Civiel recht overig
Incident. Rechtsmacht en niet-ontvankelijkheid. Artikel 1074 Rv. Artikel II Verdrag van New York. Er is…
Rechtbank Gelderland, 9 december 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:7141 · Rechtbank Gelderland · 9 december 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2020-7141
Zaakgegevens
Op 9 december 2020 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 9 december 2020
- Datum publicatie
- 16 maart 2021
- Zaaknummer
- 375077
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2020:7141
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Incident. Rechtsmacht en niet-ontvankelijkheid.
Artikel 1074 Rv. Artikel II Verdrag van New York. Er is sprake van een gebrek ten aanzien van de formele geldigheid van de arbitrageovereenkomst, nu moet worden aangenomen dat partijen geen schriftelijke arbitrageovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank faalt.
De vraag of eiser ten aanzien van twee van de drie gedaagden niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat eiser twee verkeerde (rechts)personen heeft gedagvaard wordt ontkennend beantwoord. De door gedaagden ingenomen stelling betreft een inhoudelijk geschilpunt dat kan leiden tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak tegen deze (rechts)personen. Deze stelling heeft daarmee betrekking op het bestaan en de aard van de materiële rechtsbetrekking tussen partijen. De vordering tot niet-ontvankelijkheid is daarom geen incident in de zin van artikel 208 lid 1 Rv, maar betreft een principaal verweer.
Vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten wordt afgewezen nu geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door gedaagden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/375077 / HA ZA 20-483
Vonnis in incident van 9 december 2020
in de zaak van
[naam 1]
wonende te [Rusland] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. F.M. van Hasselt te Deventer,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats]
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2]
statutair gevestigd te Opheusden, kantoorhoudende te Maastricht,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 3] ,
statutair gevestigd te Opheusden, kantoorhoudende te Maastricht,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. C. Grondsma te Leeuwarden.
Eiser in de hoofdzaak zal hierna [naam 1] genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden, dan wel ieder afzonderlijk respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties
-
de incidentele conclusie tot onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid, tevens conclusie van
antwoord van [gedaagden]
- de conclusie van antwoord in het incident van [naam 1] .
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De feiten
Voor de beoordeling van de vorderingen in dit incident moet vooralsnog van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.
[gedaagde 1] is aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is op haar beurt aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 3] . Sinds 14 april 2008 is de echtgenote van [gedaagde 1] , mevrouw [naam 3] , medebestuurder van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
[naam 1] en zijn echtgenote, mevrouw [naam 2] , zijn in 1993 een samenwerking aangegaan met [gedaagden] , die betrekking had op de exploitatie van restaurant- en cateringbedrijven binnen musea in St. Petersburg in Rusland. De samenwerking kwam erop neer dat [gedaagde 1] via [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] ging deelnemen in joint venture vennootschappen die in Rusland werden opgericht en van waaruit deze exploitatie plaatsvond. De structuur was steeds zo dat het betreffende museum en [gedaagde 3] elk 49,5-49,75% van de aandelen kregen en [naam 1] en [naam 1] via hun vennootschap Koepol 1-0,5%.
In de periode 1993-2004 zijn in totaal zes joint ventures opgericht. Ter financiering van deze vennootschappen heeft [gedaagde 3] in de periode 1993-2013 geldleningen verstrekt aan de joint ventures voor een totaalbedrag van ongeveer € 2.500.000,00. [naam 1] trad op als algemeen directeur van al deze vennootschappen, [naam 2] als commercieel directeur.
Op 18 december 1998 hebben [gedaagden] en [naam 1] en [naam 2] een ‘Letter of Intent’ gesloten (hierna: de LOI). Hierin verklaren zij het volgende te zijn overeengekomen:
1. Indien [gedaagde 1] zijn aandelen [gedaagde 2] verkoopt, is hij verplicht vijfentwintig procent (25%) van de
hierna omschreven winst binnen een maand na betaling van de koopprijs te betalen aan [naam 1] .
