Verbintenissenrecht

Kort geding. De kantonrechter wijst alle vorderingen van eiseres af; haar tijdelijke arbeidsovereenkomst bij…

Rechtbank Rotterdam, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
12404394 VV EXPL 26-597
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14950
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. De kantonrechter wijst alle vorderingen van eiseres af; haar tijdelijke arbeidsovereenkomst bij gedaagde is op 30 september 2026 rechtsgeldig van rechtswege geëindigd. Eiseres beroept zich op de ketenregeling omdat een tussentijdse urenuitbreiding volgens haar als een afzonderlijke, opvolgende arbeidsovereenkomst geldt. De kantonrechter oordeelt dat de urenwijziging slechts een aanpassing van de lopende tweede arbeidsovereenkomst is, mede doordat de einddatum en functie gelijk zijn gebleven. De arbeidsovereenkomst daarna is pas de derde in de keten. Ziekte verhindert een beëindiging van rechtswege niet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12404394 VV EXPL 26-597

datum uitspraak: 29 oktober 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [plaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. E. van Lent,

tegen

Tuinmeubelshop B.V.,

vestigingsplaats: Tiel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. Mulder – Schapendonk.

Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Tuinmeubelshop’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 7 oktober 2026, met bijlagen;

  • de conclusie van antwoord, met bijlagen;

  • de aanvullende producties 11 en 12 van [eiseres] ;

  • de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] .

1.2.

Op 15 oktober 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiseres] met haar gemachtigde en [naam] namens Tuinmeubelshop met de gemachtigde.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 1 februari 2024 voor zeven maanden in dienst getreden bij Tuinmeubelshop als “Klantenservice medewerker remote”, op basis van een oproepovereenkomst (nul-uren).

2.2.

Per 1 september 2024 is een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, ook een oproepovereenkomst voor nul-uren. Die liep dertien maanden, met als einddatum 30 september 2025.

2.3.

Tussen november 2024 en februari 2025 hebben [eiseres] en haar leidinggevende via WhatsApp gesproken over meer uren en specifieke werkzaamheden (support en ticketverwerking) in het aankomende hoogseizoen.

2.4.

Op 7 maart 2025 hebben partijen een nieuw contractdocument ondertekend, getiteld “Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd”. Daarin staat een arbeidsomvang van 32 uur per week tegen een vast maandloon, met 1 maart 2025 als ingangsdatum en dezelfde einddatum van 30 september 2025. De functienaam bleef “Klantenservice medewerker remote”.

2.5.

Op 24 juli 2025 hebben partijen een vierde contractdocument ondertekend voor de periode van 1 oktober 2025 tot en met 30 september 2026.

2.6.

[eiseres] is op 1 mei 2026 arbeidsongeschikt geraakt.

2.7.

Bij brief van 28 augustus 2026 heeft Tuinmeubelshop aan [eiseres] laten weten dat de arbeidsovereenkomst op 30 september 2026 van rechtswege eindigt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] eist samengevat:

  • een voorlopige vaststelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

  • een verbod voor Tuinmeubelshop om uitvoering te geven aan de beëindiging per 1 oktober 2026, op straffe van een dwangsom;

  • doorbetaling van (ziekte)loon met de wettelijke verhoging en rente;

  • wedertewerkstelling, met inachtneming van de re-integratieverplichtingen;

  • Tuinmeubelshop te veroordelen in de proceskosten met rente;

  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Volgens [eiseres] is het document van 7 maart 2025 een nieuwe, derde arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2025 is dan de vierde in de keten en daardoor op grond van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW) omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3.3.

Tuinmeubelshop voert aan dat het document van 7 maart 2025 alleen een tussentijdse wijziging van de arbeidsomvang binnen de lopende tweede arbeidsovereenkomst was. De arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2025 is dan de derde overeenkomst, die rechtsgeldig van rechtswege is geëindigd.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Het beoordelingskader in kort geding

4.2.

Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor Tuinmeubelshop als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.

Spoedeisend belang

4.3.

Gelet op de loonvordering en de ziekte van [eiseres] is het spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen gegeven.

Geen nieuwe arbeidsovereenkomst maar een wijziging

4.4.

[eiseres] heeft een beroep gedaan op de ketenregeling ex artikel 7:668a lid 1 en onder b BW. Dat artikel bepaalt dat als partijen meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten na elkaar hebben gesloten en de tussenpozen tussen die arbeidsovereenkomsten niet langer dan zes maanden zijn, de laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst automatisch een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt.

De kern van het geschil is of het contractdocument van 7 maart 2025 met ingangsdatum 1 maart 2025 een opvolgende (derde) arbeidsovereenkomst is in de zin van de ketenregeling ex artikel 7:668a lid 1 sub b BW, of een voortzetting of wijziging van de al lopende tweede overeenkomst. Daarvoor komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen, en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf).

