Strafrecht overig

Vrijspraak; niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de…

Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
09/020216-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30174
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak; niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de woningoverval

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/020216-26

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 april 2026, 14 juli 2026 (telkens pro forma) en 29 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.H. Limburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.J.M. Laurier naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 31 maart 2025 te Delft, althans in Nederland, omstreeks 04:20 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in/uit een woning of een besloten erf, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer sieraden, een of meer geldbedragen, een of meer sleutels en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich wederrechtelijk toegang tot de woning te verschaffen en/of te roepen "dit is politie, iedereen op de grond" of woorden van gelijke strekking en/of
- tegen [aangever 2] te zeggen "ga op de grond liggen" of woorden van gelijke strekking en/of met duct tape zijn handen en/of zijn voeten aan elkaar vast te binden en/of
- [aangever 3] op de grond te laten liggen en/of een breekijzer tegen haar hals te zetten en/of met duct tape haar voeten aan elkaar vast te binden en/of
- [aangever 1] naar de grond te duwen en/of met tie-wraps zijn handen en/of zijn voeten aan elkaar vast te binden en/of een mes op zijn keel te zetten en te zeggen "waar is geld, waar is de kluis" of woorden van gelijke strekking en/of (vervolgens) met duct tape zijn mond dicht te plakken en/of
- die [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 1] een mes en/of een breekijzer te tonen.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

3.3.

Vrijspraak

De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Op 31 maart 2025 omstreeks 04:20 uur vond een overval plaats in de woning gelegen

aan de [adres 2] . In de woning bevonden zich tijdens de overval de bewoners [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 1] . Twee overvallers hebben de bewoners bij de polsen en/of de enkels vastgebonden met ducttape en/of tie-wraps en hebben sieraden, sleutels, geld en een mobiele telefoon weggenomen. Naar aanleiding van de woningoverval is door de politie forensisch onderzoek verricht in de woning. Op tie-wraps die gebruikt zijn om de enkels van [aangever 3] vast te binden, werd een mengprofiel aangetroffen met daarin sporen van het DNA-profiel van de verdachte en drie onbekende personen. Op een stuk ducttape dat is gebruikt voor [aangever 1] , werd een mengprofiel aangetroffen met daarin sporen van het DNA-profiel van de verdachte, slachtoffer [aangever 1] en twee onbekende personen.

De verdachte heeft van meet af aan alle betrokkenheid bij de overval ontkend en heeft verklaard dat zijn DNA-sporen mogelijk op de tie-wraps en de ducttape terecht zijn gekomen, doordat deze goederen zijn weggenomen tijdens een inbraak in de kelderbox van de woning van zijn moeder waar hij destijds verbleef, of doordat hij in het kader van zijn werk als monteur voor het GVB veelvuldig met tie-wraps en ducttape heeft gewerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan weliswaar met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat DNA-sporen van de verdachte op enig moment op de tie-wraps en de ducttape terecht zijn gekomen, maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat de verdachte deze voorwerpen ook tijdens de woningoverval heeft gebruikt en dat de verdachte dus één van de twee overvallers is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake is van verplaatsbare objecten en dat de DNA-sporen in beide gevallen deel uitmaken van een mengprofiel met andere, deels onbekende donoren. Niet kan worden vastgesteld hoe en wanneer de DNA-sporen van de verdachte op de voorwerpen terecht zijn gekomen. In het bijzonder kan de rechtbank niet uit de bewijsmiddelen afleiden dat de bij de overval gebruikte ducttape afkomstig was van één rol en dat de DNA-sporen van de verdachte dus tijdens het afrollen van die rol op een onderliggend schoon stuk ducttape terecht moeten zijn gekomen. Zou dit zo zijn, dan zou dat betekenen dat de verdachte de ducttape tijdens de overval heeft afgerold en gebruikt en zou dit bevestigen dat hij op dat moment in de woning aanwezig was. Deze op zichzelf logische veronderstelling vormt een belangrijke schakel in de redenering van de officier van justitie, maar vindt onvoldoende steun in het dossier. Evenmin kan worden vastgesteld dat de wijze waarop de DNA-sporen op de ducttape en de tie-wraps zijn aangetroffen, uitsluit dat het DNA reeds voor de overval op de voorwerpen aanwezig was.

Uit het dossier blijkt voorts dat op een breekijzer in de woning ook DNA-sporen van een derde persoon zijn aangetroffen. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat onderzoek naar deze persoon is uitgevoerd en dat dat onderzoek niet tot enige verdenking heeft geleid. Dat betekent dat ook het breekijzer DNA-sporen bevatte van iemand die niet bij de woningoverval betrokken is geweest. De rechtbank kan niet uitsluiten dat hetzelfde kan zijn gebeurd met de DNA-sporen van de verdachte op de ducttape en tie-wraps.

Naast de aangetroffen DNA-sporen van de verdachte op voornoemde voorwerpen, bevat het dossier geen andere aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de woningoverval. Het door de slachtoffers gegeven signalement van de overvallers is dusdanig algemeen dat aan de omstandigheid dat de verdachte daarin past voor wat betreft geslacht, lengte en huidskleur, geen gewicht kan worden toegekend. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de verdachte – in ieder geval op het moment van zijn aanhouding in januari 2026 – duidelijk zichtbare tatoeages op beide handen en in zijn nek had. Geen van de slachtoffers heeft iets verklaard over tatoeages, terwijl wel is verklaard dat in ieder geval één van de overvallers op enig moment geen handschoenen droeg. Ook een getuige die heeft verklaard dat hij in het trappenhuis van de flat waar de slachtoffers woonden een man met een masker en een getinte nek voor zich naar boven zag lopen, heeft niets over een tatoeage opgemerkt. Voorts zijn de daders die op de beschikbare camerabeelden te zien zijn vanwege vermomming dusdanig onherkenbaar dat ook die beelden voor de verdachte belastend noch ontlastend zijn.

De rechtbank onderkent dat de combinatie van de DNA-resultaten een zeer stevige verdenking tegen de verdachte rechtvaardigen op basis waarvan hij meerdere maanden in voorarrest heeft doorgebracht. De vraag is echter niet of betrokkenheid van de verdachte daardoor waarschijnlijker wordt, maar of de beschikbare bewijsmiddelen de conclusie dragen dat verdachte de tie-wraps en de ducttape tijdens de overval heeft gebruikt. Die conclusie kan de rechtbank, gelet op de eerdergenoemde onzekerheden, niet buiten redelijke twijfel trekken. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de woningoverval. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.

4 De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

4.1

De vorderingen

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 19.212,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 10.212,50 aan materiële schade en € 9.000,00 aan immateriële schade.

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 14.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 5.900,00 aan materiële schade en € 9.000,00 aan immateriële schade.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partijen, gelet op de hoor haar bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte van het feit waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partijen [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 1] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,

mr. J. Herfkens, rechter,

mr. S.N. Huliselan, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 oktober 2026.