Indien [gedaagde 2] haar aandelen [gedaagde 3] verkoopt, is hij verplicht vijfentwintig procent van de hierna omschreven
winst binnen een maand na betaling van de koopprijs te betalen aan [naam 1] .
Indien [gedaagde 3] haar aandelen in een joint-venture verkoopt, is deze overeenkomst van overeenkomstige
toepassing.
2. Onder winst wordt verstaan de verkoopopbrengst van de aandelen verminderd met:
a. het nominale bedrag van de waarde van de aandelen;
b. de door de verkoper terzake van deze verkoop verschuldigde belasting.
3. Indien een gedeelte van de aandelen wordt verkocht, is het bovenstaande naar rato van toepassing.
4. Deze overeenkomst is aangegaan onder de opschortende voorwaarde:
a. dat [naam 1] en voormelde Joint-ventures hun verplichtingen voortvloeiende uit de samenwerking met
Heineken en andere sponsors, aan partijen voldoende bekend, geheel zijn nagekomen;
b. dat de Joint-ventures tezamen jaarlijks minimaal Hfl. 65.000 hebben afgelost op de rentevrije lening die
verstrekt is door [gedaagde 3] aan deze Joint-ventures;
c. dat [gedaagde 3] respectievelijk [gedaagde 2] al haar schulden aan de heer [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] heeft afgelost.
5. Deze overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat [gedaagde 3] ten tijde van de verkoop geen
aandeelhouder meer is in voormelde Joint-ventures.
6. Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uit deze overeenkomst zal [gedaagde 3] een bedrag
gelijk aan vijftien procent (15%) van de aflossingen van de sub 4.b. vermelde rentevrije lening verstrekt door
[gedaagde 3] storten op een rekening waarover [gedaagde 3] en [naam 1] samen bevoegd zijn. Zodra [naam 1] aanspraak kan
maken op de sub 1. vermelde winst of andere winstuitkering zal het saldo van deze rekening toekomen aan
[naam 1] en verrekend worden met zijn winstaanspraak. Zodra onherroepelijk vaststaat dat [naam 1] geen
aanspraak meer kan maken op de winst komt het saldo toe aan [gedaagde 3] .
7. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit deze
overeenkomst.
Per 1 december 2015 respectievelijk 1 maart 2016 zijn [naam 1] en [naam 3] feitelijk met pensioen gegaan.
3 Het geschil in de hoofdzaak
[naam 1] vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt:
1. tot betaling van € 54.416,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans met
4% contractuele rente, althans met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017, althans
vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige voldoening,
2. tot betaling van US $ 208.194,31 (of het equivalent daarvan in euro’s, op het moment van
betaling), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans met 4% contractuele
rente, althans met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017, althans vanaf de dag van
dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling,
3. tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 4.804,00,
4. tot betaling van de kosten van dit geding.
