Verbintenissenrecht
Beschikking. Verzoek tot het geven van een verklaring ex artikel 3:270 lid 1 BW. Verzoek deels afgewezen.
Rechtbank Gelderland, 30 mei 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:3381 · Rechtbank Gelderland · 30 mei 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/verbintenissenrecht/beschikking/ecli-nl-rbgel-2024-3381
Zaakgegevens
Op 30 mei 2024 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 30 mei 2024
- Datum publicatie
- 3 juni 2024
- Zaaknummer
- C/05/435960 / KG RK 24-414
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3381
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking. Verzoek tot het geven van een verklaring ex artikel 3:270 lid 1 BW. Verzoek deels afgewezen.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: C/05/435960 / KG RK 24/414/lmc
beschikking van 30 mei 2024
in de zaak van
de naamloze vennootschap
Obvion N.V.,
statutair gevestigd te Eindhoven,
verzoekster,
gemachtigde mr. R.J.M. van Heeswijk, notaris te Rotterdam.
1 De beoordeling
Het verzoek strekt tot het geven van een verklaring op grond van artikel 3:270 lid 3 BW. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de aangehechte verklaring van 10 april 2024 van verzoekster. In die verklaring heeft verzoekster (aan voornoemde notaris) verzocht om de gehele netto opbrengst aan haar uit te keren. Volgens verzoekster bedraagt haar vordering per 22 april 2024 € 190.300,48 exclusief “Kosten P.M.”.
De notaris heeft de rechtbankgriffie desgevraagd bericht dat dit (“Kosten P.M.”) onvoorziene kosten conform de algemene voorwaarden betreft en dat die thans niet bekend en dus vooralsnog nihil zijn.
Omdat de voorzieningenrechter niet (summierlijk) kan beoordelen of die kosten redelijk en terecht (zullen) zijn, moet het verzoek in zoverre worden afgewezen. Hierbij is ook van belang dat, anders dan verzoekster kennelijk veronderstelt, zij - ingevolge het bepaalde in artikel 3:270 lid 3 BW - niet zonder meer aanspraak kan maken op de gehele netto opbrengst.
Voor het overige (€ 190.300,48) is summierlijk van de juistheid van de verklaring gebleken.