Arbeidsrecht

Loonvordering wordt toegewezen. Overige geldvorderingen worden wegens het ontbreken van een spoedeisend…

Rechtbank Gelderland, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Nijmegen
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
K/5001/12349929
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7814
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Loonvordering wordt toegewezen. Overige geldvorderingen worden wegens het ontbreken van een spoedeisend belang afgewezen. Verder wordt de werkgever veroordeeld tot nakoming van de re-integratieverplichtingen middels pendelmediation. Een voorwaardelijke non-actiefstelling wegens een lopend strafrechtelijk onderzoek staat immers aan een begeleid gesprek op afstand niet in de weg.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer: 12349929 \ VV EXPL 26-64

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mrs. L.A. Pruis en [gemachtigde] ,

tegen

[bedrijf] C.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [bedrijf] ,

gemachtigde: mr. F.J. van Wijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14
- de producties 1 en 2 van [bedrijf] van 25 september 2026
- de producties 15 tot en met 19 van [eiser] van 29 september 2026

- de producties 3 tot en met 10 van [bedrijf] van 30 september 2026
- de producties 11 en 12 van [bedrijf] van 30 september 2026.

1.2.

Op 1 oktober 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen en hun gemachtigden hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De gemachtigde van [eiser] heeft de eis bij spreekaantekeningen gewijzigd. De kantonrechter zal in het hiernavolgende beslissen op deze gewijzigde eis.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is met ingang van 1 juni 1982 in dienst getreden bij [bedrijf] . Hij verricht zijn werkzaamheden voornamelijk vanuit Nijmegen. [eiser] vervult de functie van [functie] tegen een laatstelijk geldende salaris van € 8.277,16 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2.

Op 26 augustus 2025 heeft [eiser] zich ziekgemeld.

2.3.

Op 27 november 2025 heeft [eiser] de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om op korte termijn een gesprek via een onafhankelijke mediator in te plannen en dit gelet op de medische klachten van [eiser] vorm te geven middels pendelmediation.

2.4.

Op 8 januari 2026 heeft een vervolgconsult plaatsgehad. De bedrijfsarts heeft toen geconstateerd dat het mediationtraject nog niet was opgestart en herhaald dat de medische situatie door het conflict in stand werd gehouden met het advies om dit conflict alsnog op korte termijn via pendelmediation op te lossen.

2.5.

Bij e-mail van 7 mei 2026 heeft de gemachtigde van [bedrijf] aan [eiser] , voor zover van belang, het volgende geschreven:

“(…) Overigens is er een onderzoek gestart naar geconstateerde onrechtmatigheden. Het vermoeden is dat uw cliënt daarbij betrokken is. Ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid verricht uw cliënt op dit moment geen werkzaamheden. Zou hij daar op enig moment wel weer toe in staat zijn, dan stelt t cliënte uw cliënt gedurende het onderzoek op non-actief teneinde het onderzoek niet

te frustreren. (…)”

2.6.

Op 11 mei 2026 heeft het UWV een deskundigenoordeel afgegeven. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) De bedrijfsarts heeft herhaaldelijk, in november en januari, geadviseerd om het arbeidsconflict aan te pakken door (pendel)mediation op te starten. Dit advies is niet opgevolgd. (…) Omdat de bedrijfsarts het advies om een mediator in te schakelen herhaaldelijk heeft gegeven en dit nog steeds niet is uitgevoerd, is er sprake van gemiste re-integratiekansen. De werkgever blijft eindverantwoordelijk voor de re-integratie en dient derhalve adequaat te handelen wanneer er sprake is van een arbeidsconflict. (…) De re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn niet voldoende. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [bedrijf] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen:

a. loon september 2026: € 8.277,16 bruto

b. de wettelijke verhoging tot en met 29 september 2026,

althans tot aan de dag van betaling van: € 18.777,18 bruto

c. de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van iedere

betalingsperiode tot aan de dag van betaling,

II. [bedrijf] te veroordelen om mee te werken aan de re-integratieverplichtingen en het advies van de bedrijfsarts te volgen, te weten pendelmediation, zeven kalenderdagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [bedrijf] in gebreke zal blijven om daaraan te voldoen, zulks met een maximum van € 20.000,00,

