Verbintenissenrecht
Kort geding. Opheffing executoriaal beslag.
Rechtbank Gelderland, 11 februari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5974 · Rechtbank Gelderland · 11 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rbgel-2026-5974
Zaakgegevens
Op 11 februari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- C/05/461938
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.G.F.M van Oss, mr. H. Loonstein
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5974
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Opheffing executoriaal beslag.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/461938 / KZ ZA 26-5
Vonnis in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van
1 HET VOSSENHOL B.V.,
te Ermelo,
2. PARQIO LEISURE B.V.,
te Harderwijk,
3. FORESTPARQ VELUWE VASTGOED B.V.,
te Harderwijk,
4. [naam eiser sub. 4] BV,
te [vestigingsplaats] ,
5. [naam eiser sub. 5],
te [woonplaats] ,
6. GREEN HOME DEVELOPMENTS B.V.,
te Ermelo,
7. [naam eiser sub. 7],
te [woonplaats] ,
8. [naam eiser sub. 8],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Het Vossenhol c.s.,
advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,
te Ermelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. H. Loonstein.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief 23 producties
- de productie 24 van Het Vossenhol c.s.
- de producties 1 tot en met 13 van [de gedaagde]
- de akte eisvermeerdering van Het Vossenhol c.s.
- de productie A van [de gedaagde] .
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026
- de pleitnota van Het Vossenhol c.s.
- de pleitnota van [de gedaagde] .
2 De feiten
[naam eiser sub. 5] (eiser 5) is middellijk bestuurder van een aantal vennootschappen die vakantieparken exploiteren en roerende en onroerende zaken in eigendom hebben. Het Vossenhol B.V., ParQio Leisure B.V., ForestParq Veluwe Vastgoed B.V. en [naam eiser sub. 4] B.V. (eisers 1 tot en met 4) zijn vennootschappen die tot dat concern behoren. Green Home Developments B.V. (eiser 6) is een vennootschap die samen met ParQio Leisure B.V. op 4 februari 2025 een “overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen in het Vossenhol BV” heeft gesloten met [de gedaagde] (hierna: de koopovereenkomst). Het Vossenhol exploiteert een camping in Ermelo, genaamd Camping Het Vossenhol. Green Home Developments en Parqio Leisure B.V. zijn in de koopovereenkomst samen aangeduid als Forest Parq Veluwe.
In de koopovereenkomst is bepaald dat kopers vanaf 1 januari 2025 economisch eigenaar zouden zijn, terwijl de aandelen uiterlijk op 30 juni 2025 zouden worden overgedragen.
In aanloop naar de leveringsdatum zijn tussen partijen verschillende geschillen ontstaan. Die geschillen zijn gezamenlijk behandeld tijdens een mondelinge behandeling in kort geding van 20 augustus 2025. Ter zitting hebben [de gedaagde] enerzijds en Green Home Developments en ParQio Leisure anderzijds een schikking getroffen. Daarbij zijn zij onder meer het volgende overeen gekomen:
“1. [naam gedaagd bedrijf] B.V. zal de aandelen in Het Vossenhol B.V. op 30 september 2025
leveren aan ParQio Leisure B.V. Voor het overige blijft de koopovereenkomst in stand
met dien verstande dat Greenhome Developments B.V. niet langer partij is bij die
overeenkomst maar wel aansprakelijk blijft voor nakoming van de twee
leningsovereenkomsten die deel uitmaken van de koopsom. En voorts wordt de boete
zoals opgenomen in artikel 2.5 van de koopovereenkomst verschuldigd indien niet
uiterlijk op 30 september 2025 de aandelen worden geleverd.
2. De verkoperslening van € 350.000,00 wordt vervroegd afgelost te weten uiterlijk op 30
november 2025.
3. Partijen zullen geen negatieve uitingen over elkaar doen op welke wijze dan ook. De lopende kort gedingprocedure tegen mevrouw [medewerker gedaagd bedrijf] zal worden ingetrokken.
4. [medewerker gedaagd bedrijf] zal tot de levering van de aandelen welwillend het beheer blijven voeren over Het Vossenhol B.V.”