[naam 1] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Omdat het voor [naam 1] duidelijk was dat zijn aanspraken onder de LOI voor een groot deel uit toekomstmuziek bestonden heeft [naam 1] met [gedaagde 1] afgesproken dat hij jaarlijks, in aanvulling op zijn reguliere salaris, een variabele beloning zou ontvangen, bestaande uit een deel van de dividenduitkeringen die [gedaagde 3] van de joint ventures ontving. In dit verband hebben partijen vanaf 27 april 2005 jaarlijks een balans (balance sheet) opgemaakt waarin de door [gedaagden] aan [naam 1] verschuldigde bedragen werden opgenomen. Op
24 november 2015 is voor het laatst een balance sheet (over 2014) opgemaakt tussen partijen. Uit deze door [gedaagde 1] en [naam 1] ondertekende balans blijkt dat [gedaagden] per die datum $ 208.194,31 en € 54.416,30 aan [naam 1] was verschuldigd. Ondanks verzoeken en sommaties van [naam 1] is [gedaagden] tot op heden echter weigerachtig genoemde bedragen aan hem te voldoen. Primair stelt [naam 1] dat hij van jaar tot jaar een vordering heeft verkregen in verband met de exploitatie van de joint ventures en dat hij uit hoofde van de balance sheet over 2014 een opeisbare vordering heeft op [gedaagden] Subsidiair stelt [naam 1] dat indien uit de balance sheets niet afdoende mocht blijken dat [naam 1] de daarin vermelde bedragen definitief toekomen, het schriftelijke contract tussen partijen, bestaande uit de LOI en de balance sheets, een leemte bevat die moet worden aangevuld conform de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 BW. Een redelijke uitkomst is dan, zo stelt [naam 1] , dat de balance sheets alsnog geacht worden definitief te bepalen op welke variabele beloning [naam 1] recht heeft. Meer subsidiair doet [naam 1] een beroep op artikel 6:258 BW. Partijen hebben niet voorzien in de mogelijkheid dat [gedaagde 1] nooit zal overgaan tot verkoop van enig belang in de joint ventures of van aandelen in [gedaagde 2] of [gedaagde 3] , althans op zijn vroegst jaren nadat [naam 1] met pensioen is gegaan. [naam 1] vordert in dit geval wijziging van de overeenkomst, bestaande uit de LOI en de balance sheets, in die zin dat de balance sheets alsnog geacht worden definitief te bepalen op welke variabele beloning [naam 1] recht heeft.
[gedaagden] voert gemotiveerd verweer.
4 Het geschil in het incident
[gedaagden] vordert voor alle weren dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de door [naam 1] ingestelde vorderingen in de hoofdzaak, althans dat [naam 1] in zijn vorderingen jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet-ontvankelijk wordt verklaard, met veroordeling van [naam 1] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.
[gedaagden] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [gedaagden] , [naam 1] en Telitsyna hebben de LOI gesloten om nadere afspraken te maken in geval van verkoop van de aandelen die [gedaagde 1] (indirect) houdt in de joint ventures. Ter bepaling en vaststelling van de wijze van winstdeling uit de joint ventures zijn partijen die LOI overeengekomen. Aldus is de LOI met betrekking tot de winstverdeling verbonden met de joint venture overeenkomsten. De LOI verwijst ook terug naar de joint ventures. Dit bevestigt volgens [gedaagden] de samenhang tussen de LOI en de joint venture overeenkomsten. Tot slot veronderstelt de LOI ook dat partijen bekend zijn met de joint venture overeenkomsten. Op grond van artikel 17 van de joint venture overeenkomst dienen geschillen tussen partijen die verband houden met de joint ventures te worden beslecht middels arbitrage in Stockholm (Zweden). De LOI en de joint venture overeenkomst zijn met elkaar vervlochten. Het is inherent aan de aard van deze vervlechting dat de LOI en de joint venture overeenkomst niet op zichzelf kunnen bestaan. Dit betekent dat partijen expliciet dan wel impliciet met de in de joint venture overeenkomst opgenomen forumkeuze hebben ingestemd. Nu in de onderhavige kwestie een forumkeuze is overeengekomen, bepaalt artikel 25 Brussel I-bis (Verordening (EU) nr. 1215/2012) dat de overeengekomen rechter exclusief bevoegd is zich over de zaak te buigen. Op grond van artikel 4 juncto 5 juncto 6 Brussel I-bis is deze regeling van toepassing wanneer de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. Aangezien [gedaagden] is gevestigd in de EU is de Verordening van toepassing. Dit betekent volgens [gedaagden] dat de arbiter in Stockholm exclusief bevoegd is en dat deze rechtbank zich onbevoegd moet verklaren.
