterecht hebben aangezien voor een volledig witte jas. Dit is gezien het tijdstip – het was immers donker – en de korte duur van het incident niet onbegrijpelijk.

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] meermalen heeft gestoken.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. [naam] – één van de drie personen die te zien is op de camerabeelden van [bedrijf] – heeft de verdachte op de beelden aangewezen als de persoon met het witte vest of hoodie. Op de telefoon van de broer van de verdachte werd een foto aangetroffen van de verdachte waarop hij, twee dagen voor het incident, soortgelijke kleding droeg. Op die foto is tevens te zien dat op de bodywarmer ter hoogte van de linkerschouder een licht gekleurd puntje zat. In de woning van de verdachte werd bovendien een bodywarmer aangetroffen waarop eveneens een licht gekleurd puntje ter hoogte van de linkerschouder zien was. Uit de chatberichten tussen de verdachte en zijn broer – twee dagen na het incident – volgt dat de verdachte van plan was om naar Turkije te vertrekken, dat hij zich zorgen maakte over wat hij moest doen als er een aanhoudingsbevel zou worden uitgevaardigd, en dat hij wist dat er beelden waren opgehaald bij de Mega Market en bij een huis dat volledig zicht had op de plek waar zij naar eigen zeggen gevochten hadden. Tegen de politie heeft de broer van de verdachte een dag na dit chatgesprek over deze berichten verklaard dat er drie dagen eerder, naar de rechtbank begrijpt 9 februari 2025, vier personen bij een gevecht betrokken waren geweest waarvan één op een fatbike en één met een witte jas.

De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat de verdachte degene is die op 9 februari 2025 gekleed was in een wit vest dan wel witte hoodie met daarover een donkere bodywarmer, en dus degene is geweest die [slachtoffer] meermalen heeft gestoken. De verdachte is herkend als de persoon op de camerabeelden, heeft zelf verklaard soortgelijke kleding te hebben gedragen en een bodywarmer met dezelfde kenmerken als op de beelden is aangetroffen in zijn woning. Daarnaast was hij (aanvankelijk) van plan om te vluchten, en vreesde hij dat een aanhoudingsbevel zou worden uitgevaardigd naar aanleiding van camerabeelden waarop de vechtpartij te zien zou zijn geweest.

Dat de verstuurde chatberichten over iets anders zouden gaan dan het steken van [slachtoffer] op 9 februari 2025 acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Immers heeft de verdachte tegen zijn broer gezegd dat de berichten verwijderd moesten worden, zijn ze vlak na het incident verstuurd, heeft de broer van de verdachte ook verklaard over iets dat gebeurd zou zijn op 9 februari 2025 en zijn er door de politie daadwerkelijk camerabeelden opgehaald bij de Mega Market in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar het incident op 9 februari 2025.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 9 februari 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen,

- met een mes heeft gestoken in zijn been en arm, en

- met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de onderrug van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld – met toepassing van het jeugdstrafrecht – tot een jeugddetentie voor de duur van 76 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie en de oplegging van een 38v maatregel voor een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 5 jaren met een week jeugddetentie voor iedere overtreding.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft hieromtrent – gezien de bepleite vrijspraak – geen standpunt ingenomen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer door hem meermalen met een mes op verschillende plaatsen te steken.

Het slachtoffer heeft hierdoor meerdere steekverwondingen opgelopen en kampt voor de rest van zijn leven met ontsierende littekens. Door deze littekens zal het slachtoffer de rest van zijn leven aan dit feit worden herinnerd. De verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een gebeurtenis als deze grote impact heeft op het slachtoffer.

De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 juli 2026.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 10 maart 2025 en 25 juni 2026, waaruit volgt dat de verdachte een first offender is, dat hij zijn leven ogenschijnlijk op orde heeft, dat hij geen psychische problemen of problemen in de thuissituatie ervaart en dat er geen sprake is van problemen op het gebied van financiën of middelengebruik. Door de proceshouding van de verdachte kon het recidiverisico niet worden ingeschat. Dat de verdachte verkeert in een mogelijk negatief sociaal netwerk kon door de reclassering niet worden uitgesloten.

De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte woont nog thuis, gaat naar school en lijkt actief deel te nemen aan het gezin. Voorts komt de verdachte kinderlijk over, zijn er geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht en ziet de reclassering mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding.

De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met het slachtoffer, begeleiding door een coach en passende dagbesteding.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd toen hij 18 jaar oud was. Gelet op de genoemde rapportages, het gegeven advies en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezen verklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

De verdachte komt kinderlijk over, staat open voor pedagogische beïnvloeding, volgt onderwijs, woont nog thuis en neemt actief deel aan het gezin.

Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Hieruit volgt een jeugddetentie vanaf 3 maanden voor een zware mishandeling. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie passend is. De rechtbank acht daarnaast een deels voorwaardelijke jeugddetentie passend om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Alles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.

De rechtbank legt aan de verdachte een jeugddetentie op voor de duur van 76 dagen met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren te vervangen door 40 dagen jeugddetentie, op.

