Verbintenissenrecht

Tussenvonnis in kort geding: (Bouw)geschil tussen buren. Gedaagde heeft volgens eiser niet aan de…

Rechtbank Noord-Holland, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/379575
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. C.N. van Dooren
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:13675
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenvonnis in kort geding: (Bouw)geschil tussen buren. Gedaagde heeft volgens eiser niet aan de veroordeling in het arrest van het hof voldaan. Hij vordert onder meer verwijdering van light tubes die tegen zijn ramen zijn gezet. Gedaagde meent dat zij met deze bouwkundige aanpassing aan het arrest heeft voldaan. De voorzieningenrechter zet in het tussenvonnis het kader uiteen waarbinnen het dictum van het arrest moet worden uitgelegd. Omdat niet kan worden uitgesloten dat gedaagde de toegepaste bouwkundige oplossing met light tubes zodanig aanpast of een andere bouwkundige oplossing voorstelt dat wél wordt voldaan aan de veroordeling, kan de vordering van eiser vooralsnog niet zonder meer worden toegewzen. Gedaagde krijgt de gelegenhied om een aangepast plan te overleggen dat wel voldoet, waar eiser op mag reageren.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/379575 / KG ZA 26-377

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. C.N. van Dooren,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaten: mr. S.T. Blom en mr. L. Mauer.

1 De zaak in het kort

1.1.

[gedaagde] heeft bij een verbouwing drie ramen en een afvoerpijp van haar buurman, [eiser] , dichtgezet. Partijen hebben diverse procedures gevoerd. Uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2026 volgt dat [gedaagde] het dichtzetten van de drie vensters en de afvoerpijp ongedaan moet maken en ervoor moet zorgdragen dat de vermindering van daglichttoetreding in de ruimten achter de drie vensters wordt beperkt tot een vermindering van maximaal 20% ten opzichte van de oude situatie. [gedaagde] heeft medio juni 2026 een bouwkundige aanpassing aan haar pand gedaan en light tubes laten plaatsen die daglicht transporteren en eindigen op de ramen van [eiser] . [eiser] vordert verwijdering van de light tubes en – samengevat – dat [gedaagde] aan de veroordelingen van het arrest voldoet onder verbeurte van een dwangsom en lijfsdwang. Daarnaast vordert hij dat [gedaagde] de lekkage aan zijn pand herstelt die volgens hem door het dichtzetten van de vensters is ontstaan. [gedaagde] voert onder meer aan dat zij met de bouwkundige aanpassing aan het arrest heeft voldaan.

1.2.

De voorzieningenrechter zet in dit tussenvonnis het kader uiteen waarbinnen het dictum van het arrest moet worden uitgelegd. Omdat niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde] de toegepaste bouwkundige oplossing met light tubes zodanig aanpast of een andere bouwkundige oplossing voorstelt dat wél wordt voldaan aan de veroordeling, kan de vordering van [eiser] om de light tubes te verwijderen vooralsnog niet zonder meer worden toegewezen. [gedaagde] krijgt de gelegenheid om een aangepast plan te overleggen dat wel voldoet, waar [eiser] op mag reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 12 producties
- de conclusie van antwoord met 11 producties

- de aanvullende producties 13 tot en met 16 van de kant van [eiser]

- de vrijwillige verschijning van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.2.

De zaak is pro forma aangehouden tot 30 september 2026 voor minnelijk overleg.

[gedaagde] heeft vijf opties aan [eiser] voorgelegd. Kort gezegd vier met gebruik van light tubes en een vijfde met een verbouwing aan het pand van [eiser] . Deze opties waren voor [eiser] niet acceptabel. [eiser] heeft om vonnis gevraagd. Daarna is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[eiser] is sinds 1976 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats] . Het pand van [eiser] bestaat uit een begane grond en twee verdiepingen. [gedaagde] is eigenaar van het naastgelegen pand aan de [adres 2] . Het pand van [gedaagde] bestaat uit een begane grond, huisnummer [nummer 1] , en een bovenwoning, huisnummer [nummer 2] . Op de bovenwoning bevond zich tot 2021 een dak met een schuine kap. In de buitenmuur aan de zijkant van het pand van [eiser] bevinden zich op de eerste verdieping vier doorzichtige vensters, waarvan er drie zicht boden op de schuine kap van [gedaagde] .

