Verbintenissenrecht

Er is wel sprake van spoedeisend belang ondanks dat de huur is opgezegd. De vordering tot ontruiming wordt…

Rechtbank Limburg, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
12371800 \ CV EXPL 26-4835
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:11125
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Er is wel sprake van spoedeisend belang ondanks dat de huur is opgezegd. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12371800 \ CV EXPL 26-4835

Vonnis in kort geding van 20 oktober 2026

in de zaak van

1 [verhuurder 1] ,

te [plaats 1] ,
2. [verhuurder 2],

te [plaats 2] ,
3. [verhuurder 3],

te [plaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [verhuurders] ,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

MR CLEANING B.V.,

te Steyl,

gedaagde partij,

hierna te noemen: MR Cleaning,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte vermeerdering van eis zijdens [verhuurders] van 4 oktober 2026

- het verweerschrift van 5 oktober 2026
- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2026
- productie 16 zijdens MR Cleaning

2 De feiten

2.1.

MR Cleaning huurt sinds 1 november 2024 van [verhuurders] een bedrijfsruimte aan de [adres] . De huur bedraagt € 5.706,61 per maand. De huurovereenkomst liep initieel tot en met 31 oktober 2025.

2.2.

Op de huurovereenkomst zijn algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van toepassing. In artikel 33 van deze bepalingen staat:

(…)

“In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte redelijke kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten – aan verhuurder te voldoen. De gemaakte redelijke kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat als volgt wordt berekend: 15 % over de hoofdsom met een maximum van € 15.000.

Artikel 6:96 lid 4 en lid 6 Burgerlijk Wetboek, waaronder uitdrukkelijk begrepen de verwijzing naar het maximaal te vergoeden bedrag aan buitengerechtelijke kosten, zijn daarmee tussen partijen niet van toepassing.”

2.3.

De huurovereenkomst is na ommekomst van de eerste termijn verlengd met 1 jaar, tot en met 31 oktober 2026. De opzegtermijn bedraagt 3 maanden.

2.4.

MR Cleaning heeft vanaf 1 januari 2026 geen huur betaald.

2.5.

MR Cleaning heeft de huur op 29 juli 2026 schriftelijk opgezegd.

3 Het geschil

3.1.

[verhuurders] vordert samengevat – na wijziging van eis,

  1. ontruiming van het pand aan [adres] ;

  2. MR Cleaning te veroordelen tot betaling van € 51.359,49 aan achterstallige huur over januari 2026 tot en met september 2026;

  3. MR. Cleaning te veroordelen tot betaling van € 2.400 boete ter zake onbetaald gebleven huurtermijnen over januari 2026 tot en met augustus 2026;

  4. MR Cleaning te veroordelen tot € 1.800,00 boete terzake te late huur betalingen in 2025;

  5. MR Cleaning te veroordelen tot betaling van € 55.559,49 (posten 2 tot en met 4 bij elkaar opgeteld);

  6. MR Cleaning te veroordeling tot betaling van primair € 7.477,93 aan contractuele juridische kosten, subsidiair € 6.847,93;

  7. Voor zover de onder 3 en 4 gevorderde contractuele boetes geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, MR Cleaning subsidiair te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de betreffende achterstallige huurtermijnen vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening;

  8. MR Cleaning te veroordelen tot betaling van iedere na het uitbrengen van deze dagvaarding opeisbaar wordende maandelijkse huurtermijn van € 5.706,61 zolang de huurovereenkomst juridisch voortduurt, voor zover de betreffende termijn niet reeds is voldaan;

  9. Voor zover de huurovereenkomst rechtsgeldig eindigt voordat het gehuurde daadwerkelijk volledig is ontruimd en behoorlijk aan [verhuurders] is opgeleverd, MR Cleaning te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 5.706,61 per maand, dan wel het evenredige gedeelte daarvan, vanaf de einddatum van de huurovereenkomst tot de dag waarop het gehuurde daadwerkelijk volledig is ontruimd, behoorlijk is opgeleverd en alle sleutels aan [verhuurders] zijn afgegeven;

  10. MR Cleaning te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten;

  11. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

[verhuurders] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. MR Cleaning heeft sinds januari 2026 geen huur meer betaald. Ook in 2025 heeft MR Cleaning veelal te laat de huur betaalt. Op basis van de algemene voorwaarden is MR Cleaning dan een boete verschuldigd. Hoewel MR Cleaning de huur heeft opgezegd bestaat er geen vertrouwen dat MR Cleaning ook daadwerkelijk op 31 oktober 2026 het pand verlaten heeft.