(…)
Omdat nadien geschillen rezen tussen partijen over de levering op 30 september 2025 zijn Green Home Developments en ParQio Leisure overgegaan tot het dagvaarden in kort geding van [de gedaagde] en [medewerker gedaagd bedrijf] . In het daaropvolgende verstekvonnis in kort geding van 18 september 2025 zijn de vorderingen van Green Home Developments en ParQio Leisure volledig toegewezen en is onder meer beslist dat [de gedaagde] wordt veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen op 4 februari 2025 gesloten overeenkomst. De aandelen zijn na betekening van het verstekvonnis op 30 september 2025 geleverd aan Uniq Exploitatie B.V. Dit betreft een destijds bestaande lege B.V. die nadien is hernoemd naar ForestParq Veluwe B.V..
Tegen deze uitspraak in verstek zijn [de gedaagde] en [medewerker gedaagd bedrijf] in verzet gekomen. In een uitspraak van 12 december 2025 is het verstekvonnis deels bekrachtigd, deels vernietigd en is deels opnieuw recht gedaan.
[de gedaagde] heeft executiemaatregelen aangekondigd omdat zij van mening was dat de volledige restant koopsom direct opeisbaar was omdat met Uniq Exploitatie B.V. geen afspraken waren gemaakt omtrent de betalingstermijnen. Vossenhol c.s. zijn vervolgens een kort geding gestart gericht op het vaststellen van verrekening van de voorgestelde tegenvordering en een verbod op executiemaatregelen. Dit kort geding stond gepland op 17 december 2025, maar ter zitting is de behandelend rechter door de advocaat van [de gedaagde] gewraakt. Het wrakingsverzoek is op 15 januari 2026 behandeld en bij uitspraak van 21 januari 2026 afgewezen.
[de gedaagde] heeft op 5 januari 2026 op basis van de grosse van de akte aandelenlevering een executie ingezet. Die executie bestaat uit de betekening van de grosse en executoriale beslagen op bankrekeningen van Het Vossenhol BV en ForestParq Veluwe Vastgoed BV, waardoor al daadwerkelijk een bedrag van ongeveer € 36.000 door de beslagen bank aan [de gedaagde] is voldaan, terwijl verder op 9 januari 2026 executoriale verkoop van roerende zaken en onroerende zaken door de deurwaarder bij exploot is
aangekondigd.
3 Het geschil
Het Vossenhol B.V. althans ForestParq Veluwe Vastgoed B.V. (voorheen UNIQ), althans ParQio Leisure B.V. vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 445,568,00 vermeerderd met 21% btw is € 539.137,28, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag aan Het Vossenhol BV, althans aan UNIQ, althans aan ParQio, waarbij het genoemde bedrag kwalificeert als afdracht van de reële met btw vermeerderde verkoopopbrengst van de items, en daarbij te verstaan dat een deel groot € 350.000,00 door [de gedaagde] wordt betaald door verrekening met de tweede verkoperslening; althans
B. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 445.568,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag aan Het Vossenhol BV, althans aan ForestParg Veluwe Vastgoed BV (voorheen UNIQ), althans aan ParQio, waarbij het genoemde bedrag kwalificeert als schadebedrag ter zake de onrechtmatige vervreemding van de verdwenen items voornoemd, en daarbij te verstaan dat een deel groot € 350.000,00 door [naam gedaagd bedrijf] BV wordt betaald door verrekening met de tweede verkoperslening;
Het Vossenhol c.s. vorderen - na vermeerdering van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
C. [de gedaagde] te verbieden executiemaatregelen te (doen) treffen ten laste van eisers of één van hen zolang als niet bij uitvoerbaar vonnis is vastgesteld dat aan [de gedaagde] een vordering toekomt op eisers dan wel een van hen, met bepaling dat [de gedaagde] een dwangsom van € 100.000,00 verbeurt per dag dat zij met voldoening aan dit gebod in gebreke blijft;
D.1. Op te heffen alle beslagen die [de gedaagde] heeft doen leggen en op te heffen alle executiemaatregelen die naast de beslaglegging hebben plaatsgehad, waaronder die, blijkend uit productie 22, voor zover daarvan sprake zal blijken te zijn,
D.2. Subsidiair [de gedaagde] te gebieden, alle op de datum van dit vonnis gelegde beslagen / getroffen executiemaatregelen (waaronder die, blijkend uit productie 22) per direct op te heffen, met bepaling dat [de gedaagde] een dwangsom van € 100.000,00 verbeurt per dag dat zij met voldoening aan dit gebod in gebreke blijft, ingaande twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
E. [de gedaagde] te veroordelen, alle door executiemaatregelen geïncasseerde gelden vermeerderd met de kosten die de bank in verband met beslaglegging in rekening brengt terug te betalen aan ForestParq Veluwe Vastgoed BV op een alsdan door advocaat van eisers aan de advocaat van [de gedaagde] op te geven rekeningnummer;
F. [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.062,00 zijnde het bedrag dat Het Vossenhol c.s. aan griffierecht verschuldigd is in het eerste kort geding dat 17 december 2025 diende voor deze rechtbank;
- Met veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van de procedure.