3.2.

[gedaagde] heeft op 1 mei 2020 een omgevingsvergunning gekregen op basis waarvan zij boven op de eerste verdieping van haar pand een opbouw kan realiseren. In de als bijlage 3 aan de vergunning gehechte overwegingen is onder meer het volgende opgenomen: “Er is geconstateerd dat de belending (…) over ramen beschikt op de eerste verdieping. Het dichtzetten van deze ramen zal privaatrechtelijk moeten worden geregeld.”

3.3.

Begin maart 2021 is de aannemer van [gedaagde] gestart met de bouw van de opbouw. Daarbij zijn platen voor de vensters van [eiser] gezet. De muur van de opbouw is op enkele centimeters van de buitenmuur en vensters van het pand van [eiser] gerealiseerd. De goot aan de bovenzijde van de opbouw is bevestigd aan de goot van het pand van [eiser] . Door deze ingrepen treedt praktisch geen daglicht meer binnen door drie van de vier vensters van [eiser] op de eerste verdieping.

3.4.

Bij verkort vonnis in kort geding van 26 april 2021 (aangevuld op 7 mei 2021) is [gedaagde] een bouwstop opgelegd en is onder meer bepaald dat afbouw is toegestaan - kort samengevat - als de lichttoetreding die [eiser] via de dichtgezette vensters voorheen had, wordt hersteld op zodanige wijze dat de hoeveelheid binnentredend licht niet met meer dan 20% wordt verminderd.

3.5.

In een tweede vonnis in kort geding van 28 september 2021 is de vordering van [gedaagde] om kort gezegd de bouwstop op te heffen, afgewezen.

3.6.

In de daarop volgende bodemprocedure heeft [gedaagde] onder meer gevorderd om de bouwstop op te heffen en [eiser] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [gedaagde] de verbouwing zonder aanpassing van het bouwplan afrondt.

3.7.

Bij vonnis van 7 juni 2023 van deze rechtbank (hierna: het bodemvonnis) zijn de vorderingen van [gedaagde] afgewezen. De rechtbank heeft twee tegenvorderingen van [eiser] toegewezen. De bijbehorende beslissingen luiden als volgt:

6.4

gelast dat [gedaagde] het dichtzetten van de drie vensters en de afvoerpijp van de gevelkachel ongedaan maakt,

6.5

bepaalt dat [gedaagde] er voor dient zorg te dragen dat de daglichttoetreding in de drie ruimten achter de drie vensters weer in de oude situatie wordt hersteld,

3.8.

[gedaagde] is tegen het bodemvonnis in beroep gekomen. Bij arrest van 10 februari 2026 van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het arrest) heeft het hof het bodemvonnis bekrachtigd en op één punt opnieuw recht gedaan. De beslissing luidt, voor zover van belang, als volgt:

7.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor zover onder 6.5. de rechtbank bepaalde dat [gedaagde] ervoor dient zorg te dragen dat de daglichttoetreding in de drie ruimten achter de drie vensters weer in de oude situatie wordt hersteld;

en opnieuw rechtdoende:

7.2.

veroordeelt [gedaagde] om ervoor zorg te dragen dat de vermindering van daglichttoetreding in de ruimten achter de drie vensters wordt beperkt tot een vermindering van maximaal 20% ten opzichte van de oude situatie;

3.9.

[gedaagde] heeft het hof om aanvulling van het arrest verzocht. Zij stelde zich op het standpunt dat het hof nog geen beslissing had genomen over de vraag of ‘variant 3’ voldoet aan het kort geding vonnis van 26 april 2021, althans voldoet aan de vermindering van maximaal 20% lichtinval. Volgens het in de bodemprocedure ingebrachte tweede rapport van [bedrijf 1] van 18 december 2024, ziet variant 3 op de volgende bouwkundige aanpassing:

(…) In overleg met leveranciers is er gekeken naar het toepassen van light tubes. Een light tube (lichtkoepel tube) is een effectieve manier om natuurlijk daglicht via een koker te transporteren naar moeilijk bereikbare plekken of ruimtes Op onderstaande afbeelding is het principe weergegeven. De leverancier geeft aan dat deze light tubes een gelijkwaardigheidsverklaring hebben en daarmee officieel gelijkwaardig zijn met ‘echt’ daglicht.

[afbeelding niet beschikbaar]

Afbeelding 4: principe light tube

Omdat het streven is om alleen aanpassingen te doen aan het pand van mevrouw [gedaagde] , is er oplossing bedacht om de light tube door haar pand te laten lopen en te laten uitkomen voor de ramen van de heer [eiser] . Dit principe is schematisch weergegeven op onderstaande afbeelding 5.

[afbeelding niet beschikbaar]

Afbeelding 5: principe light tube door woning mevrouw [gedaagde] .

3.10.

Het hof heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek van [gedaagde] tot aanvulling van het arrest. In het arrest van 31 maart 2026 (hierna: het tweede arrest) overweegt het hof:

2.2

De vordering om [eiser] te veroordelen de verbouwing te gedogen, met de aanpassingen van ‘variant 3’(zoals gevorderd onder X) is afgewezen. Dat volgt uit het feit dat het vonnis waarin alle vorderingen van [gedaagde] (in conventie) zijn afgewezen, is bekrachtigd met afwijzing van het meer of anders gevorderde. Dragend voor de beslissing van het hof is de overweging (in 6.12) van het arrest, waarin het hof overwoog: “De (gestelde) beschikbaarheid van alternatieven doet daarom niet af aan de conclusie dat de bouwplannen van [gedaagde] [eiser] onredelijk zouden hinderen tegen deze plannen kan [eiser] zich op grond van artikel 5:50 lid 4 BW verzetten (…).”

3.11.

Medio juni 2026 heeft [gedaagde] light tubes laten plaatsen voor de ramen van [eiser] waarbij lampen gericht stonden op de keuken en een slaapkamer van [eiser] .

3.12.

[eiser] heeft op 24 juni 2026 via een brief van zijn advocaat [gedaagde] gesommeerd binnen 24 uur schriftelijk te bevestigen dat zij binnen zeven dagen de light tubes zal verwijderen en volledig en correct aan de veroordelingen van het hof zal voldoen.

3.13.

[gedaagde] heeft de light tubes niet verwijderd, maar er karton voor geplaatst.

3.14.

Op 10 juli 2026 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van [gedaagde] op de hoogte gesteld van een lekkage aan het pand van [eiser] . In de e-mail staat het volgende:

Ik breng je via deze weg ook op de hoogte van een flinke lekkage bij [eiser] die is ontstaan door de door [gedaagde] geconstrueerde goot. [eiser] kan door de huidige constructie ook niet goed meer bij die goot. Ik zal dit ook aankaarten in het kort geding, maar ik zou het op prijs stellen als [gedaagde] voordien al maatregelen kan nemen om verdere schade te voorkomen.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. [gedaagde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het dichtzetten van de drie vensters en de afvoerpijp van de gevelkachel ongedaan wordt gemaakt;

  2. [gedaagde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat binnen veertien dagen na betekening van het vonnis alle voor de vensters geplaatste light tubes en de installatieonderdelen volledig worden verwijderd;

  3. [gedaagde] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de vermindering van daglichttoetreding in de ruimten achter de drie vensters wordt beperkt tot een vermindering van maximaal 20% ten opzichte van de oude situatie, welk resultaat op kosten van [gedaagde] dient te zijn bevestigd door deskundige [bedrijf 2] ;

  4. [gedaagde] te veroordelen om de opbouw volledig af te breken binnen veertien dagen na betekening van het vonnis;

  5. 1. en 2. en 3. en 4. ieder op verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 150.000;

  6. het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2023 (zaaknummer: C/15/324403 HA ZA 22-62), bekrachtigd en opnieuw rechtgedaan in het arrest van het hof Amsterdam van 10 februari 2026 (zaaknummer: 200.341.139/01) uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, voor zover [gedaagde] het onder rechtsoverweging 7.1 en 7.2 van het arrest van 10 februari 2026 bepaalde niet nakomt, en [eiser] te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van dit vonnis te bewerkstelligen, telkens voor een periode van 15 dagen, met een maximum van 6 maanden;

