Bestuursprocesrecht
Afwijzing voorlopige voorziening, ontbreken spoedeisend belang.
Rechtbank Gelderland, 16 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3004 · Rechtbank Gelderland · 16 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbgel-2026-3004
Zaakgegevens
Op 16 april 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 april 2026
- Datum publicatie
- 16 april 2026
- Zaaknummer
- AWB 26/1702
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3004
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing voorlopige voorziening, ontbreken spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1702
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster], h.o.d.n. [naam maatschap], uit [plaats],
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster heeft op 5 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij stelt daartoe dat zij directe en oplopende financiële schade lijdt als gevolg van het uitblijven van besluitvorming. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om het college op te dragen om binnen een zeer korte termijn alsnog een besluit te nemen en te bepalen dat het college een dwangsom verbeurt bij niet-naleving van de uitspraak.
2.1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit verder voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) ‘connexiteit’. Het formele connexiteitsvereiste houdt in dat er naast het verzoek om een voorlopige voorziening ook sprake moet zijn van een bezwaar- of beroepszaak. Daarnaast moet wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking hebben op de inhoud van het aangevochten besluit. Dit is het materiële connexiteitsvereiste.
3. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de rechtbank al wordt behandeld in een versnelde procedure. Het doel van de procedure bij niet tijdig beslissen is – zo nodig met oplegging van een dwangsom – het college te bewegen alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Dit is ook wat verzoekster aan de voorzieningenrechter heeft gevraagd. Het doel van een voorlopige voorziening procedure is evenwel om in afwachting van de uitspraak op het beroep een voorlopige maatregel te treffen. Verzoekster beoogt in feite met haar verzoek een inhoudelijke beslissing te krijgen op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Daar is de voorlopige voorzieningenprocedure niet voor bedoeld.
3.1. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoekster stelt schade te lijden door het uitblijven van besluitvorming leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: