Bestuursrecht overig
AW. Voorwaardelijk ontslag politieambtenaar.
Rechtbank Gelderland, 16 december 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:6755 · Rechtbank Gelderland · 16 december 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2021-6755
Zaakgegevens
Op 16 december 2021 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 16 december 2021
- Datum publicatie
- 16 december 2021
- Zaaknummer
- 20_6326
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6755
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AW. Voorwaardelijk ontslag politieambtenaar.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 20/6326
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.H. Welter),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Harbers-Schuitenmaker).
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd.
Bij besluit van 14 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [sectorhoofd], sectorhoofd van de Dienst Regionale Recherche.
Overwegingen
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Eiser is sinds 1 april 1985 in dienst bij de politie, laatstelijk in de functie van senior forensische opsporing bij het Team Forensische Opsporing van de eenheid Oost-Nederland.
Op 17 september 2019 heeft eiser speciale werkhandschoenen, zogeheten “HyFlex” werkhandschoenen, besteld die gebruikt worden bij bepaalde VOA-werkzaamheden. Eiser heeft de werkhandschoenen besteld in de maten 9, 10 en 11 (drie setjes van 12 paar werkhandschoenen).
Op 24 september 2019 heeft de heer [naam], operationeel expert, de door eiser bestelde werkhandschoenen aangetroffen in de intakeruimte van de Forensische Opsporing. Hij heeft de setjes gemerkt door aan de binnenzijde van de kartonnen flap met een potlood een klein kruisje te zetten en aan de buitenzijde op de onderkant van de verpakking een punt/stip te zetten met een zwarte permanente marker.
Op 25 september 2019 heeft eiser de door hem bestelde werkhandschoenen, die in een sealbag waren verstuurd, meegenomen naar zijn werkplek. Bij controle van de voorraad werkhandschoenen door de heer [naam] bleek dat de door eiser bestelde werkhandschoenen in de maat 10, anders dan de maten 9 en 11, niet bij de voorraad in het magazijn lagen. De heer [naam] is vervolgens bij de privéauto van eiser gaan kijken en hij zag door de achterruit de sealbag in deze auto liggen. Hij heeft mevrouw [naam], operationeel expert, ingelicht en zij samen de heer [naam], teamchef van eiser. Ook zij hebben geconstateerd dat er een zwarte sealbag in eisers privéauto lag.
De heer [naam] en mevrouw [naam] hebben eiser daarop geconfronteerd met het feit dat er een pakket van de Forensische Opsporing in zijn auto lag. Eiser ontkende dat hij goederen van de Forensische Opsporing in zijn bezit had. Vervolgens zijn zij met eiser hierover in gesprek gegaan. Daarop zijn de heer [naam] en mevrouw [naam] samen met eiser naar zijn privéauto gegaan. Uiteindelijk heeft eiser op verzoek van de heer [naam] de sealbag uit zijn privéauto gepakt. In de sealbag bevond zich het ontbrekende setje met werkhand-schoenen in maat 10.
Op 25 september 2019 is eiser door de heer [naam] naar huis gestuurd op verdenking van het plegen van een strafbaar feit (diefstal en/of verduistering van de werkhandschoenen) en het plegen van plichtsverzuim. Naar aanleiding hiervan is een strafrechtelijk en een disciplinair onderzoek gestart. Op 21 november 2019 is rapport opgemaakt in het strafrechtelijk onderzoek en op 11 december 2019 een rapport in het disciplinair onderzoek.
Bij besluit van 26 september 2019 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en hem de toegang tot en het verblijf in de dienstlokalen, dienstgebouwen en dienstterreinen van de politie ontzegd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 april 2020, verzonden op 23 april 2020, ongegrond verklaard. Eiser heeft in dit besluit berust.
Op 10 februari 2020 is verweerder door het Openbaar Ministerie op de hoogte gesteld van het feit dat eiser niet strafrechtelijk wordt vervolgd, omdat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor diefstal of verduistering. De zaak tegen eiser is daarom afgedaan met een sepot wegens gebrek aan bewijs.
Bij brief van 4 maart 2020 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem wegens plichtsverzuim de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar op te leggen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zich ter zake van het verweten gedrag te verantwoorden en ter zake van de voorgenomen strafoplegging zijn zienswijze te geven. Van deze gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt.
Bij het primaire besluit heeft verweerder zijn voornemen van 4 maart 2020 ten uitvoer gelegd. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door de werkhandschoenen, zijnde eigendom van de politie, zonder toestemming weg te nemen en in zijn privéauto te leggen. Anders dan in het primaire besluit wordt eiser niet langer verweten dat hij de werkhandschoenen heeft weggenomen om deze voor eigen gebruik aan te wenden. Verweerder vindt de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar evenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat eiser veel heeft meegemaakt in zijn privéleven waardoor hij niet goed in zijn vel zat en slecht sliep, dat de afhandeling van het disciplinaire traject veel tijd in beslag heeft genomen en dat eiser al die tijd buiten functie was gesteld en lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd. Ook wil verweerder eiser de kans geven het vertrouwen terug te winnen, gezien zijn lange staat van dienst en het feit dat hij ondanks alles een harde werker is.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de proeftijd onmiddellijk is ingegaan.
3. Eiser betwist dat hij zich aan het hem verweten plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Hij stelt dat het onderbuikgevoel van verweerder onvoldoende is om overtuigd te zijn dat eiser de aan hem verweten gedraging heeft begaan. Eiser heeft aangegeven dat hij de werkhandschoenen in maat 10 in de dienstauto’s heeft willen leggen, omdat die nodig waren voor werkzaamheden. Hij stelt dat zijn privéauto vol lag met karton afkomstig van privé werkzaamheden en dat hij karton uit zijn privéauto heeft gehaald om in de kartonbak van het werk te gooien. Om het karton te kunnen pakken, heeft hij de sealbag met de werkhand-schoenen achter in zijn eigen auto gelegd. Hij is vervolgens naar de kartonbak gelopen om het karton weg te gooien en is daarna een stekker gaan halen, omdat hij nog een dienstauto moest opladen. Hij is er niet meer aan toegekomen om de werkhandschoenen over de dienstauto’s te verdelen, omdat hij werd meegenomen ter confrontatie met de “verduistering”. Eiser benadrukt dat het zijn taak was de werkhandschoenen in de dienstauto’s aan te vullen, dat de werkhandschoenen niet eens zijn maat hadden, dat de handschoenen niet verborgen waren in zijn auto en dat zijn gedrag, voor zover dat vreemd was, een gevolg moet zijn geweest van overspannenheid die hij had opgelopen in zijn werk in combinatie met ernstige beschuldigingen. Eiser werd als onschuldige geconfronteerd met een ernstige beschuldiging en was daardoor van slag. Hij heeft in dit verband een intakeverslag van een psycholoog van Ascender van 30 oktober 2019 overgelegd, alsmede informatie van de bedrijfsarts van
11 december 2020.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan de straf van ontslag worden opgelegd.
Op grond van artikel 78, eerste lid, van het Barp kan bij het opleggen van een straf worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.
Volgens vaste rechtspraak gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
Eiser heeft in het strafrechtelijk onderzoek het volgende verklaard:
”De set met maat 10 nam ik mee om in de VOA voertuigen te leggen. Dit is een tussenmaat die door de meeste collega’s wordt gebruikt. (…) Ik pakte wat dozen uit mijn auto om die in de container te gooien. Ik had mijn handen vol en legde het zakje met handschoenen in mijn auto. (…) Er bleven ook dozen in mijn auto achter. (…) De kartoncontainer staat in de garage en ik gooide het karton er in. (…) Toen ik naar de containers liep zag ik de auto staan die in eerste instantie slecht startte en ik dacht o ja ik moet zo die auto nog starten. Ik realiseerde me dat ik eerst die lader nodig had voor die accubooster die ik nodig had om de auto te starten. Ik liep weer naar de afdeling toe, de frontoffice. (…) toen kwam [naam] binnen op de frontoffice en ze vroeg me mee te lopen naar [naam] die boven zou zitten. Ik kwam samen met Anne Marie op de kamer van [naam] en mij werd door [naam] verteld dat ik verdacht werd van diefstal. (…) Ik sloeg helemaal dicht en [naam] stelde voor naar mijn auto te lopen. (…) Ik maakte vervolgens, op verzoek van [naam], de achterdeuren open. Ik had op dat moment geen enkel besef dat ik de handschoenen in mijn auto had achtergelaten. Ik schoof nog wat karton heen en weer. [naam] zei daar ligt het toch en wees op het zakje met handschoenen, die in een soort sealbag zitten. [naam] pakte vervolgens de zak op en vroeg of ik mee naar binnen wilde lopen.”
Mevrouw [naam] heeft in het strafrechtelijk onderzoek verklaard dat eiser na het openen van de achterdeur van zijn auto direct naar het karton achterin zijn auto heeft gegrepen en vervolgens gereedschap, auto-onderdelen en andere niet relevante zaken uit zijn auto heeft getrokken, waarop de heer [naam] eiser heeft gevraagd: ”Edwin, waarom pak je nou niet de sealbag die je daar net onder het karton hebt liggen”. De heer [naam] heeft vervolgens de sealbag gepakt, erin gekeken en eiser gevraagd wat het is. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij de plastic zak wilde weggooien net als het karton. Hierna is eiser op het kantoor van de heer [naam] gehoord. Eiser heeft toen verklaard dat hij de handschoenen in het magazijn waar deze worden opgeslagen heeft neergelegd en dat daarna de plastic zak en het karton weg wilde gooien en deze in zijn auto heeft gelegd. Hem is vervolgens voorgehouden dat het vreemd is dat hij de zak wilde weggooien, terwijl het toch duidelijk is dat de zak niet leeg was. Eiser heeft hierop gezegd dat hij het karton en de zak in handen had en dat niet kon voelen.
