Strafrecht overig
veroordeling overtreding Opiumwet, verbeurdverklaring, redelijke termijn
Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30386 · Rechtbank Den Haag · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30386
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/345290-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30386
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
veroordeling overtreding Opiumwet, verbeurdverklaring, redelijke termijn
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/345290-24
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.H.N. van Hees, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te ’s-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen voorhanden heeft gehad:
- in totaal 31,45 gram gram netto, verdeeld over 36 zogeheten pony-packs met cocaïne en/of 18 gripzakjes );
- één of meerdere smartphones
- een geldbedrag van (in totaal) 269,50 euro verdeeld over kleinere handelscoupures,
waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31,45 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 tot en met 1 juli 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 31,45 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde en tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit.
Vrijspraak van feit 2
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal hier dan ook van worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 1 primair
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverweging feit 1 primair
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte op 4 juli 2024 de onder feit 1 primair ten laste gelegde voorwerpen voorhanden heeft gehad. Het gaat om een behoorlijke hoeveelheid ponypacks en gripzakjes met cocaïne, twee telefoons en contant geld. De combinatie van deze voorwerpen is naar de uiterlijke verschijningsvorm evident bestemd tot het dealen van drugs. Daarmee is dit feit wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 4 juli 2024 te ’s-Gravenhage, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, voorhanden heeft gehad:
- 31,45 gram cocaïne, verdeeld over 36 ponypacks en 18 gripzakjes;
- meerdere smartphones
- een geldbedrag van in totaal 269,50 euro verdeeld over kleinere handelscoupures, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 3.000, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van 1 dag waarop de verdachte in verzekering was gesteld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat een geldboete de enige passende straf is.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de voorbereiding van drugshandel. Dit is een ernstig feit. Harddrugs kunnen ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van gebruikers. Daarnaast houdt het handelen de daarmee gepaard gaande criminaliteit in stand. De verdachte heeft hieraan bijgedragen. Dat rekent de rechtbank hem aan. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de voorbereidingen zich in een zodanig stadium bevonden dat voltooiing van een daadwerkelijke drugsdeal op handen was. Sterker nog, kort voor de aanhouding zagen agenten gedrag dat paste bij een concrete deal.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 augustus 2026 waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 23 september 2026, waaruit volgt dat sinds de pleegdatum een positieve verandering heeft plaatsgevonden op verschillende leefgebieden van de verdachte. Het risico op recidive en op letsel wordt door de reclassering ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Op 5 juli 2024 is de verdachte in verzekering gesteld. Vanaf dat moment mocht de verdachte verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Dit vonnis is gewezen op 15 oktober 2026. De termijn tussen de twee voornoemde data bedraagt twee jaar en ruim drie maanden. Daarmee is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Strafmodaliteit en straf
De rechtbank is van oordeel dat de geëiste geldboete geen passende strafmodaliteit is. Daarvoor zijn het bewezen verklaarde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd simpelweg te ernstig. De rechtbank betrekt hierbij dat de reclassering een positief beeld over de verdachte heeft geschetst en, anders dan waarvan de officier van justitie lijkt uit te gaan, geen belemmeringen ziet voor oplegging van een taakstraf. Die laatstbedoelde straf zal de rechtbank dan ook opleggen. Daarbij heeft zij gekeken naar wat er doorgaans in soortgelijke gevallen wordt opgelegd.
In beginsel acht de rechtbank in dit geval een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uur op zijn plaats. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal hierop 10 uur in mindering worden gebracht. Al met al acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 50 uur passend en geboden. Het voorarrest zal hiervan worden afgetrokken.
7 De in beslag genomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen auto en het geld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat van het in beslag genomen geldbedrag maximaal € 50 verbeurd kan worden verklaard, omdat dat verband houdt met de verkoop van drugs op 4 juli 2024, en dat de auto niet verbeurd moet worden verklaard, omdat de auto maar één keer is gebruikt voor het vervoeren van drugs.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de auto en het contante geldbedrag van € 269,50 verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het onder 3.6 bewezen verklaarde feit is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht;
- 10 a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen/stoffen/gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 50 (VIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 25 (VIJFENTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
verklaart verbeurd:
-
1 STK Personenauto (Kenteken: [kenteken] , Kleur: Zwart, Merk: Ford, Goednummer 3168258)
-
269,65 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2024212531-3168691).
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.E. Bandsma, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. C.D.V. Efstratiades, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.M.E. Oudshoorn, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2026.