III. [bedrijf] te veroordelen om binnen zeven kalenderdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] de lening van € 8.481,01 te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf datum vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel om [bedrijf] te veroordelen om binnen zeven kalenderdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] de achterstallige aflossingen van € 2.595,00 te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf datum vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

IV. [bedrijf] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.182,28 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, tot aan de dag der algehele voldoening,

V. [bedrijf] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen zeven kalenderdagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over de (na)kosten, tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [bedrijf] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de wet. [bedrijf] heeft het salaris over de maand september 2026 ter hoogte van € 8.277,16 bruto niet tijdig voldaan en is daarnaast haar re-integratieverplichtingen niet nagekomen door het advies van de bedrijfsarts tot het opstarten van pendelmediation niet op te volgen.

3.3.

[bedrijf] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van dit geschil betreft de vraag of [bedrijf] moet worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon over de maand september 2026, tot medewerking aan het re-integratietraject via pendelmediation en tot voldoening van het restant van een geldlening met nevenvorderingen.

4.2.

Bij de beoordeling van deze vorderingen stelt de kantonrechter voorop dat een voorlopige voorziening in kort geding een ordemaatregel betreft waaraan het vereiste van een spoedeisend belang ten grondslag ligt. Of een eisende partij voldoende spoedeisend belang heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.

4.3.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. Bovendien geldt dat bij betwiste of afzonderlijk ingestelde nevenvorderingen het spoedeisend belang voor elke vordering afzonderlijk dient te worden vastgesteld.

4.4.

Toetsing van het gevorderde aan dit juridisch kader leidt ertoe dat voor een groot deel van de door [eiser] ingestelde geldvorderingen het vereiste spoedeisende belang ontbreekt. Ten aanzien van de vordering tot betaling van het restant van de geldlening, dan wel de achterstallige aflossingstermijnen heeft [eiser] ter zitting desgevraagd immers verklaard dat hij deze gelden niet direct nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Van een acute financiële noodzaak is derhalve niet gebleken. Deze kwestie leent zich dan ook voor behandeling in een bodemprocedure.

4.5.

Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten. Voor een vordering tot wettelijke verhoging geldt dat het spoedeisend belang niet zomaar vaststaat. Het had op de weg van [eiser] gelegen om het spoedeisend belang bij deze vordering concreet te onderbouwen. [eiser] heeft ter zitting slechts aangevoerd dat de wettelijke verhoging moet voorkomen dat er voor de toekomst een precedent wordt geschapen inzake te late betalingen. Dit levert echter geen acute financiële noodzaak of spoedeisend belang op. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten is het vereiste spoedeisende belang evenmin gesteld of gebleken. De kantonrechter komt wegens het ontbreken van een spoedeisend belang bij deze twee posten niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De vorderingen ter zake zullen dan ook worden afgewezen.

4.6.

Het vorenstaande brengt met zich dat de kern van dit geschil zich beperkt tot de loonvordering over september 2026 en de vordering tot medewerking aan de re-integratie via pendelmediation. Ten aanzien van deze vorderingen is het spoedeisend belang, gelet op de aard daarvan, gegeven.

4.7.

[bedrijf] heeft ten aanzien van het gevorderde salaris over de maand september 2026 ter zitting erkend dat dit salaris ten tijde van de zitting opeisbaar is geworden en heeft toegezegd tot betaling daarvan over te zullen gaan. Daarmee is de verschuldigdheid van deze vordering voldoende aannemelijk geworden. De vordering zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat daarop in mindering strekt hetgeen eventueel reeds door [bedrijf] ter zake is voldaan. De hierover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als hierna te melden.