Het Vossenhol c.s. leggen aan de vorderingen – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
De grosse van de akte aandelenlevering leent zich niet voor directe executie, nu die grosse geen duidelijkheid geeft over de vraag hoe de omvang van de gestelde vordering zou
moeten worden vastgesteld op basis van die grosse. Verder heeft [de gedaagde] geen vordering uit hoofde van de aandelentransactie. De aankoop is deels met verkopersleningen gefinancierd en de tweede verkoperslening was weliswaar opeisbaar, maar is door
verrekening tenietgegaan, terwijl de eerste verkoperslening nog helemaal niet opeisbaar is. Voor wat betreft de verrekening geldt dat [de gedaagde] ongeveer drie weken vóór levering van de aandelen activa van Het Vossenhol BV ter waarde van ruim € 445.568,00 exclusief b.t.w. heeft ontvreemd/vervreemd. [de gedaagde] heeft via haar vorige advocaat tweemaal schriftelijk zonder voorbehoud erkend dat zij (de bewuste) activa heeft vervreemd.
[naam gedaagd bedrijf] B.V. voert verweer. [naam gedaagd bedrijf] B.V. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Het Vossenhol c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Het Vossenhol c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Het Vossenhol c.s. in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Voorop moet worden gesteld dat in het kader van dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen. Het voorlopige oordeel in dit kort geding moet gebaseerd zijn op de ten tijde van de behandeling van het kort geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats. Bepalend is dus of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen partijen in deze kort gedingprocedure over en weer naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid
[de gedaagde] stelt dat eisers 4 tot en met 8 niet-ontvankelijk zijn in hun vordering omdat onvoldoende is aangetoond dat zij, omdat zij deel uitmaken van een concern, als koper moeten worden beschouwd en omdat zij niet getroffen zijn door het executoriale beslag.
In het petitum zijn de vorderingen gesplitst in vorderingen van Vossenhol, althans van ForestParq en ParQio uit hoofde van toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad, vorderingen uit hoofde van de gelegde beslagen en anderzijds een vordering van alle eisers met een verbod om executiemaatregelen jegens hen te nemen tot bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is vastgesteld dat aan [de gedaagde] een vordering op eisers toekomt. Volgens eisers is daartoe aanleiding omdat de raadsman van [de gedaagde] heeft gedreigd ook de borgen (eisers 4 tot en met 8) aan te spreken. Bij e-mail van 19 november 2025 heeft mr Loonstein aan mr Van Oss bericht:
“(…) Hierdoor wordt Uniq Exploitatie B.V. verzocht – en zo nodig gesommeerd – om binnen zeven dagen na heden de volledige restant koopsom te betalen. Als tijdige betaling van het verschuldigde uitblijft, acht cliënte zich vrij om passende rechtsmaatregelen te nemen, ook jegens de borgen.”
Eisers 4 tot en met 8 hebben dan ook een in rechte te respecteren belang bij hun vordering tot het verbieden van nadere executiemaatregelen en kunnen daarom worden ontvangen in hun vordering.