  7. [eiser] te machtigen, zo nodig met behulp van de sterke arm, naar eigen inzicht de dakopbouw op de woning van [gedaagde] , in het geheel te laten doen verwijderen, na het verstrijken van veertien dagen na betekening van het vonnis, voor volledige rekening en risico van [gedaagde] ;

  8. [gedaagde] te veroordelen tot het betalen aan [eiser] na het verstrijken van veertien dagen na betekening van het vonnis van een voorschot van € 20.000 voor alle kosten en eventuele schade aan het pand van [eiser] in verband met het laten doen verwijderen van de dakopbouw van [gedaagde] ;

  9. [gedaagde] te veroordelen tot het (laten doen) herstellen van de lekkageschade aan het pand van [eiser] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, voor volledige rekening en risico van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000;

subsidiair:

10. het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2023 (zaaknummer: C/15/324403 HA ZA 22-62), bekrachtigd en opnieuw rechtgedaan in het arrest van het hof Amsterdam van 10 februari 2026 (zaaknummer: 200.341.139/01) uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, voor zover [gedaagde] het onder 7.1 en 7.2 van het arrest van 10 februari 2026 bepaalde niet nakomt, en [eiser] te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang van dit vonnis te bewerkstelligen, telkens voor een periode van 15 dagen, met een maximum van 6 maanden, eerst nadat de in de primaire eis onder 1 en 5, onder 2 en 5, onder 3 en 5 of onder 4 en 5 niet wordt voldaan en de dwangsommen zijn verbeurd en gedurende veertien dagen niet zijn voldaan;

zowel primair als subsidiair: met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van onderhavig kort geding, alsmede de kosten van de betekening van het vonnis en het arrest op 25 juni 2026 ad € 222,91.

4.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde] niet aan de veroordelingen van het arrest heeft voldaan, maar in plaats daarvan medio juni 2026 light tubes voor de vensters van [eiser] heeft laten plaatsen en deze weigert weg te halen. Hij vordert verwijdering van de light tubes en dat [gedaagde] op korte termijn aan de veroordelingen voldoet en de onrechtmatige opbouw afbreekt, onder verbeurte van een dwangsom en lijfsdwang. Ook vordert [eiser] dat [gedaagde] op haar kosten de lekkage aan zijn pand laat herstellen, die volgens hem is ontstaan omdat hij door het dichtzetten van de vensters zijn dakgoot niet goed kan bereiken of schoonmaken.

4.3.

[gedaagde] voert aan dat zij met het toepassen van variant 3 aan het arrest heeft voldaan. Het hof heeft deze variant volgens haar niet beoordeeld. Op verzoek van de advocaat van [eiser] is er nu karton voor de light tubes geplaatst. De afvoerpijp van de gevelkachel is volgens [gedaagde] niet afgesloten. Als wordt geoordeeld dat [gedaagde] niet aan het arrest heeft voldaan, zijn de gevorderde termijnen van veertien dagen onhaalbaar en [gedaagde] om haar een redelijke termijn van acht maanden te geven om tot uitvoering van de werkzaamheden over te gaan. Ook verzoekt zij het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat van haar niet verwacht kan worden dat zij verstrekkende kostbare maatregelen neemt, terwijl niet onherroepelijk vast staat dat zij daartoe gehouden is. De gevorderde dwangsommen moeten worden afgewezen of gematigd tot nihil. [eiser] heeft de noodzaak van lijfsdwang daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt en onvoldoende onderbouwd. Er is geen sprake van nakomingsonwil en [gedaagde] is bereid om binnen een redelijke termijn aan een uitvoerbaar vonnis van de voorzieningenrechter te voldoen. [gedaagde] betwist dat de lekkageschade in juli 2026 door haar handelen is ontstaan. Ten slotte ontbreekt het spoedeisend belang bij de vorderingen, aldus [gedaagde] .

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Spoedeisend belang

5.1.

