Strafrecht overig
Veroordeling voor winkeldiefstal. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.
Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30167 · Rechtbank Den Haag · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30167
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/172991-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30167
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor winkeldiefstal. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/172991-26, 09/261404-24 (tul)
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. van Greevenbroek en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.C.S. van Viegen naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juni 2026 te 's-Gravenhage een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3 De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026213956, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 23).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Albert Heijn, opgemaakt op 16 juni 2026 (p. 5-8);
3. De eigen waarneming van de rechtbank, inhoudende de camerabeelden genaamd ‘goederen onder shirt brengen’.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 16 juni 2026 te 's-Gravenhage meerdere winkelgoederen die geheel aan Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De oplegging van straf en/of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht aan de verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, maar hem te veroordelen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, nu niet is voldaan aan de ‘zachte’ ISD-criteria. De verdediging heeft subsidiair verzocht om aan de verdachte de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Daarmee heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies over de verdachte van 26 augustus 2026. Dit rapport is ter terechtzitting toegelicht door reclasseringsmedewerker [naam]. Samengevat komt uit het advies en de daarop gegeven toelichting het volgende naar voren.
De reclassering ziet op verschillende gebieden instabiliteit in het leven van de verdachte. De reclassering merkt op dat de verdachte een uitgebreid delictverleden heeft en dat binnen het lopende reclasseringstoezicht onvoldoende is meegewerkt aan het bereiken van doelen. Ook is opgemerkt dat de houding van de verdachte, zijn psychosociaal functioneren en zijn relatie delictgerelateerd en risicofactoren zijn. Er is geen structurele dagbesteding en het is onduidelijk of er sprake is van drugsgebruik dat mogelijk delictgerelateerd is. De verdachte toont volgens de reclassering een pro-criminele houding en de reclassering merkt op dat de verdachte in meer dan 30 jaren geen pogingen heeft ondernomen om via legaal werk zijn inkomen te vergaren. Verder volgt uit het rapport dat de verdachte de verklaring voor zijn criminele activiteiten legt in zijn instabiele leefsituatie en een conflict dat hij heeft met de gemeente [gemeente]. Er is geen goed inzicht in mogelijke achterliggende psychische problematiek, waardoor de reclassering een persoonlijkheidsonderzoek geïndiceerd acht. Hoewel de verdachte zijn meldplichtafspraken nakomt, betreft de inhoud van de gesprekken voornamelijk de onderwerpen die de verdachte zelf aandraagt. Uit het rapport volgt dat zodra de gesprekken over de huidige situatie van de verdachte en het voorkomen van recidive gaan, de verdachte een vermijdende houding aanneemt. Volgens de reclassering biedt alleen een langdurig verblijf in een gedwongen setting met veel structuur nog kansen.
De reclassering ziet daarom geen andere optie dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voldoet. Er is een vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van de ISD-maatregel. Het bewezenverklaarde feit kwalificeert als diefstal, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het huidige feit ten minste drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. Het bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. De rechtbank deelt die inschatting en naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is. Tot slot is voldaan aan de voorwaarde dat er over de verdachte een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering is dat minder dan één jaar voor de zittingsdatum is opgemaakt. In dit advies adviseert de reclassering om bij veroordeling van de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan hem op te leggen.
De verdachte voldoet aan de definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn over een periode van vijf jaren processen-verbaal opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
Volgens de verdediging zijn niet alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive uitgeput. De eerder (in 2024) als bijzondere voorwaarde opgelegde ambulante behandeling was immers nog niet opgestart toen de verdachte op 16 juni 2026 recidiveerde. Nu de behandeling nog niet was opgestart, kan deze volgens de verdediging daarom niet als “mislukt” worden beschouwd. De verdachte is daarnaast aangemeld bij het Leger des Heils. Een intake heeft, vanwege de detentie van de verdachte, nog niet kunnen plaatsvinden. De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij het niet eens is met het reclasseringsrapport en dat hij geen begeleiding van de reclassering heeft gehad terwijl hij dit juist wil.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat de ambulante behandeling ter vervulling van de opgelegde bijzondere voorwaarde nog niet was aangevangen, doet er niet aan af dat uit het reclasseringsrapport duidelijk volgt dat de verdachte zich langdurig onvoldoende begeleidbaar heeft opgesteld tijdens het lopende reclasseringstoezicht, waardoor de doelen tot recedivevermindering niet zijn bereikt. De blijkt ook uit de veelvuldige recidive. Gesprekken over dagbesteding en inkomen werden vermeden en een behandeltraject bij de Waag kwam niet van de grond. De rechtbank is er ook na het horen van de verdachte ter zitting niet van overtuigd geraakt dat er recentelijk een wezenlijke en blijvende verandering is opgetreden in de opstelling en motivatie van de verdachte om in het kader van bijzondere voorwaarden te werken aan een delictvrije toekomst.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief is voor de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De ISD-maatregel kan door middel van een gefaseerd en gestructureerd programma een bijdrage leveren aan het oplossen van de problemen van de verdachte en zo ook herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel voorkomen.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank acht het passend en geboden om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte de gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.
7 De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 09/261404-24, door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 19 november 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 75 dagen gevangenisstraf, gelet op de eis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De tenuitvoerlegging zou de behandeling van de verdachte vertragen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat aan de verdachte een ISD-maatregel zal worden opgelegd. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat daarom de vordering tot tenuitvoerlegging moeten worden afgewezen. De rechtbank zal de vordering afwijzen.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 09/261404-24 opgelegde voorwaardelijke straf af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.E. Povel, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. J.E. Stevers en B.J. Stil, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.