Executoriaal beslag eerste verkoperslening
Desgevraagd heeft de raadsman van [de gedaagde] ter zitting verklaard dat (enkel) executoriaal beslag is gelegd uit hoofde van de opeisbare vordering tot terugbetaling van de tweede verkoperslening van € 350.000,00. Uit de executie exploten van 9 januari 2026 blijkt echter dat naast een op 5 januari 2026 door [de gedaagde] ten laste van ForestParq gelegd beslag voor het bedrag van die tweede verkoperslening ook beslag is gelegd op 5 januari 2026 door [de gedaagde] ten laste van Het Vossenhol onder de Rabobank voor de eerste verkoperslening van € 1.080.000,00. Daarmee geconfronteerd nam de raadsman van [de gedaagde] in eerste instantie het standpunt in dat zowel hij als de deurwaarder de notariële leveringsakte zo hebben gelezen dat [de gedaagde] een vordering op Het Vossenhol heeft ter hoogte van dit bedrag uit hoofde van een rekening courant verhouding. Die vordering – zo heeft [de gedaagde] moeten toegeven – is echter omgezet in de eerste verkoperslening van € 1.080.000,00 die een looptijd kent van twee jaar en dus pas op 30 juni 2027 of, zoals Het Vossenhol c.s. betogen, op 30 september 2027 dient te worden terugbetaald door kopers. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de deurwaarder op basis van deze foutieve uitleg van de akte van levering tot beslaglegging ten laste van Het Vossenhol is overgegaan.
Dit betekent niet alleen dat er geen titel bestond om ten laste van Het Vossenhol te executeren maar ook dat geen opeisbare vordering bestaat waarvoor executoriaal beslag is gelegd. Dat is onrechtmatig jegens Het Vossenhol c.s., althans jegens Het Vossenhol zelf. De enkele toezegging van de raadsman van [de gedaagde] om de deurwaarder na de zitting te gelasten dit terug te draaien is onvoldoende om te concluderen dat Het Vossenhol c.s. geen belang meer hebben bij hun vordering(en). Dit brengt reeds met zich dat de vordering sub D, aangepast, zal worden toegewezen, in die zin dat het executoriale beslag ten aanzien van deze eerste verkoperslening zal worden opgeheven.
Executoriaal beslag tweede verkoperslening
Het Vossenhol c.s. hebben gesteld dat de executie jegens haar, althans Parqio en Green Home Developments, van de tweede verkoperslening van € 350.000,00 moet worden geschorst omdat zij een verrekenbare vordering op [de gedaagde] hebben die de vordering van [de gedaagde] op hen overstijgt. Vast staat dat op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 augustus 2025 deze verkoperslening versneld, op 30 november 2025 moest worden afgelost. Vast staat ook dat dat niet is gebeurd. [de gedaagde] heeft dan ook in beginsel een vordering op Parqio en Green Home Developments zodat zij op grond van de akte van levering executoriaal beslag kon leggen ten laste van die vennootschappen. [de gedaagde] heeft beslag gelegd ten laste van ForestParq, die in de plaats is gesteld van Green Home Developments. Daarbij doet zich nog de situatie voor dat zij ten laste van ForestParq beslag heeft gelegd terwijl zij anderzijds omstandig uiteen heeft gezet dat niet aan deze vennootschap behoefde te worden geleverd en zij deze vennootschap ook niet hoefde te aanvaarden als contractspartij. Die standpunten verdragen zich niet met elkaar.
Primair hebben Het Vossenhol c.s. gesteld dat [de gedaagde] niet aan hen – Parqio en ForestParq – heeft geleverd wat zij bij koopovereenkomst hebben afgesproken en subsidiair dat [de gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door bepaalde activa, te weten chalets Grijs en chalets Blauw, een pipowagen en een hoogwerker, te ontvreemden en dat de schade € 445.568,00 bedraagt. [de gedaagde] betwist dat zij activa heeft ontvreemd, althans dat zij daarbij is betrokken, althans dat de verkoopopbrengst van de verkochte activa door haar is behouden. Subsidiair, zo begrijpt de voorzieningenrechter, betwist zij de hoogte van de schade.