4.8.

Ten aanzien van de vordering tot hervatting van de re-integratie via pendelmediation voert [bedrijf] als verweer aan dat [eiser] op non-actief is gesteld vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek volgt op een door [bedrijf] gedane aangifte van witwassen, valsheid in geschrifte en verduistering. Bovendien stelt [bedrijf] dat mediation op basis van vrijwilligheid plaatsvindt.

4.9.

De kantonrechter overweegt dat dit verweer faalt en wel om het volgende. Uit de eigen uitlatingen van [bedrijf] , waaronder de e-mail van haar gemachtigde van

7 mei 2026 en de toelichting ter zitting, volgt dat de aangezegde non-actiefstelling voorwaardelijk van aard is. Deze maatregel is door [bedrijf] immers uitsluitend ingesteld voor de situatie dat [eiser] weer in staat zou zijn om daadwerkelijk werkzaamheden op de werkvloer te verrichten, teneinde te voorkomen dat het lopende strafrechtelijke onderzoek zou worden gefrustreerd. Nu [eiser] tot op heden nog steeds arbeidsongeschikt is en de gevorderde re-integratieverplichting zich in dit stadium strikt beperkt tot het opstarten van pendelmediation, staat de voorwaardelijke non-actiefstelling aan toewijzing van deze specifieke verplichting niet in de weg. Pendelmediation behelst immers geen fysieke terugkeer op de werkvloer, maar een begeleid gesprek op afstand.

4.10.

Dat mediation in beginsel op basis van vrijwilligheid plaatsvindt, ontslaat een werkgever niet van haar wettelijke re-integratieverplichtingen. Uit het deskundigenoordeel van het UWV van 11 mei 2026 volgt dat de bedrijfsarts al sinds november 2025 herhaaldelijk heeft geadviseerd om pendelmediation in te zetten ter oplossing van het arbeidsconflict en dat het nalaten daarvan door [bedrijf] heeft geleid tot gemiste re-integratiekansen. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat de medische noodzaak tot pendelmediation aanwezig is, het advies van de bedrijfsarts daartoe helder is en de voorwaardelijke non-actiefstelling daaraan niet afdoet, zal de vordering tot medewerking aan de re-integratieverplichtingen en het volgen van het advies van de bedrijfsarts – te weten het starten van pendelmediation – worden toegewezen.

4.11.

Om te borgen dat [bedrijf] aan de veroordeling tot medewerking aan de pendelmediation gehoor geeft, is de gevorderde dwangsom eveneens toewijsbaar. De kantonrechter ziet wel aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren tot een bedrag van € 250,00 per dag dat [bedrijf] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00.

4.12.

Hoewel een deel van de geldvorderingen is afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang, geldt dat [bedrijf] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in verzuim verkeerde ten aanzien van de nakoming van haar re-integratieverplichtingen en de tijdige betaling van het salaris. Het instellen van deze procedure door [eiser] was derhalve noodzakelijk om nakoming op deze essentiële punten af te dwingen. Om die reden zal [bedrijf] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.13.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

155,67

- griffierecht

€

753,00

- salaris gemachtigde

€

865,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.917,67

4.14.

[eiser] vordert betaling van de proceskosten vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente over de proceskosten niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen het salaris over de maand september 2026 van een bedrag van € 8.277,16 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag (of het restant daarvan) vanaf de vervaldatum van de betreffende loonperiode tot aan de dag van algehele voldoening, verminderd met hetgeen [bedrijf] eventueel ter zake al aan [eiser] heeft voldaan,

5.2.

veroordeelt [bedrijf] om binnen zeven kalenderdagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de re-integratieverplichtingen en het advies van de bedrijfsarts op te volgen door haar medewerking te verlenen aan het opstarten van pendelmediation,

5.3.

veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder r.o. 5.2. voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.917,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

26396 \ 53854