Verbintenissenrecht

KG. Opheffing conservatoir beslag op zeeschip. Derdenverzet. Artikel 3 Beslagverdrag 1952 en HR 9 december…

Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/728275 / KG ZA 26-1122
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. A.L. van Beugen te Amsterdam, mr. R.L. Latten te Rotterdam
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14877
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

KG. Opheffing conservatoir beslag op zeeschip. Derdenverzet. Artikel 3 Beslagverdrag 1952 en HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2708. Toewijzing.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/728275 / KG ZA 26-1122

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2026

in de zaak van

1 RLO TANKERS B.V.,

2. RLO TRADER B.V.,

beide gevestigd in Rotterdam,

eisende partijen,

advocaten: mr. H.C.A. van der Houven van Oordt en mr. P.L.A. Hamer te Rotterdam,

tegen

BURGER FERRON SAS,

gevestigd in Duinkerke (Frankrijk),

gedaagde partij,

advocaat: mr. A.L. van Beugen te Amsterdam,

en

WE REFUEL B.V.,

gevestigd in Bergen op Zoom,

gedaagde partij (op de voet van artikel 705 lid 3 juncto 438 lid 6 en 118 Rv),

advocaat: mr. R.L. Latten te Rotterdam.

Partijen worden hierna afzonderlijk RLO Tankers, RLO Trader , Burger Ferron en We Refuel genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 22 oktober 2026;

- de producties E1 t/m E3 van eisende partijen;

- de conclusie van antwoord van Burger Ferron;

- de producties G1 t/m G11 van Burger Ferron;

- de ongenummerde producties van We Refuel;
- de mondelinge behandeling op 23 oktober 2026;
- de pleitnota van eisende partijen;
- de pleitnota van Burger Ferron;

- de pleitnota van We Refuel.

2 De feiten

2.1.

Op 16 oktober 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Burger Ferron verlof verleend om ten laste van We Refuel conservatoir beslag te leggen op het zeeschip [naam schip] (met IMO nummer [nummer] ), met begroting van de vordering van Burger Ferron op We Refuel op € 370.500,00.

2.2.

Op 16 oktober 2026 heeft Burger Ferron op basis van het verlof conservatoir beslag laten leggen op het schip [naam schip] , dat in de haven van Rotterdam ligt.

2.3.

Bij e-mail van 17 oktober 2026 hebben eisende partijen Burger Ferron gesommeerd het beslag op te heffen. Burger Ferron heeft daar geen gehoor aan gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partijen vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het door Burger Ferron gelegde conservatoir beslag op de [naam schip] op te heffen, met veroordeling van Burger Ferron in de kosten van dit geding.

3.2.

Burger Ferron concludeert tot afwijzing van de vordering, met hoofdelijke veroordeling van eisende partijen in de kosten van deze procedure.

3.3.

We Refuel voert verweer tegen de door Burger Ferron gestelde vordering op haar.

4 De beoordeling

4.1.

Burger Ferron is gevestigd in Frankrijk. Het onderhavige geschil heeft daarom een internationaal karakter. De voorzieningenrechter moet ambtshalve onderzoeken of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Op grond van artikel 10:3 BW is op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing. Nu de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verlof tot het leggen van beslag heeft gegeven, is de Rotterdamse voorzieningenrechter op grond van artikel 705 lid 1 Rv tevens bevoegd om van de vordering tot opheffing van het beslag kennis te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het beslagrekest is vermeld dat RLO Tankers de eigenaar is van het schip [naam schip] (hierna: het schip), maar dat nu tussen partijen niet in geschil is dat die vermelding onjuist is. Op de vraag van de voorzieningenrechter wat, onder die omstandigheid, het belang van RLO Tankers is bij toewijzing van de vordering, hebben eisende partijen geantwoord dat RLO Tankers slechts als eisende partij is betrokken om te bevestigen dat zij niet de eigenaar van het schip is. Aangezien RLO Tankers geen rechtstreeks belang heeft bij toewijzing van de vordering, wordt zij op grond van artikel 3:303 BW niet-ontvankelijk verklaard.

4.3.

Vaststaat dat RLO Trader de rompbevrachter is van het schip, zodat zij rechtstreeks wordt geraakt door het beslag en dus belang heeft bij opheffing daarvan.

4.4.

RLO Trader legt aan haar vordering ten grondslag (1) dat de vordering van Burger Ferron op We Refuel niet verhaalbaar is op het schip, (2) dat het beslagrekest niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv en (3) dat de vordering van Burger Ferron summierlijk ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat alle opheffingsgronden doel treffen en licht dat hierna toe.

4.5.

