Arbeidsrecht
kort geding, verstek, loonvordering toegewezen
Rechtbank Gelderland, 7 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:2974 · Rechtbank Gelderland · 7 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/arbeidsrecht/kort-geding/ecli-nl-rbgel-2026-2974
Zaakgegevens
Op 7 april 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 7 april 2026
- Datum publicatie
- 15 april 2026
- Zaaknummer
- 12126475
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2974
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
kort geding, verstek, loonvordering toegewezen
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12126475 \ VV EXPL 26-27
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[naam eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. E.C. Koster,
toevoegingsnummer: 4RB1357
tegen
VERDUURZAMING CENTRUM NEDERLAND B.V.,
kantoorhoudende te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VCN,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 10 maart 2026 en de bijbehorende producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026, waar [de eiser] en haar gemachtigde aanwezig waren. VCN is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is besproken.
Daarna is vonnis bepaald.
2 Het geschil en de beoordeling
Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen VCN verstek verleend.
[de eiser] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, VCN te veroordelen tot betaling aan haar van:
o een bedrag van € 861,20 bruto aan achterstallig loon over de dagen 15, 22, 29 en 30 juli en 22 oktober 2025,
o een bedrag van € 861,24 bruto over de maand november 2025,
te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de maximale wettelijke verhoging,
-
het verstrekken aan [de eiser] van loonstroken over de maanden juli en december 2025, januari en februari 2026 en de gecorrigeerde loonstroken over oktober en november 2025 en de jaaropgave 2025 op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of een gedeelte daarvan dat VCN in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen,
-
betaling aan [de eiser] van de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de opeisbaarheid totdat alles is betaald,
-
betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (1 augustus 2025 tot en met 28 februari 2026) heeft bestaan. Op grond van deze arbeidsovereenkomst heeft [de eiser] voor 32 uur per week werkzaamheden verricht voor VCN als buitendienst medewerker, tegen een brutoloon van
€ 3.000,00 exclusief 8% vakantietoeslag. Buiten haar contracturen om heeft zij extra gewerkt op 15, 22, 29 en 30 juli en 22 oktober 2025.
Nu de vordering betrekking heeft op achterstallig loon heeft [de eiser] spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorziening. De vorderingen komen niet onrechtmatig of ongegrond voor en het is daarom aannemelijk dat zij in een bodemprocedure eveneens voor toewijzing in aanmerking komen. De vorderingen worden daarom toegewezen, met inachtneming van en met uitzondering van het navolgende.
Voor wat betreft de vordering tot betaling van het salaris over de gewerkte uren op 15, 22, 29 en 30 juli 2025 heeft [de eiser] ter zitting toegelicht dat zij door VCN gevraagd is om voor 1 augustus 2025 (en dus voor aanvang van de arbeidsovereenkomst) te starten met haar werkzaamheden. Op deze dagen is zij bij klanten geweest, heeft zij gesprekken gevoerd met de klanten en gegevens ten behoeve van offertes ingevoerd. Daarnaast heeft [de eiser] WhatsApp berichten overgelegd waaruit de afspraken bij de klanten op die dagen blijken. Dat betekent dat [de eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op die dagen in opdracht van VCN werkzaamheden heeft verricht waarvan zij redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat zij die verrichtte in het kader van de arbeidsovereenkomst, waarvan de ingangsdatum feitelijk is vervroegd. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht [de eiser] er dan ook op vertrouwen dat zij voor haar inzet in juli 2025 betaald zou krijgen. Het gevorderde bedrag over deze dagen zal overeenkomstig het in het kader van de arbeidsovereenkomst overeengekomen loon dan ook worden toegewezen. Dit geldt ook voor de extra gewerkte uren op 22 oktober 2025, nu [de eiser] ter zitting heeft verklaard dat zij op 22 oktober 2025 daadwerkelijk extra uren heeft gewerkt en deze uren niet als tijd voor tijd op een ander moment heeft opgenomen.
Het gevorderde restantloon over november 2025 ten bedrage van € 861,24 bruto wordt toegewezen, met dien verstande dat het door VCN aan [de eiser] op 19 januari 2026 betaalde bedrag van € 545,24 netto, welke betaling VCN overigens niet heeft gespecificeerd, hierop in mindering strekt.
De over het toe te wijzen loon over de dagen 15, 22, 29 en 30 juli en 22 oktober 2025 en het restantloon over november 2025 gevorderde vakantietoeslag, de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente worden eveneens toegewezen.
Het verzoek van [de eiser] om VCN te veroordelen tot het verstrekken van de loonstroken over de maanden juli en december 2025 en januari en februari 2026, de gecorrigeerde loonstroken over oktober en november 2025 en de jaaropgave van 2025, is eveneens toewijsbaar, maar de termijn die VCN daarvoor krijgt zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis. Aan de veroordeling zal een dwangsom worden gekoppeld van € 100,00 per dag met een maximum van € 2.500,00.
VCN wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal VCN niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
|
|
Totaal |
€ |
1.102,00 |
3 De beslissing
De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
veroordeelt VCN om aan [de eiser] te betalen:
-
een bedrag van € 861,20 bruto aan achterstallig loon over de dagen 15, 22, 29 en 30 juli en 22 oktober 2025,
-
een bedrag van € 861,24 bruto over de maand november 2025, met dien verstande dat het op 19 januari 2026 betaalde bedrag van € 545,24 netto hierop in mindering strekt,
te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid totdat alles is betaald,
veroordeelt VCN om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [de eiser] de loonstroken over de maanden juli en december 2025 en januari en februari 2026, de gecorrigeerde loonstroken over oktober en november 2025 en de jaaropgave van 2025, te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom € 100,00 voor iedere dag dat VCN die verplichting niet of niet volledig nakomt met een maximum van € 2.500,00
veroordeelt VCN in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026. |
||
44356 \ 498