Strafrecht overig
Veroordeling voor art. 9 eerste lid WWM. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan zes…
Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30169 · Rechtbank Den Haag · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30169
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/173772-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30169
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor art. 9 eerste lid WWM. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/173772-26
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.W. van Eeuwijk naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 15 mei 2026 tot en met 15 juni 2026 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, meermaals, althans eenmaal, zonder erkenning één of meer wapens en/of munitie, te weten
- één of meer wapen(s), als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II en/of III van de Wet
wapens en munitie, en/of
- één of meer stuk(s) munitie in de zin van artikel 2 lid 2 categorie II van de Wet
wapens en munitie,
in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de verdachte daadwerkelijk heeft beschikt over wapens en dat het niet de verdachte is geweest die de wapens heeft aangeboden.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Het aanbieden van vuurwapens
De rechtbank gaat uit van het volgende. Bij zijn aanhouding zijn twee telefoons aangetroffen bij de verdachte. De verdachte heeft aangegeven dat hij de gebruiker is van deze twee telefoons. Op de telefoons zijn chats aangetroffen over de periode van 2 juni 2026 tot en met 12 juni 2026 die betrekking hebben op de handel in vuurwapens. Uit de chats blijkt dat de gebruiker van het account ‘[account]’, meerdere vuurwapens aan een ander te koop aanbiedt en een verkoopprijs probeert af te stemmen. In de chats is door ‘[account]’ een overzicht gestuurd met wapens in drie categorieën: Orgi hand, Orgi Automaat en Overig. In de chat over de ‘Mac-10’ is een foto van het wapen bijgevoegd. De politie heeft op basis van de uiterlijke kenmerken van het wapen op de foto vastgesteld dat er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld kan worden dat het een illegaal gefabriceerd vuurwapen betreft dat lijkt op een ‘Uzi’. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een lege vuurwapenkoffer aangetroffen.
Op grond van bovenstaande gaat de rechtbank er vanuit dat de chats van ‘[account]’ zijn gevoerd door de verdachte. De verdediging heeft weliswaar gesteld dat meerdere personen gebruik maakten van de telefoon van de verdachte en dat de in zijn woning aangetroffen vuurwapenkoffer niet van de verdachte is, maar beide stellingen zijn niet onderbouwd en ook niet aannemelijk geworden.
Verhandelen in de uitoefening van een bedrijf
Sinds de wijziging van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’ onder artikel 9, eerste lid, WWM. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van een zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of van munitie.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die niet zelf wapens in bezit heeft, maar als tussenpersoon fungeert.
Gelet op de aard en inhoud van de chatberichten is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als wapenmakelaar heeft gehandeld en dat dit handelen een bedrijfsmatig karakter had. Geïnteresseerden wisten de verdachte te vinden wanneer zij een vuurwapen wilden aanschaffen en de verdachte bood ook zelf de vuurwapens aan verschillende personen aan. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte als actieve wapenmakelaar optrad. Deze handelswijze maakt dat er sprake was van handel in commerciële zin zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, WWM. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte ‘in de uitoefening van een bedrijf’ over de aankoop en verkoop van vuurwapens heeft onderhandeld.
Beroep of gewoonte
Aan de verdachte is de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat hij van het onderhandelen over vuurwapens een beroep of gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘beroep’ vereist is dat de verdachte zich stelselmatig met het oog op financieel gewin of om in zijn levensonderhoud te voorzien heeft beziggehouden met wapenhandel. Criteria om ‘beroep of gewoonte’ aan te nemen zijn onder meer de hoeveelheid aangetroffen wapens, lijsten van wapens, prijzen van wapens of afbeeldingen van wapens of dat de verdachte volgens getuigen een vaste wapenleverancier was. Vastgesteld is dat de verdachte gedurende elf dagen met in ieder geval negen personen heeft onderhandeld over de aankoop of verkoop van vuurwapens. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de intensiteit en de hoeveelheid verschillende vuurwapens, er geen sprake is van een eenmalige overtreding en dat de verdachte van de handel in vuurwapens een gewoonte heeft gemaakt.
Medeplegen
Het optreden als wapenmakelaar is naar zijn aard een delict dat in vereniging wordt gepleegd, aangezien de wapenmakelaar ten behoeve van een ander op zoek gaat naar een koper van een vuurwapen. Uit de chats volgt dat de verdachte bij een onbekend gebleven persoon moet navragen of de prijs van een van de vuurwapens naar beneden kon. Het contact dat de verkoper, de wapenmakelaar en de (potentiële) koper in dit kader met elkaar hebben, is onmiskenbaar gericht op het verhandelen van het vuurwapen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van de verdachte als medeplegen valt aan te merken.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 2 juni 2026 tot en met 12 juni 2026 in Nederland, tezamen en in vereniging, meermaals, zonder erkenning wapens en munitie, te weten
- wapens, als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II en III van de Wet wapens en munitie, en
- munitie in de zin van artikel 2 lid 2 categorie II van de Wet wapens en munitie,
in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld en daar een gewoonte van heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, indien het tot een strafoplegging komt, aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank van oordeel is dat met een straf gelijk aan het voorarrest niet kan worden volstaan, om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, al dan niet gecombineerd met bijzondere voorwaarden (meldplicht).
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich gedurende een periode van elf dagen schuldig gemaakt aan het handelen als wapenmakelaar. Door zo te handelen heeft hij een bijdrage geleverd aan het veelvuldig en ongecontroleerd verspreiden van diverse vuurwapens – onder andere een AK-47 en een Makarov PM – binnen het criminele circuit. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De illegale handel in vuurwapens dient dan ook streng te worden bestraft.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij in 2023 voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 september 2026, waaruit volgt dat de reclassering risicoverhogende signalen ziet in het middelengebruik van de verdachte en zijn familiaire netwerk. De reclassering stelt het recidiverisico door de proceshouding van de verdachte niet te kunnen inschatten. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van dagbesteding, medewerking aan het aflossen van schulden, medewerking aan beheersing van middelengebruik en ambulante begeleiding.
Strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van dagbesteding, medewerking aan het aflossen van schulden, medewerking aan beheersing van middelengebruik en ambulante begeleiding. De rechtbank acht een voorwaardelijke strafdeel passend om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7 De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, bijlage II) onder 1 genoemde voorwerp, te weten 50 stuks vals geld, zal worden onttrokken aan het verkeer en dat de onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten de iPhone 11 en iPhone 12 mini, zullen worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen telefoons verbeurdverklaren. Deze telefoons zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze telefoons aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze telefoons het bewezenverklaarde feit is begaan.
Het vals geld zal door de rechtbank worden onttrokken aan het verkeer. Het vals geld is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht;
- 9 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of categorie III, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of
gewoonte maakt;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich inspant voor het vinden en behouden van opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- zich laat begeleiden door Coach E25 of een soortgelijke organisatie, zolang de
reclassering dit nodig acht. De veroordeelde houdt zich aan de regels van de desbetreffende organisatie;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:
1. STK Telefoontoestel (omschrijving: rood);
1. STK Telefoontoestel (omschrijving: wit);
verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
50 STK Geld Vals.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. J.E. Stevers en B.J. Stil, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.