Strafrecht overig
Vrijspraak: opzet op het gronddelict niet bewezen
Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30173 · Rechtbank Den Haag · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30173
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/046081-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30173
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak: opzet op het gronddelict niet bewezen
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/046081-26
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 mei 2026 (pro forma) en 29 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.R.D. Hoebeke, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. S.W. Teuwen, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 februari 2026 te Delft tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een mobiele telefoon en/of €100,- contant geld en/of een televisie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen: "als je geen geld geeft word je de kanker ingeslagen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- die [aangever] meermalen op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 379 dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Hiernaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr, een contactverbod met [aangever] voor de duur van 2 jaren wordt opgelegd, waarbij per overtreding 1 week hechtenis zal worden opgelegd, met een maximum van 6 maanden.
Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 12 februari 2026 in zijn woning aan de [adres 2] door de verdachte, [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1], de kleinzoon van de verdachte, hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2], hierna: [medeverdachte 2]) is beroofd van 100 euro, zijn telefoon en zijn televisie. Na bedreigingen door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], heeft [medeverdachte 1] aangever geslagen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens het geld en de telefoon van aangever meegenomen en [medeverdachte 2] heeft de televisie van aangever meegenomen.
De verdachte heeft bevestigd dat hij op genoemde datum met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij aangever is geweest om geld op te halen. Volgens de verdachte was geen sprake van een plan om hierbij geweld te gebruiken of om zonder toestemming van aangever spullen mee te nemen. De verdachte heeft, eenmaal aangekomen bij de flat waar aangever woonde, beneden gewacht. Na enige tijd is hij even naar boven, naar de woning van aangever gegaan en na enkele minuten is hij weer naar beneden gegaan. In de woning is de verdachte niets opgevallen en heeft hij enkel benadrukt dat hij zijn geld wenste te ontvangen. De verdachte heeft toen hij in de woning was geen bedreigingen of geweldshandelingen jegens aangever waargenomen.
De verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij zich voornamelijk heeft bevonden in de centrale hal van de flat waar aangever woonde, vindt bevestiging in de camerabeelden van de centrale hal van de flat.
Om te komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de ten laste gelegde diefstal met (bedreiging met) geweld, moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat de verdachte niet alleen opzet had op de samenwerking met de medeplegers, maar ook opzet had op het ten laste gelegde gronddelict.
De eerste vraag die de rechtbank daarom dient te beantwoorden is of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de diefstal van het geld, de telefoon en de televisie van aangever.
Uit het dossier volgt dat de verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van aangever is gegaan met de bedoeling om hem te dwingen geld te laten betalen. Hoewel deze gedraging van de verdachte op zichzelf bedenkelijk is, volgt hieruit nog niet dat ook sprake was van een gezamenlijk plan om de genoemde goederen weg te nemen. Zoals hiervoor weergegeven, heeft de verdachte verklaard dat hij hier geen wetenschap van had en kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte aanwezig was bij het wegnemen van de genoemde goederen. Ook is niet uit het dossier gebleken dat hij anderszins betrokken was bij het wegnemen van de goederen door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] heeft het contante geld en de telefoon van aangever meegenomen en [medeverdachte 2] de televisie. Uit Whatsappcommunicatie blijkt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het wegnemen van deze goederen in nauw contact stond met een telefoonnummer dat zou toebehoren aan ‘[(bij)naam]’ en via dit telefoonnummer instructies kreeg met betrekking tot het wegnemen van goederen. Uit het dossier volgt weliswaar dat de verdachte van deze telefoon gebruik heeft gemaakt om een spraakbericht naar [medeverdachte 1] te sturen, maar uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte ook de Whatsappberichten naar [medeverdachte 1] heeft verstuurd of anderszins wetenschap had van de inhoud van de berichten. Daarom kan het vereiste opzet op het gronddelict, zoals ten laste gelegd, niet bewezen worden verklaard en dient de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
4 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.249,20, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.999,20 aan materiële schade en € 1.250,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.599,20 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
Subsidiair heeft de raadsman voor wat betreft de gevorderde materiële schade behoudens het bedrag van € 100,00 aan weggenomen geld, de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit en zich voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 500,00 passend is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen de vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
5 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.N. Huliselan, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.