4.5.

Voorlopig is de kantonrechter van oordeel dat het contractdocument van 7 maart 2025 geen afzonderlijke, opvolgende schakel in de keten is. Vaststaat dat de tweede overeenkomst was aangegaan voor de duur van dertien maanden, lopend tot en met 30 september 2025. Het contractdocument van 7 maart 2025 heeft exact diezelfde einddatum. Dit betekent dat hier geen sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die is aangevangen nadat de eerder overeengekomen arbeidsovereenkomst is geëindigd. Volgens de vaste lijn in de rechtspraak levert een tussentijdse wijziging van de arbeidsomvang, van oproepbasis naar vaste uren, met behoud van de overeengekomen einddatum in beginsel geen opvolgende arbeidsovereenkomst op, ook niet indien partijen hiervoor een nieuw contractformulier ondertekenen. Dat zich hier een situatie van wezenlijk andere aard voordoet, is niet gebleken. [eiseres] kon op de zitting desgevraagd ook niet goed uitleggen waarom de tweede overeenkomst per 1 maart 2025 zou zijn geëindigd terwijl de einddatum ongewijzigd op 30 september 2025 bleef staan.

Andere afspraken/wijzigingen

4.6.

Dat het document van 7 maart 2025 ook andere wijzigingen bevat, zoals een andere cao, een wachtdag bij ziekte en de toepasselijkheid van een personeelshandboek, maakt het voorgaande niet anders. Tuinmeubelshop heeft uitgelegd, en daarmee voorlopig voldoende aannemelijk gemaakt, dat deze wijzigingen het logische en administratieve gevolg zijn van het gebruik van een ander contractsjabloon dat hoort bij vaste medewerkers, in tegenstelling tot het eerdere sjabloon voor oproepkrachten.

4.7.

Ook de registratie van een “nieuw dienstverband” in het salarispakket Loket en bij het pensioenfonds per 1 maart 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Uit de loonstroken na oktober 2025 (productie 3 Conclusie van Antwoord) blijkt namelijk dat de administratieve datum van 1 maart 2025 nadien is blijven staan. Dit ondersteunt het verweer dat het alleen een systeemeis was om de urenuitbreiding te verwerken.

Nieuwe/andere taken

4.8.

De WhatsApp-berichten die [eiseres] heeft overgelegd (productie 11) geven voorlopig ook geen ander beeld. Hoewel hieruit blijkt dat [eiseres] rond februari/maart 2025 werd ingewerkt op klacht- en ticketverwerking en zij hiervoor nieuwe systemen ging gebruiken, passen deze taken binnen haar ongewijzigde functiebenaming “Klantenservice medewerker remote”. Daarnaast volgt uit productie 1 van de Conclusie van Antwoord dat [eiseres] al medio februari 2025, dus nog tijdens haar oproepcontract, zulke tickets afhandelde. Van een wezenlijk nieuwe functie die zou rechtvaardigen dat sprake is van een geheel nieuwe arbeidsovereenkomst, is onvoldoende gebleken.

Gerechtvaardigd vertrouwen: geen overschrijding ketenregeling

4.9.

Voorts weegt mee dat Tuinmeubelshop op 26 augustus 2025 per e-mail aan [eiseres] expliciet heeft uitgelegd dat het document van 7 maart 2025 een omzetting van de lopende overeenkomst was en dat de overeenkomst per 1 oktober 2025 pas de tweede verlenging was en dus de derde overeenkomst. Niet is gebleken dat [eiseres] hier toen tegen heeft geprotesteerd. Tuinmeubelshop mocht er dan ook op vertrouwen dat de ketengrens per 1 oktober 2025 niet werd overschreden. Dat [eiseres] hiervan zelf ook uitging vindt zijn bevestiging in de e-mail van [eiseres] van 28 augustus 2026. Daarin vermeldt zij immers: “Per vandaag ben ik officieel uitgeklokt. Na bijna drie jaren zit mijn tijd hier erop”.

Conclusie

4.10.

Gelet op het bovenstaande is het aannemelijk dat de kantonrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2025 de derde overeenkomst in de keten was en dat die op 30 september 2026 van rechtswege is geëindigd. Het opzegverbod tijdens ziekte staat aan een einde van rechtswege door tijdsverloop niet in de weg. De vorderingen tot doorbetaling van loon en re-integratie na 30 september 2026 worden daarom afgewezen.

Proceskosten

4.11.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan Tuinmeubelshop moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van Tuinmeubelshop worden begroot op € 1.009,- ;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.

53954