De rechtbank legt aan de verdachte het contactverbod met het slachtoffer op als bijzondere voorwaarde en niet ook, zoals door de officier van justitie gevorderd, als ‘38v-maatregel’, nu zij hier op dit moment geen aanleiding toe ziet. Immers heeft de verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gehouden aan het contactverbod met het slachtoffer.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 19.518,35,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 518,35,- aan materiële schade en € 19.000,- aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de materiële schade voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. Voor wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie opgemerkt dat die mogelijk gematigd moet worden en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gezien de verzochte vrijspraak, primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de immateriële schade aanzienlijk te matigen aangezien de aard en omvang van het fysieke letsel en het psychisch leed onvoldoende zijn onderbouwd om een bedrag van € 19.000,- te rechtvaardigen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezen verklaarde feit.

Materiële schade

De posten ziekenhuisdaggeldvergoeding, kleding (jas, trainingsjack, trainingsbroek, T-shirt, sportschoenen) en factuur opvragen medische informatie zijn namens de verdachte voldoende onderbouwd en namens de benadeelde partij niet gemotiveerd betwist.

De rechtbank zal de verzochte materiële schade, bestaande uit € 518,35, volledig toewijzen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door verdachte gepleegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank gaat bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade uit van de Rotterdamse Schaal en de informatie die uit het dossier volgt. De benadeelde partij heeft acht steekverwondingen opgelopen, waarvan een aantal gehecht moest worden. Momenteel heeft de benadeelde partij last van krachtverlies en een zwelling in zijn onderarm en heeft hij littekens opgelopen op zijn bovenbeen, pols en enkel.

Het letsel aan de arm past in categorie (d) van de Rotterdamse Schaal (deel A, hoofdstuk 5.7, gering armletsel). Uit de medische informatie volgt immers dat verwacht werd dat het letsel binnen zes maanden zou genezen en de benadeelde partij heeft geen andere medische informatie overgelegd waarmee wordt onderbouwd dat er nog altijd geen (volledig) herstel is opgetreden. Weliswaar is er meer dan een jaar geleden verwezen naar een plastisch chirurg vanwege krachtsverlies aan de pols, maar verdere informatie over het verloop en de uitkomst van het medisch traject en de huidige prognose ontbreekt. De rechtbank acht daarom een bedrag van € 3.000,- passend.

Gezien de littekens die de verdachte heeft opgelopen en waarvan foto’s zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat deze passen in categorie (c) van de Rotterdamse Schaal (deel A, hoofdstuk 10, minder ernstige littekenvorming). De rechtbank vindt daarvoor ook een bedrag van € 3.000,- passend.

Een benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW ook recht op vergoeding van immateriële schade als hij in de persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan.

De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij mede op deze grondslag is gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van de normschending, zoals ook blijkt uit de hierboven beschreven ernst van het feit, de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de stukken blijkt verder dat [slachtoffer] nog steeds veel angst ervaart, wantrouwend is, en slecht slaapt. Hoewel uit de vordering een vermoeden van PTSS-symptomen naar voren komt, is dit onvoldoende onderbouwd om vast te stellen dat hier daadwerkelijk sprake van is. De rechtbank matigt het gevorderde bedrag daarom met betrekking tot het geestelijk letsel en zoekt voor het gebruik van haar schattingsbevoegdheid aansluiting bij de ondergrens van categorie (d) voor geestelijk letsel – zijnde een bedrag van € 2.675,- – zoals vermeld in de Rotterdamse schaal.

Uit de aanbevelingen bij de Rotterdamse Schaal volgt voorts dat indien er sprake is van meervoudig letsel, zoals bij de benadeelde partij, het zwaarste letsel volledig meeweegt en het tweede letsel voor 50%. Het in dit geval derde letsel kan als factor worden meegewogen bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld maar weegt niet op dezelfde manier mee. Alles bij elkaar genomen komt de rechtbank tot een bedrag voor immateriële schade van in totaal (€ 3.000 + € 1.500 + € 500 =) € 5.000,- . De rechtbank zal daarom aan de benadeelde partij een totaalbedrag van €5.000,- toekennen voor immateriële schade.

De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering voor immateriële schade. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toewijzing vordering en wettelijke rente

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 5.518,35, bestaande uit € 518,35 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 5.518,35,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 februari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

De rechtbank bepaalt voorts dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 52 dagen.

8 Het in beslag genomen voorwerp

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen bodywarmer terug gegeven mag worden aan de verdachte.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen bodywarmer terug gegeven kan worden aan de verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst genoemde voorwerp.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

36f, 45, 77c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot zware mishandeling :

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 76 (ZEVENENZESTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (in totaal 17 (zeventien) dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, 59 (NEGENENVIJFTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2] 2009), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach van Coach E25 of een soortgelijke instelling te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;

- gedurende de proeftijd zinvolle en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding heeft, in de vorm van onderwijs en/of (on)betaald werk dan wel vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

veroordeelt de veroordeelde voorts tot:

een werkstraf voor de tijd van 80 (TACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN;

de voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel;

veroordeelt de veroordeelde aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van

€ 5.518,35, bestaande uit € 518,35 als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 9 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de veroordeelde in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op

vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit

vonnis;

legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de

veroordeelde de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 5.518,35,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 9 februari 2025 tot aan de dag van de volledige betaling;

bepaalt dat, als de veroordeelde niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 52 dagen, het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat de veroordeelde van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

het inbeslaggenomen goed;

gelast de teruggave aan de veroordeelde van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:

1. STK Bodywarmer (Omschrijving: PL1500-2025044175-3279796 Bijzonderheden: Bodywarmer aangetroffen in de slaapkamer in de wasmand, zwart, merk: Merkloos).

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.L. Harmsen, rechter,

mr. J. Herfkens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Wouters, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.