De heer [naam] heeft in een e-mail van 25 september 2021 verklaard dat hij samen met eiser naar zijn auto is gegaan waar eiser allerlei spullen in die auto heeft laten zien, maar niet de sealbag met handschoenen, en dat eiser er nog een kartonnen plaat overheen schoof, zodat die sealbag voor hem uit het zicht raakte. Nadat de sealbag onder het karton vandaan was gehaald, heeft eiser gezegd dat hij niet wist dat er nog handschoenen in die sealbag zaten.
De heer [naam] heeft in het strafrechtelijk onderzoek verklaard dat eiser, nadat hij hem had gevraagd om de sealbag te pakken, heeft aangegeven dat hij karton in de oud papierbak wilde gooien en de sealbag er misschien aangeplakt had gezeten, dat het onbedoeld in zijn auto terecht was gekomen. Hij heeft eiser voorgehouden dat er toch handschoenen in zaten en dat je dat wel kon voelen.
In het disciplinair onderzoek heeft eiser verklaard dat hij het karton apart van het plastic wilde weggooien en het plastic weg wilde gooien, nadat hij de handschoenen in de zijn privéauto had gelegd, dat hij het met het weggooien niet over de handschoenen had, maar over het plastic wat daar omheen zat.
De rechtbank stelt vast dat eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft eiser bij zijn auto verklaard dat hij de plastic sealbag weg had willen gooien en dat deze sealbag mogelijk aan het karton geplakt had gezeten en onbedoeld in zijn auto terecht was gekomen. Het karton had eiser van huis meegenomen en lag al in zijn auto, zodat deze verklaring van eiser ongeloofwaardig is. Verder heeft eiser, nadat hem door de heer [naam] was voorgehouden dat er werkhandschoenen in de plastic sealbag zaten en je dit kon voelen, gezegd dat hij niet wist dat er nog werkhandschoenen in de sealbag zaten. Eiser heeft vervolgens terug op het kantoor van de heer [naam] verklaard dat hij de handschoenen in het magazijn waar deze worden opgeslagen heeft neergelegd, daarna de plastic zak en het karton weg wilde gooien en deze in zijn auto heeft gelegd. Hij heeft gezegd dat hij het karton en de sealbag in zijn handen had en niet kon voelen dat de sealbag niet leeg was. Eiser heeft dus zowel bij zijn auto als op het kantoor van de heer [naam] verklaard dat hij dacht dat er een lege plastic sealbag in zijn auto lag. Gezien het feit dat er 12 paar werkhandschoenen in de sealbag zaten, acht de rechtbank dit eveneens ongeloofwaardig. De rechtbank stelt verder vast dat eiser tot twee maal toe nadrukkelijk de suggestie heeft gewekt dat de handschoenen per ongeluk in zijn auto terecht zijn gekomen. Dit valt niet te rijmen met zijn latere verklaring dat hij de werkhandschoenen bewust in zijn auto had gelegd, omdat hij die op een later moment over de dienstauto’s wilde verdelen. Dat eiser de werkhandschoenen over de dienstauto’s wilde verdelen, heeft hij bovendien pas in het bezwaarschrift van 4 november 2019 tegen het besluit van 26 september 2019 naar voren gebracht. Als dat het geval was, valt niet in te zien waarom hij dat niet aanstonds heeft verklaard. Dat zou hem immers direct hebben vrijgepleit. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de confrontatie heeft gehandeld door overspannenheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet was dichtgeklapt, zoals hij zelf stelt, maar juist zijn leidinggevende er aanhoudend van heeft proberen te overtuigen dat de handschoenen onbedoeld in zijn auto terecht waren gekomen. De rechtbank acht eisers latere verklaring dat hij de werkhandschoenen over de dienstauto’s wilde verdelen daardoor evenmin geloofwaardig.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksgegevens deugdelijk zijn vastgesteld en een voldoende basis bieden voor de overtuiging dat eiser de hem verweten gedraging heeft begaan. Eiser heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.
Niet is gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet kan worden toegerekend. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser hiervoor disciplinair te straffen. De rechtbank is van oordeel dat de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Aan politieambtenaren mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Eiser heeft door zijn gedrag het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
|
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.P. Heijmans, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: |
||
|
griffier |
voorzitter |
|
|
Afschrift verzonden aan partijen op: |
||
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.