Arbeidsrecht
Eisende partij is als uitzendkracht werkzaam geweest. Verkeerde partij gedagvaard.
Rechtbank Gelderland, 24 december 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:9425 · Rechtbank Gelderland · 24 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/arbeidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2024-9425
Zaakgegevens
Op 24 december 2024 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 24 december 2024
- Datum publicatie
- 23 december 2024
- Zaaknummer
- 11234192 CV EXPL 24-2167
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2024:9425
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eisende partij is als uitzendkracht werkzaam geweest. Verkeerde partij gedagvaard.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11234192 \ CV EXPL 24-2167
Vonnis van 24 december 2024
in de zaak van
[eiseres] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. A. van Schaik,
toevoeging [nummer] ,
tegen
[gedaagde] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.J. Willems.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juli 2024,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] is vanaf 13 juni 2022 tot 16 september 2022 als uitzendkracht werkzaam geweest. Over die periode is er ook woonruimte aan [eiseres] ter beschikking gesteld.
[gedaagde] is een uitzendbureau dat zich onder meer specialiseert in het uitzenden van personeel aan bedrijven in de schoonmaakbranche. [gedaagde] is op
13 april 2023 opgericht. De bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde] is [bedrijf 1] [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1]
Daarnaast bestaan er nog meer ondernemingen met de naam ‘ [bedrijf 2] ’ waarvan [naam 1] (tweedegraads) bestuurder is. Eén van die ondernemingen is de eenmanszaak [gedaagde] . Deze eenmanszaak is op 11 februari 2016 opgericht en op 13 april 2023 uitgeschreven in de Kamer van Koophandel. Met ingang van die datum is de eenmanszaak voortgezet door [bedrijf 3] De enig aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming is [bedrijf 1]
3 Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallig loon inclusief vakantiegeld over de periode van 23 augustus 2022 tot en met
16 september 2022 ter hoogte van € 2.117,19 bruto en uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren. Daarnaast vordert zij terugbetaling van de borg van € 200,00.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij vanaf 13 juni 2022 tot
en met 16 september 2022 in dienst was bij [gedaagde] moet het achterstallig loon over de periode vanaf 23 augustus 2022 tot en met 16 september 2022 uitbetalen. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij in verband met de aan haar ter beschikking gestelde woonruimte een borg van € 200,00 aan [gedaagde] heeft betaald, welk bedrag moet worden terugbetaald.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert kort gezegd tot
niet-ontvankelijkheid van [eiseres] omdat zij de verkeerde partij heeft gedagvaard en vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.
4 De beoordeling
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet de juiste partij heeft gedagvaard. Dit wordt hierna uitgelegd.
Uit de door partijen overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt
dat [gedaagde] pas op 13 april 2023 is opgericht. Vaststaat dat er geen inbreng heeft plaatsgevonden vanuit enig ander bedrijf. Volgens [gedaagde] is het daarom onmogelijk dat er tussen partijen een rechtsverhouding heeft bestaan uit hoofde waarvan [eiseres] recht heeft op betaling van achterstallig loon dan wel terugbetaling van een borgsom. [eiseres] heeft deze stelling niet weersproken. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van enige rechtsverhouding tussen partijen.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij [gedaagde] evenwel kan aanspreken tot betaling van het achterstallig loon. Ter onderbouwing daarvan heeft zij, althans zo worden haar stellingen daaromtrent begrepen, het volgende aangevoerd.
Het is aannemelijk dat [eiseres] in dienst is geweest bij de eenmanszaak [gedaagde] . Daarvan was [naam 1] de eigenaar. [naam 1] was dan ook verantwoordelijk voor de betaling van het achterstallig loon, hetgeen hij ook heeft erkend. De eenmanszaak [gedaagde] is echter op 13 april 2023 voortgezet door [bedrijf 3] De rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst zijn daarmee – dan wel op grond van overgang van onderneming of opvolgend werkgeverschap – overgegaan op [bedrijf 3] [naam 1] is (tweedegraads) bestuurder van [bedrijf 3] , zodat [naam 1] aansprakelijk is (gebleven) voor de betaling van het achterstallig loon. Omdat [naam 1] de centrale spil is in deze kwestie en [naam 1] ook (tweedegraads) bestuurder is van [gedaagde] , kan [gedaagde] (ook) worden aangesproken tot betaling van het achterstallig loon, aldus steeds [eiseres] .
Dit betoog kan haar niet baten. Kennelijk wenst [eiseres] (ook) [naam 1] tot
betaling van het achterstallig loon aan te spreken al dan niet op grond van (tweedegraads) bestuurdersaansprakelijkheid. Wat daar verder inhoudelijk ook van zij, [naam 1] is niet gedagvaard. Anders dan [eiseres] meent, blijkt dit ook niet uit het lichaam van de dagvaarding. [naam 1] is dus geen partij in deze procedure. Daarnaast gaat [eiseres] er ten onrechte vanuit dat, voor zover [naam 1] al gehouden zou zijn het achterstallig loon te betalen, [gedaagde] met succes tot betaling kan worden aangesproken enkel en alleen omdat [naam 1] daarvan ook (tweedegraads) bestuurder is.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
476,00 |
(2 punten × € 238,00) |
|
- nakosten |
€ |
119,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
595,00 |
5 De beslissing
De kantonrechter
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024. (ldj) |
||