Er zijn sterke aanwijzingen in het dossier dat [medewerker gedaagd bedrijf] op de hoogte was van de verwijdering van de chalets. Het Vossenhol c.s. hebben gesteld dat een huurster van een van de chalets heeft verklaard dat [medewerker gedaagd bedrijf] haar heeft gezegd dat zij haar chalet moest ontruimen en dat andere huurders hebben verklaard dat er chalets werden uitgegraven. Daarop heeft de raadsman van Het Vossenhol c.s. op 8 september 2025 aan de toenmalige raadsman van [de gedaagde] , mr [toenmalig raadsman gedaagde] , geschreven:
“Vanmorgen legde ik telefonisch contact met u met de mededeling dat uw cliënte doende is, chalets die onderdeel uitmaken van de koopovereenkomst van het park te verwijderen. (…) Een huurder heeft aan cliënte meegedeeld, dat [medewerker gedaagd bedrijf] op de deur van het chalet klopte en botweg meldde dat de huurders moesten vertrekken omdat het chalet worden weggehaald (deze mededelingen van huurster zijn vastgelegd in een geluidsopname). Er wordt gegraven op het park en er staan diepladers klaar. (…)”
Mr [toenmalig raadsman gedaagde] heeft hierop als volgt gereageerd namens [de gedaagde] :
“(…)
Voor wat betreft de chalets het volgende: er worden momenteel inderdaad enkele chalets verwijderd en verkocht. Dit is een beleid dat reeds eerder door uw cliënten (ParQio en Green home) is ingezet. Het Vossenhol BV zet dit beleid gewoonweg door. De verkoopopbrengst komt natuurlijk, op grond van het feit dat economisch eigendom met terugwerkende kracht per 1 januari 2025 zal overgaan, ten goede aan Het Vossenhol BV. In die zin is er dus geen sprake van enige benaderingshandeling.”
Daarop heeft de raadsman diezelfde dag gereageerd:
“Uit uw bericht blijkt, dat uw cliënte inderdaad op dit moment met deze handelingen bezig is en kennelijk zo brutaal is, de handelingen ook gewoon voort te zetten ondanks de aanschrijving. Zij zal uitdrukkelijk voor de schade worden aangesproken.”
Mr [toenmalig raadsman gedaagde] heeft hierop geantwoord:
“Voor wat betreft de chalets: de chalets worden verkocht in lijn met hetgeen in de koopovereenkomst is bepaald en in lijn met het door uw cliënten gewenste en ingezette beleid. Nochtans zal ik uw bezwaren met [naam gedaagd bedrijf] BV bespreken.”
Het Vossenhol c.s. hebben de ontvreemde activa nadien op verschillende parken aangetroffen.
[medewerker gedaagd bedrijf] heeft op zitting geen verklaring kunnen geven voor het feit dat haar toenmalige advocaat heeft erkend dat zij betrokken was bij de verwijdering en verkoop van de chalets. De verkoopopbrengst is dan ook niet afgedragen aan Het Vossenhol. Zij betwist thans bij hoog en bij laag dat zij iets van doen had met de verwijdering van de chalets. In het kort geding vonnis van 12 december 2025 is op dit punt overwogen: “Ook ter zitting verklaart [de gedaagde] c.s. weer tegenstrijdig met het standpunt in de dagvaarding en stelt zij dat ze werkte in opdracht van GHD c.s.” Dat [medewerker gedaagd bedrijf] niets van doen had met de ontmanteling van de chalets is dan ook ongeloofwaardig. Er bestaat voldoende aanleiding om ervan uit te gaan dat zij betrokken was bij de ontvreemding en dat Het Vossenhol c.s. daardoor schade hebben geleden. Weliswaar is de hoogte van de verrekenbare vordering betwist maar door Het Vossenhol c.s. is onbetwist gesteld dat het ging om nieuwe chalets waarvan de waarde in de bijlagen bij de koopovereenkomst is vastgesteld. Op grond hiervan moet de executie van de tweede verkoperslening worden geschorst.