Verder stelt [gedaagden] dat uit de stukken blijkt dat [naam 1] zijn vorderingen baseert op de balance sheet over 2014 van [gedaagde 3] , voortvloeiend uit een mondelinge afspraak en niet uit de LOI. De balance sheet over 2014 is echter maar een registratiemiddel van [gedaagde 3] , waaraan [naam 1] geen verwachting tot directe uitbetaling kan ontlenen. Zo’n uitbetaling kreeg hij de jaren daarvoor immers ook niet. Verwarrend en onduidelijk is dan ook waarom [naam 1] tevens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gedagvaard. Zij hebben immers slechts een rechtsbetrekking met [naam 1] op grond van de LOI en niet op grond van de balance sheets. Volgens [gedaagden] dient [naam 1] daarom met betrekking tot [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen in de hoofdzaak. [naam 1] heeft twee verkeerde (rechts)personen gedagvaard.
[naam 1] voert gemotiveerd verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.
5 De beoordeling in het incident
Rechtsmacht
Het gaat in dit incident in de eerste plaats om de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en rechtbank Gelderland bevoegd is van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen, gelet op de stelling van [gedaagden] dat de arbiter in Stockholm exclusief bevoegd is, daarbij verwijzend naar artikel 17.1 van de joint venture overeenkomst.
De rechtbank stelt voorop dat de eventuele grond voor onbevoegdheid van de rechtbank moet worden gezocht in artikel 1074 Rv. Ingevolge dit artikel verklaart de rechter in Nederland, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten waaruit voortvloeit dat arbitrage buiten Nederland moet plaatsvinden, zich onbevoegd indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept (tenzij de overeenkomst ongeldig is onder het op die overeenkomst toepasselijke recht).
Het toetsingskader voor de incidentele vordering kan niet alleen worden gevonden in artikel 1074 Rv, maar ook in het Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (hierna: het Verdrag van New York). Dit verdrag kan naast of in de plaats van artikel 1074 Rv worden toegepast. Bij het Verdrag van New York zijn zowel Rusland als België en Nederland partij.
Op grond van het voorgaande zal eerst de geldigheid van de arbitrageovereenkomst moeten worden beoordeeld. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen formele geldigheid en materiële geldigheid.
De formele geldigheid ziet op (vorm)vereisten die aan de arbitrageovereenkomst worden gesteld. De vraag om welke vereisten het daarbij gaat, wordt beantwoord aan de hand van artikel II van het Verdrag van New York. Op grond van de leden 1 en 2 van dit artikel moet een arbitrageovereenkomst (onder meer) schriftelijk zijn overeengekomen tussen de partijen, zijnde een compromissoir beding in een overeenkomst of een akte van compromis, ondertekend door partijen of vervat in gewisselde brieven of telegrammen.
De joint venture overeenkomst waarnaar [gedaagden] verwijst betreft meer in het bijzonder de ‘Overeenkomst betreffende de oprichting en de activiteiten van een onderneming met buitenlandse investeringen (joint venture) De Besloten Vennootschap “Tsarskoseljsky Present” van 22 mei 1996 (hierna: de oprichtingsovereenkomst TP). In artikel 17.1 van (de vertaalde versie van) deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
In geval van geschillen tussen de Aandeelhouders over of in verband met deze Overeenkomst met betrekking tot de activiteiten van de Vennootschap, interpretatie, een vermeende schending of ongeldigheid, zullen de Partijen bij het geschil proberen om eerst een dergelijk geschil op te lossen door middel van vriendschappelijk overleg. Indien het geschil niet binnen 30 (dertig) dagen na het eerste overleg op deze manier kan worden opgelost, kan EEN van de Partijen of alle Partijen bij het geschil het geschil voorleggen aan arbitrage in Stockholm, Zweden. (…)
De rechtbank stelt vast dat dit artikel betrekking heeft op geschillen tussen de aandeelhouders. De aandeelhouders zijn blijkens de oprichtingsovereenkomst TP het staatsmuseum-reservaat ‘Tsarskoje Selo’, [gedaagde 3] en Koepol. [naam 1] is geen aandeelhouder en uit niets blijkt dat hij dat ooit is geweest. Aldus is [naam 1] geen partij (geweest) bij genoemde overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat [naam 1] een ander schriftelijk stuk heeft ondertekend waarin een arbitrageovereenkomst is opgenomen. De enige overeenkomst die [naam 1] in het kader van het in de hoofdzaak gerezen geschil met [gedaagden] heeft gesloten is de LOI van 18 december 1998. Deze LOI bevat zelf geen forumkeuzebeding. Evenmin bevat zij een verwijzing naar de oprichtingsovereenkomst TP. Het enkele feit dat de LOI verwijst naar de joint ventures is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat partijen daarmee expliciet dan wel impliciet met de in de oprichtingsovereenkomst TP opgenomen forumkeuze hebben ingestemd.