Burger Ferron stelt in het beslagrekest dat zij op grond van artikel 3 van het Beslagverdrag 1952 recht en belang heeft om beslag te leggen op het schip. Die stelling wordt niet gevolgd. Uit lid 4 van dat artikel vloeit weliswaar voort dat ook conservatoir beslag kan worden gelegd op een schip als een ander dan de eigenaar van het schip aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering, maar een dergelijk beslag is alleen mogelijk indien dat naar het toepasselijk recht daadwerkelijk kan leiden tot verhaal op of afgifte van het schip. Het beslag strekt immers uitsluitend ter verzekering van een zeerechtelijke vordering. Indien het beslag geen vervolg kan krijgen, ontbreekt een rechtmatig belang. Burger Ferron heeft niet concreet gemaakt op welke wijze zij, voor het verhaal van haar gestelde vordering op We Refuel, op basis van het beslag enig recht kan uitoefenen op het schip. Van een rechtmatig belang bij het beslag is dan ook niet gebleken.

4.6.

Met de voorliggende stukken is voldoende aannemelijk dat de vordering van Burger Ferron op We Refuel summierlijk ondeugdelijk is. Uit de door Burger Ferron overgelegde overeenkomsten die zij aan haar vordering op We Refuel ten grondslag legt, kan niet zonder meer een contractuele verhouding tussen Burger Ferron en We Refuel worden afgeleid.

Ten eerste betwist We Refuel dat zij partij is bij de overgelegde overeenkomsten. Zij voert onderbouwd aan dat de in de overeenkomsten vermelde partij ‘We Refuel B.V.’ een andere entiteit is met een ander KvK-nummer, die haar naam heeft gewijzigd en nu de naam We Refuel Ltd. voert. Burger Ferron heeft dat inhoudelijk onvoldoende bestreden. Ten tweede is niet gebleken dat Burger Ferron partij is bij de overeenkomsten. De overeenkomsten zijn gesloten met Sealogis Freight Forwarding (hierna: Sealogis) en later met Worms Services Maritimes (hierna: Worms). De enkele omstandigheid dat Sealogis en Worms in de praktijk Burger Ferron hebben ingeschakeld om de contractuele werkzaamheden namens hen uit te voeren en te factureren, is onvoldoende om te concluderen dat Burger Ferron contractspartij is geworden. Dat die facturen zijn betaald, doet daar niet aan af. Overigens heeft We Refuel aangevoerd dat zij de overgelegde facturen van Burger Ferron niet kent en dat de facturen zijn voldaan door We Refuel Ltd.

4.7.

Burger Ferron heeft de beslagrechter in strijd met artikel 21 Rv onvolledig en onjuist geïnformeerd. De vermelding in het beslagrekest dat RLO Tankers de eigenaar is van het schip blijkt niet te kloppen, terwijl Burger Ferron dat op eenvoudige wijze had kunnen vaststellen. Verder heeft Burger Ferron bepaalde feiten die voor de beslissing tot het verlenen van verlof van belang zijn, onvermeld gelaten. Zo heeft zij nagelaten de contractuele verhoudingen tussen Burger Ferron en We Refuel duidelijk te maken. Bij het beslagrekest waren enkel de facturen gevoegd, de contractuele documentatie en aanmaningen ontbraken. Pas in dit kort geding zijn de onderliggende overeenkomsten ingebracht en komt naar voren dat Burger Ferron daarin niet als contractspartij optreedt. Daarnaast geldt dat in het beslagrekest moet worden gemotiveerd waarom het beslag nodig is. In dat kader mocht van Burger Ferron worden verwacht dat zij, in de situatie van conservatoir beslag op een zeeschip dat niet in eigendom is van de schuldenaar, ingaat op de wijze waarop zij door middel van het beslag haar vordering kan verhalen. Die motivatie ontbreekt.

4.8.

In het licht van de voorgaande omstandigheden is voor een (verdere) belangenafweging geen plaats en ziet de voorzieningenrechter grond om het op 16 oktober 2026 gelegde conservatoir beslag op de [naam schip] op te heffen.

4.9.

Burger Ferron is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van RLO Trader en We Refuel betalen.

De proceskosten van RLO Trader worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

257,30

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.358,30

De proceskosten van We Refuel worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

4.10.

Hoewel RLO Tankers niet-ontvankelijk is in haar vordering, is er geen aanleiding om haar in de proceskosten van Burger Ferron te veroordelen, nu eisende partijen dezelfde vordering op dezelfde grondslag hebben ingesteld en RLO Trader in het gelijk is gesteld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart RLO Tankers niet-ontvankelijk in haar vordering;

5.2.

heft op het op 16 oktober 2026 door Burger Ferron gelegde conservatoir beslag op de [naam schip] ;

5.3.

veroordeelt Burger Ferron in de proceskosten, aan de kant van RLO Trader begroot op € 2.358,30 en aan de kant van We Refuel begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Burger Ferron niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

2091 / 1918

HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2708, Furtrans, r.o. 3.4.3