Tussen partijen is sprake van een sinds 2021 lopend conflict over het dichtzetten van de vensters van het pand van [eiser] . [gedaagde] is in alle instanties in het ongelijk gesteld. Omdat zij volgens [eiser] niet aan de veroordelingen voldoet is het spoedeisend belang gegeven. Het feit dat het arrest van het hof al van 10 februari 2026 dateert en [eiser] in de bodemprocedure geen prikkel tot nakoming heeft gevorderd, doet daar niet aan af.

Wanneer is aan de veroordeling van het arrest voldaan?

5.2.

Centraal in dit geding staat de vraag wat [gedaagde] in relatie tot haar bouwwensen op grond van het arrest wel en niet is toegestaan respectievelijk de spiegelbeeldige vraag wat [gedaagde] moet doen om het huidige bouwwerk zodanig aan te passen dat het resultaat in overeenstemming is met de eisen die in het arrest zijn gesteld. Het betreft hier de uitleg van een tweeledig dictum:

1. bekrachtiging van het in 6.4 van het bodemvonnis bepaalde dat luidt:

6.4

gelast dat [gedaagde] het dichtzetten van de drie vensters en de afvoerpijp van de gevelkachel ongedaan maakt,

2. vernietiging van het in 6.5 van het bodemvonnis bepaalde (zie 3.7) en opnieuw rechtdoende:

7.2.

veroordeelt [gedaagde] om ervoor zorg te dragen dat de vermindering van daglichttoetreding in de ruimten achter de drie vensters wordt beperkt tot een vermindering van maximaal 20% ten opzichte van de oude situatie;

5.3.

Vooropgesteld wordt dat bij de beantwoording van de vraag wanneer een bepaald resultaat is bereikt, de inhoud van die veroordeling moet worden vastgesteld door uitleg van het dictum. Daarbij zijn volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad doel en strekking van de veroordeling maatgevend, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan noodzakelijk is om het daarmee beoogde doel te bereiken. Indien de veroordeling de veroordeelde ruimte laat ten aanzien van de wijze waarop aan het voorgeschreven resultaat wordt voldaan, staat het hem in beginsel vrij de daarvoor meest geëigende technische of bouwkundige oplossing te kiezen, mits het door de veroordeling beoogde resultaat daarmee daadwerkelijk wordt bereikt.

5.4.

Tegen deze achtergrond overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.5.

[gedaagde] is door en na het arrest niet alleen verplicht te zorgen voor daglichttoetreding die niet minder is dan 80% van de lichttoetreding ten opzichte van de oude situatie, maar ook verplicht tot het ongedaan maken van het dichtzetten van de vensters. Aan de orde is wat de strekking is van dit samenstel van beide verplichtingen. Het hof expliciteert dit niet. Uit het arrest zijn wel de volgende aanwijzingen te putten:

 De veroordeling van de rechtbank tot herstel van de oude toestand is vernietigd. Grond daarvoor is dat in een stedelijke omgeving enige hinder moet worden geduld. Het hof plaatst de verplichting van [gedaagde] in r.o. 6.10 in de sleutel van artikel 5:50 Burgerlijk Wetboek (BW). Anders dan [eiser] stelt, volgt daaruit niet dat het [gedaagde] geheel verboden is binnen twee meter van de ramen van [eiser] werken aan te brengen. Dat verbod betreft enkel werken die [eiser] onredelijk zouden hinderen, voor invulling waarvan volgens het hof moet worden aangesloten bij artikel 5:37 BW waarin is bepaald dat een eigenaar van een erf geen hinder mag toebrengen aan eigenaars van andere erven in een mate die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is. Wanneer het gaat om sloop-nieuwbouw, brengt een redelijke uitleg van die bepaling mee dat daarvan slechts sprake kan zijn voor zover er ten opzichte van de oude situatie sprake is van een toename van hinder. In dit geval grensden de ramen van [eiser] voorheen aan een dak met een schuine kap.