De slotsom is dan ook dat er sprake is van een gebrek ten aanzien van de formele geldigheid van de arbitrageovereenkomst, nu moet worden aangenomen dat partijen geen schriftelijke arbitrageovereenkomst met elkaar hebben gesloten.
Daar komt nog het volgende bij. [naam 1] baseert zijn vorderingen in de hoofdzaak op de tussen hem en [gedaagde 1] gemaakte afspraken, waarvan de schriftelijke vastlegging is geschied in de vorm van jaarlijks opgemaakte balance sheets. Deze afspraken behelsden volgens [naam 1] dat hij naast zijn reguliere salaris een variabele beloning zou ontvangen voor zijn activiteiten als algemeen directeur van de joint ventures en werden gemaakt omdat de inwerkingtreding van de winstdelingsregeling uit de LOI van 18 december 1998 eindeloos op zich liet wachten. [gedaagden] betwist dat de nadere afspraken met [naam 1] zagen op een variabele beloning. Volgens hem hebben partijen afgesproken dat [gedaagde 1] aan [naam 1] resultaatsafhankelijke verrekenbare voorschotbetalingen zou doen, welke betalingen zouden worden verrekend met het uit te keren winstdeel bij een eventuele aandelenverkoop. De balance sheets zijn volgens [gedaagden] niet meer dan een registratiemiddel voor de toekomstige aanspraak van [naam 1] .
Welke uitleg van de gemaakte afspraken ook de juiste is – dat dient in de hoofdzaak nader te worden beoordeeld – vastgesteld kan worden dat in de hoofdzaak met name de balance sheets en, meer op de achtergrond, de LOI de juridische basis vormen van de vorderingen van [naam 1] en dat het in ieder geval niet gaat om een geschil over of in verband met de oprichtingsovereenkomst TP met betrekking tot de activiteiten van de vennootschap, interpretatie, een vermeende schending of ongeldigheid van de overeenkomst, zoals in artikel 17.1 van de oprichtingsovereenkomst TP is opgenomen. Daarmee valt het geschil in de hoofdzaak niet onder het bereik van dat artikel. Zoals [naam 1] terecht stelt, zijn de joint venture overeenkomsten, zoals de oprichtingsovereenkomst TP, aandeelhouders-overeenkomsten. Zij regelen de rechtsbetrekking tussen de aandeelhouders onderling en hun rechtsbetrekkingen met de joint venture. Daar gaat het in de hoofdzaak evenwel niet om. Het geschil beperkt zich daar tot een rechtsbetrekking tussen [naam 1] en [gedaagden]
Ten slotte wijst de rechtbank er nog op dat in artikel 17.1 van de oprichtingsovereenkomst TP staat dat ingeval van de daar genoemde geschillen een van de partijen (of alle partijen bij het geschil) dat geschil kan voorleggen aan arbitrage in Stockholm, Zweden. Het is dan ook maar zeer de vraag of hier sprake is van een exclusieve bevoegdheid.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan een beroep van [gedaagden] op de onbevoegdheid van de rechtbank niet slagen. De overige standpunten van partijen kunnen verder onbesproken blijven.