3.3.

Mr Cleaning voert verweer. Mr Cleaning voert aan dat zij vanwege liquiditeitsproblemen heeft verzuimd de huur te betalen. Daarnaast heeft MR Cleaning vanaf de aanvang van de huur [verhuurders] gewezen op technisch problemen in het gehuurde. MR Cleaning heeft geprobeerd in overleg te treden met [verhuurders] over de technische problemen, nieuwe afspraken te maken aangaande de huur en een marktconforme huurprijs te bedingen. [verhuurders] heeft dit geweigerd. Er moet een proportionele beslissing worden genomen, aldus MR Cleaning.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.

Spoedeisend belang

4.2.

MR Cleaning voert aan dat [verhuurders] geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming omdat zij de huur in juli 2026 heeft opgezegd. [verhuurders] heeft vrees dat dat MR Cleaning niet zal vertrekken omdat MR Cleaning blijft aangegeven dat zij de huurovereenkomst zou willen voortzetten onder nieuwe voorwaarden. Ook heeft MR Cleaning bij de opzegging niet aangegeven tegen welke datum zij zal vertrekken. Vandaar dat [verhuurders] wel degelijke een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat er wel sprake is van een spoedeisend belang. Dat MR Cleaning de huur in juli heeft opgezegd en daardoor uiterlijk 31 oktober 2026 het gehuurde moet verlaten is geen garantie dat MR Cleaning op die datum ook daadwerkelijk vertrokken is. MR Cleaning heeft daarnaast ter zitting meermaals herhaald de huur, weliswaar onder andere voorwaarden, te willen voortzetten. Daarom is er ondanks de opzegging wel sprake van een spoedeisend belang.

MR Cleaning moet huur betalen en het gehuurde ontruimen

4.4.

Tussen partijen staat vast dat MR Cleaning de huur over de maanden januari 2026 tot en met september 2026 niet heeft voldaan. De vordering tot betaling van de huur over de maanden januari tot en met september 2026 zal daarom worden toegewezen.

4.5.

Een huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen.

4.6.

Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 8 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels 9 maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. Dat er gebreken zijn aan het gehuurde wordt door [verhuurders] betwist. Als zou komen vast te staan dat er gebreken zijn aan het gehuurde dan had het op de weg van MR Cleaning gelegen om vermindering van de huurprijs te vorderen. MR Cleaning heeft dat niet gedaan en helemaal niets betaald. De aanwezigheid van eventuele gebreken ontslaat MR Cleaning daarom niet van het tijdig betalen van de (volledige) huur.

4.7.

Gelet op het voorgaande is het voldoende aannemelijk dat de kantonrechter in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal toewijzen. Daarnaast is de huurovereenkomst door MR Cleaning in juli 2026 opgezegd. Omdat de opzegtermijn 3 maanden bedraagt moet MR Cleaning ook om die reden het gehuurde uiterlijk 31 oktober 2026 verlaten. De gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen.

MR Cleaning moet huur/gebruiksvergoeding betalen

4.8.

[verhuurders] wil ook dat MR Cleaning wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 5.706,61, te rekenen vanaf de maand oktober 2026 tot het moment dat MR Cleaning het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat MR Cleaning nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.

MR Cleaning moet boete betalen

4.9.