 Cruciaal voor de uitleg van het arrest zijn de eerste twee volzinnen van r.o. 6.11 van het arrest, die als volgt luiden:

Anders dan [gedaagde] , is het hof van oordeel dat [eiser] zich op grond van deze bepaling kan verzetten tegen de verbouwingsplannen van [gedaagde] . De opbouw van [gedaagde] staat binnen twee meter van de vensters en het op deze wijze “dichtbouwen” van de vensters door [gedaagde] levert hinder op: namelijk het ontnemen van licht en – bij het volledig afsluiten van de vensters – frisse lucht.

 Het hof omschrijft de door [gedaagde] veroorzaakte hinder aldus niet alleen als het ontnemen van daglicht, maar ook – bij het volledig afsluiten van de vensters – het ontnemen van frisse lucht. Die overweging moet worden gelezen in de wetenschap dat de betrokken vensters zijn voorzien van dubbele ramen, die een vrije ruimte van 50 cm vereisen om volledig geopend te kunnen worden.

 Het hof is blijkens de motivering in r.o. 6.12 van het arrest slechts ingegaan op een alternatief om een vergelijkbare belichting met natuurlijk licht te realiseren dat zag op het aanbrengen van een ‘light tube’ op het dak van de woning van [eiser] . Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] dat alternatief terecht heeft afgewezen en dat dit evenzeer geldt voor de eerder tussen partijen besproken voorzieningen.

 Het hof heeft kennelijk aangenomen dat het ongedaan maken van het dichtzetten – opgevat als het volledig afsluiten van de vensters – de enige mogelijkheid is om zonder het hiervoor genoemde alternatief (dat [gedaagde] gegeven de aard van het eigendomsrecht niet van [eiser] kan verlangen) natuurlijke belichting in de woning van [eiser] te realiseren.

 Aldus heeft het hof impliciet de eis gesteld dat niet alleen het toetredende licht natuurlijk moet zijn, maar ook dat de wijze van toetreding zodanig moet zijn dat deze in redelijkheid als toetreding van natuurlijk licht kan worden beleefd.

 Ook deze eis moet worden ingevuld in de context van een hinder-afweging. Dat brengt mee dat enige wijziging ten opzichte van de oude situatie aanvaardbaar is te achten als het resultaat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk is.

 Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de oorspronkelijke situatie zich bepaald niet kenmerkte door een volledig vrije lichttoetreding via de betrokken ramen. Direct vóór de ramen bevond zich immers een schuin dakvlak dat [eiser] het vrije zicht op de hemel (afhankelijk van zijn positie als waarnemer) geheel of grotendeels ontnam. De oorspronkelijke lichtinval bestond vrijwel volledig uit diffuus daglicht. Wel fungeerden de gehele raamoppervlakten als natuurlijke lichtopeningen. Het daglicht was gelijkmatig over het glasvlak verdeeld en veranderde voortdurend onder invloed van de weersomstandigheden en het tijdstip van de dag.

 Wat betreft de toetreding van frisse lucht dient de oplossing zodanig te zijn dat de ramen niet alleen (een behoorlijk eind) open kunnen, maar dat de frisse lucht de (voldoende) geopende ramen ook kan bereiken.

5.6.

Aldus bezien moet de strekking van de veroordeling ten aanzien van de drie vensters, concretiserend, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter als volgt worden opgevat:

[gedaagde] dient haar bouwplan zodanig aan te passen dat:

  • de drie ramen van [eiser] weer zodanig open kunnen en de toevoer van frisse lucht tot die ramen zodanig is dat er frisse lucht tot de woning van [eiser] kan toetreden. Van het ongedaan maken van het dichtzetten van de vensters is pas sprake indien er een oplossing wordt gerealiseerd die aan deze eis voldoet;

  • de hoeveelheid daglicht die toetreedt in de ruimten achter de drie ramen niet minder is dan 80% van het voorheen binnenvallende daglicht, én dat

  • die daglichttoetreding in redelijkheid als natuurlijke daglichttoetreding kan worden beleefd.

5.7.

Het voorgaande dient als uitgangspunt voor de beoordeling of de oplossing die [gedaagde] heeft toegepast door in haar eigen pand ‘light tubes’ aan te brengen die tegen de vensters van [eiser] eindigen en daglicht transporteren (zie r.o. 3.9), aan de veroordeling van het arrest voldoet.