Bij gebreke van een rechtsgeldig gesloten arbitrageovereenkomst komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van artikel 4 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis), nu [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in Nederland zijn gevestigd, en ten aanzien van [gedaagde 1] op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Deze rechtbank is op grond van artikel 99 Rv relatief bevoegd, nu [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in dit arrondissement zijn gevestigd.
De ontvankelijkheid van [naam 1] ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Dit incident gaat ook nog over de vraag of [naam 1] ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen in de hoofdzaak, omdat – kort gezegd – [naam 1] twee verkeerde (rechts)personen heeft gedagvaard.
De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel het in Nederland geldende stelsel van incidentele vorderingen een open stelsel betreft, betekent dit niet dat iedere vordering bij wijze van incidentele vordering kan worden ingesteld, vanwege het bijzondere karakter van deze procedure. De grens van de mogelijkheid tot het instellen van een incidentele vordering is daar gelegen waar de vordering niet meer een procedurele kwestie betreft, maar een kwestie van materiële aard die – bij toewijzing – leidt tot een eindbeslissing op inhoudelijke gronden op de vorderingen in de hoofdzaak.
In het onderhavige geval stelt [gedaagden] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] slechts een rechtsbetrekking hebben met [naam 1] op grond van de LOI en niet op grond van de balance sheet over 2014 van [gedaagde 3] , terwijl duidelijk is dat [naam 1] zijn vorderingen baseert op die balance sheet en niet op de LOI. Deze stelling, die er dus op neerkomt dat voor zover het de balance sheet over 2014 betreft er geen rechtsbetrekking bestaat tussen [naam 1] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , betreft een inhoudelijk geschilpunt dat kan leiden tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak tegen deze (rechts)personen. Deze aan de niet-ontvankelijkheid ten grondslag gelegde stelling heeft daarmee betrekking op het bestaan en de aard van de materiële rechtsbetrekking tussen partijen. De vordering van [gedaagden] tot niet-ontvankelijkheid is daarom geen incident in de zin van artikel 208 lid 1 Rv, maar betreft een principaal verweer.
Bij dit alles komt dat [naam 1] bij zijn subsidiaire en meer subsidiaire grondslag wel uitgaat van toepasselijkheid van de LOI, waarbij [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] allen partij zijn.
Een en ander betekent dat de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid zal worden afgewezen.
Proceskosten
[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. [naam 1] stelt in dit verband dat [gedaagden] de volledige (de werkelijk door hem gemaakte) proceskosten van [naam 1] dient te vergoeden. Volgens [naam 1] is er sprake van een bij voorbaat kansloos bevoegdheidsincident en is dit ook al voordat het incident is opgeworpen aan [gedaagden] kenbaar gemaakt. Desondanks heeft [gedaagden] een bevoegdheidsincident opgeworpen. Dit kwalificeert als een vorm van onzorgvuldig procederen. Tegen die achtergrond meent [naam 1] dat een volledige proceskostenveroordeling in het incident op zijn plaats is.
De rechtbank overweegt het volgende. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, is slechts toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door de wederpartij. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering door die wederpartij (in dit geval [gedaagden] ), gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de andere partij (in dit geval [naam 1] ), achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als [gedaagden] zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor. [naam 1] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagden] zijn incidentele vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De kosten aan de zijde van [naam 1] worden derhalve begroot op € 543,00 aan salaris advocaat, zijnde 1 punt x tarief € 543,00.
6 De beoordeling in de hoofdzaak
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. De mondelinge behandeling eindigt met een aantal formaliteiten.
7 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van [naam 1] tot op heden begroot op € 543,00,
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. G.J. Meijer in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 of op een externe locatie op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat [naam 1] en [gedaagde 1] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 januari 2021 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met juli 2021, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.
Coll.: MvG