[verhuurder 1] heeft op basis van artikel 28.3 van de algemene bepalingen boetes gevorderd over de te late betalingen in 2025 en de te late betalingen in januari t/m augustus 2026. MR Cleaning heeft niet weersproken dat de algemene bepalingen van toepassing zijn, noch weersproken dat er te laat betaald is en ook niet weersproken dat zij daardoor een boete verschuldigd is. Ook de hoogte van de boetes zijn niet door MR Cleaning betwist. MR Cleaning voert aan dat de boetes moeten worden gematigd.

4.10.

De vordering tot betaling van de boetes zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden die door partijen zijn aangevoerd geen aanleiding om de boetes te matigen.

4.11.

Nu de vordering tot betaling van de achterstallige huur en de boetes wordt toegewezen zal de vordering tot betaling van € 55.559,49 (vordering 5) worden afgewezen. Deze vordering is een optelsom van vorderingen tot betaling van de achterstallige huur en de boetes (vorderingen 2 tot en met 4). Het toewijzen van deze vordering zou dubbelop zijn. Omdat de vordering tot betaling van de boetes reeds wordt toegewezen is vordering 7, tot betaling van de wettelijke rente, niet meer aan de orde omdat deze enkel subsidiair, voor het geval de vordering tot betaling van de boete wordt afgewezen, is gevorderd.

MR Cleaning moet buitengerechtelijke incassokosten betalen

4.12.

[verhuurders] vordert op basis van artikel 33 van de algemene bepalingen de contractuele juridische kosten. [verhuurder 1] heeft dit bedrag primair berekend over de huurachterstand t/m augustus 2026 en de boetes. Subsidiair heeft [verhuurders] dit bedrag berekend door 15 % te nemen van alleen de huurachterstand tot en met augustus 2026.

4.13.

MR Cleaning betwist dat het volledige forfaitaire bedrag zonder nadere beoordeling behoort te worden toegewezen. Volgens MR Cleaning moet [verhuurders] inzichtelijk maken welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en waarom de gevorderde vergoeding redelijk is. Daarnaast vraagt [verhuurders] ook nog om een proceskostenveroordeling. Dat zou betekenen dat de kosten dubbel vergoed worden.

4.14.

[verhuurders] maakt op de voet van artikel 33 van de Algemene Bepalingen aanspraak op een vergoeding van de juridische kosten. Dit zijn andere kosten dan de gevorderde proceskosten. Van het vragen van een dubbele vergoeding is dan ook geen sprake. Doorgaans worden deze kosten de buitengerechtelijke incassokosten genoemd. MR Cleaning voert weliswaar aan dat op geen enkele wijze is aangetoond dat dergelijke kosten zijn gemaakt, maar tegelijkertijd blijkt uit het dossier en de verklaringen die zijn gedaan tijdens de mondelinge behandeling dat van de zijde van [verhuurders] wel degelijk geprobeerd is om achterstallige huur te incasseren. In dat geval heeft [verhuurders] op grond van genoemde bepaling aanspraak tegenover MR Cleaning, die heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf, op vergoeding van kosten voor het verrichten van deze werkzaamheden. Dat staat los van de hoeveelheid inspanningen die zijn getroost om openstaande huurbedragen te innen. Bij de berekening van de kosten is [verhuurders] uitgegaan van het forfaitaire bedrag. [verhuurders] mag deze kosten berekenen over de volledige hoofdsom, dus over de huurachterstand en de boetes. Het bedrag van € 7.477,93 wordt daarom toegewezen.

MR Cleaning moet proceskosten betalen

4.15.

MR Cleaning is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

155,67

- griffierecht

€

753,00

- salaris gemachtigde

€

865,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.917,67

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt MR Cleaning om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurders] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurders] ,

5.2.

veroordeelt MR Cleaning om te betalen aan [verhuurders] :

  1. € 51.359,49 aan achterstallige huur tot en met 30 september 2026,

  2. € 4.200,00 aan boete ter zake te late huurbetaling,

  3. € 5.706,61 per maand vanaf 1 oktober 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,

  4. € 7.477,93 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.3.

veroordeelt MR Cleaning in de proceskosten van € 1.917,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Mr Cleaning niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt MR Cleaning tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

Artikel 6:265 BW HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)