5.8.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat daglicht dat tot de woning toetreedt via light tubes geen natuurlijk licht betreft, is daarvoor in het arrest van het hof geen steun te vindenOF hOG f. Het hof heeft zich daar in het arrest niet over uitgelaten.

5.9.

De omstandigheid dat het hof in het tweede arrest heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is tot aanvulling van het eerste arrest, is geen reden voor een ander oordeel. Een veroordeling dient te worden uitgelegd in de context van de overwegingen waarop het oordeel berust, zonder dat een beslissing op een dergelijk verzoek - wanneer dat niet tot aanvulling of herformulering van het arrest heeft geleid - daarbij wordt betrokken.

5.10.

De door [gedaagde] toegepaste oplossing schiet echter wat betreft de eis dat er frisse lucht via de ramen moet kunnen toetreden en dat de ramen weer open moeten kunnen alsmede wat betreft het belevingsaspect van natuurlijke daglichttoetreding tekort. Een conventionele light tube met een ronde diffuser zoals hier toegepast, kan voldoende daglicht aanvoeren, maar laat het licht geconcentreerd uit één ronde opening treden. Daardoor kan de indruk ontstaan van een kunstmatige lichtbron in plaats van een normaal raam. Technisch zijn er echter ook andere uitvoeringen denkbaar. Het aangevoerde daglicht kan worden verdeeld in een reflecterende lichtkamer achter het volledige raamoppervlak, zodat het gehele glasvlak egaal wordt verlicht. Daardoor wordt de indruk van natuurlijke daglichttoetreding beter benaderd.

5.11.

Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat een bouwkundige oplossing die geen ingrepen in of aan de woning van [eiser] vereist, het openen van de ramen mogelijk maakt, het daglicht over het gehele raamoppervlak verdeelt en de vermindering van de daglichttoetreding beperkt tot maximaal 20% ten opzichte van de oude situatie, in beginsel kan voldoen aan hetgeen het hof heeft bevolen. Ook kan niet worden uitgesloten dat [gedaagde] een oplossing met light tubes ontwerpt en voorstelt die voldoet aan de hiervoor vermelde eis dat daglichttoetreding in redelijkheid als natuurlijke daglichttoetreding kan worden beleefd. De vordering van [eiser] om de huidige bouwkundige oplossing te verwijderen kan daarom vooralsnog niet zonder meer worden toegewezen.

[gedaagde] krijgt de gelegenheid om een aangepast plan te overleggen dat wel voldoet, waar [eiser] op mag reageren.

5.12.

Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of het plan voldoet aan wat het hof heeft bevolen, en zo ja, binnen welke periode [gedaagde] dit plan moet hebben uitgevoerd. Op dat moment zal de voorzieningenrechter ook oordelen over de verzochte dwangmiddelen.

5.13.

Hoewel ingrepen in of aan de woning van [eiser] niet passen binnen de veroordeling, staat het [eiser] uiteraard vrij om in overleg met [gedaagde] (en op haar kosten) alsnog te kiezen voor een oplossing zoals het aanbrengen van een lichtstraat of lichtkoepel in zijn woning.

Afvoerpijp

5.14.

Ten aanzien van de afvoerpijp van de gevelkachel heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze niet is afgesloten. Het hof heeft echter in r.o. 6.16 overwogen dat [gedaagde] het afvoerkanaal eigenmachtig heeft dichtgezet, zodat dit als vaststaand moeten worden aangenomen. Omdat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] – behalve het plaatsen van light tubes – iets aan haar bouwplan heeft aangepast, valt niet in te zien dat de afvoerpijp niet (meer) is afgesloten. [gedaagde] heeft daarmee onvoldoende betwist dat zij op dat punt aan de veroordeling van het arrest heeft voldaan. De voorzieningenrechter geeft [gedaagde] in overweging om ook dit in haar aangepaste plan mee te nemen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

beveelt [gedaagde] om uiterlijk op 16 december 2026 een aangepast plan over te leggen als bedoeld in 5.11, waar [eiser] op zal mogen reageren,

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

1621