Schorsing van de executie
Het Vossenhol c.s. hebben gevorderd alle beslagen (en alle executiemaatregelen) op te heffen. De voorzieningenrechter begrijpt dit aldus dat Het Vossenhol c.s. heeft bedoeld te vorderen dat alle executiemaatregelen worden geschorst. Zoals hiervoor overwogen zal die vordering worden toegewezen op hierna te bepalen wijze.
Verbod op treffen executiemaatregelen
Het gevorderde verbod tot het doen treffen van executiemaatregelen ten laste van Het Vossenhol c.s. of één van hen zolang als niet bij uitvoerbaar vonnis is vastgesteld dat aan [de gedaagde] een vordering toekomt op Het Vossenhol c.s. dan wel een van hen, zal worden afgewezen omdat deze vordering te algemeen is geformuleerd.
Terugbetaling geïncasseerde gelden
Voor zover Het Vossenhol c.s. hebben gevorderd om [de gedaagde] te veroordelen alle door de executiemaatregelen geïncasseerde gelden terug te betalen aan ForestParq Veluwe zal die vordering alleen worden toegewezen voor dat deel dat getroffen is door het op 5 januari 2026 ten laste van Het Vossenhol gelegde executoriale beslag ten aanzien van de eerste verkoperslening, dat hierna door de voorzieningenrechter wordt opgeheven.
Betaling van een geldvordering
Het Vossenhol c.s., althans Parqio en ForestParq vorderen betaling van het bedrag van € 445.568,00, zijnde het bedrag dat gemoeid is met de ontvreemde activa. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van Het Vossenhol c.s. op [de gedaagde] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Het Vossenhol c.s. hebben niet gesteld dat zij een spoedeisend belang hebben bij betaling van dit bedrag, terwijl er overigens op wordt gewezen dat zij dit bedrag wensen te verrekenen met de openstaande geldlening zodat voor toewijzing van het gehele bedrag geen plaats is. Deze eerste twee vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
Eisvermeerdering
Het Vossenhol c.s. vorderen in dit kort geding het griffierecht dat zij voor het eerdere kort geding van 15 december 2025 hebben betaald, stellende dat het wrakingsverzoek door [de gedaagde] ten onrechte is ingediend en dat [de gedaagde] ook niet van zins was om de verdere executie te staken zolang er geen uitspraak in kort geding was. [de gedaagde] heeft er echter terecht op gewezen dat Het Vossenhol c.s. het onderhavige kort geding hadden kunnen beperken tot een executiegeschil waarna zij het oorspronkelijke kort geding na afwijzing van het wrakingsverzoek hadden kunnen voortzetten. In dat geval hadden zij bij toewijzing van de vordering(en) in het oorspronkelijke kort geding geen schade gehad in de zin van niet verhaalbare griffierechten. De voorzieningenrechter volgt die redenering zodat deze vordering wordt afgewezen.
Dwangsom en proceskosten
Er is geen reden voor toewijzing van een dwangsom nu de beslagen met dit vonnis worden opgeheven dan wel geschorst.
[de gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Het Vossenhol c.s. worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
128,65 |
|
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.229,65 |
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
heft op het op 5 januari 2026 ten laste van Het Vossenhol B.V. gelegde beslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht;
schorst het op 5 januari 2026 ten laste van ForestParQ Veluwe Vastgoed gelegde beslag onder de ABN AMRO Bank N.V. gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam;
schorst alle executiemaatregelen die naast de beslaglegging hebben plaatsgehad, waaronder die, blijkend uit productie 22 bij dagvaarding, voor zover daarvan sprake zal blijken te zijn,
veroordeelt [naam gedaagd bedrijf] B.V. om de geïncasseerde gelden terug te betalen die zijn getroffen door het hiervoor onder 5.1. vermelde en opgeheven beslag, vermeerderd met de kosten die de bank in verband met beslaglegging in rekening brengt, door storting op een alsdan door de advocaat van Het Vossenhol c.s. aan de advocaat van [de gedaagde] op te geven
rekeningnummer;
veroordeelt [naam gedaagd bedrijf] B.V. in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [naam gedaagd bedrijf] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. |
||