Bestuursrecht overig
Beroep niet tijdig beslissen op een bezwaar van een werknemer tegen een besluit over de…
Rechtbank Limburg, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:8073 · Rechtbank Limburg · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2026-8073
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- ROE 26/758
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:8073
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet tijdig beslissen op een bezwaar van een werknemer tegen een besluit over de eindewachttijdbeoordeling. Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt een termijn vast van 40 weken waarbinnen het Uwv moet beslissen op het bezwaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. Na de datum van verzending van de uitspraak op het beroep niet tijdig beslissen heeft het Uwv vervolgens in elk geval nog eens 12 weken om te beslissen op het bezwaar. De totale beslistermijn bedraagt daarmee 52 weken. In het geval van eiseres is de termijn van 40 weken na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift reeds verstreken op de datum van verzending van de uitspraak. Het Uwv heeft na deze datum daarom alleen nog de termijn van 12 weken na de datum van verzending van deze uitspraak om te beslissen op het bezwaar. Als het Uwv die beslistermijn van 12 weken ook niet haalt, moet zij eiseres een dwangsom betalen van € 100,- per dag dat hij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/758
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2026
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.P.J.F. van Oijen),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigden: mr. R. Spanjer, mr. M. Kooistra en mr. E. Coenen).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het Uwv volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar dat zij heeft gemaakt tegen de toekenning van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank stelt in het concrete geval van eiseres een termijn vast van 12 weken waarbinnen het Uwv alsnog moet beslissen op het bezwaar, te rekenen vanaf de datum van verzending van deze uitspraak.
Als het Uwv deze beslistermijn van 12 weken ook niet haalt, moet zij eiseres een dwangsom betalen van € 100,- per dag dat zij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Aan eiseres is met het besluit van 5 augustus 2025 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,87%. Eiseres heeft op 20 augustus 2025 bezwaar gemaakt hiertegen. Vervolgens heeft eiseres met een brief van 20 februari 2026 (ontvangen op 23 februari 2026) het Uwv medegedeeld dat hij te laat is met een beslissing op dit bezwaar te nemen (de ingebrekestelling).
3. Op 1 april 2026 heeft eiseres het beroep ingesteld.
4. Het Uwv heeft in een dwangsombesluit beslist dat het niet tijdig op het bezwaar heeft beslist en daarom de maximale bestuurlijke dwangsom is verschuldigd van € 1.442,-.
5. De rechtbank heeft met een brief van 12 juni 2026 vragen gesteld aan partijen en verzocht om een reactie voorafgaand aan de zitting. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord.
6. Het beroep is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 21 juli 2026. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
7. Niet ter discussie staat dat het Uwv de beslistermijn heeft overschreden, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat eiseres het beroep heeft ingesteld. Het Uwv heeft nu nog steeds niet op het bezwaar beslist. Eiseres heeft daarom gelijk dat het Uwv te laat is met beslissen. Het beroep is daarom gegrond.
8. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de rechtbank dat het Uwv binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden alsnog een besluit bekendmaakt als hij dat nog niet heeft gedaan. Op grond van het derde lid van dit artikel mag de rechtbank een andere termijn stellen. Ter discussie staat in deze zaak of sprake is van een bijzonder geval en, zo ja, welke beslistermijn de rechtbank stelt en welke dwangsom als bedoeld in het tweede lid, van artikel 8:55d van de Awb daarbij wordt opgelegd.
Het standpunt van het Uwv
9. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat geen indicatie kan worden gegeven binnen welke termijn het Uwv een beslissing op bezwaar kan nemen. Hiervoor zijn meerdere oorzaken. Het Uwv kan de wettelijke taak om mensen sociaal-medisch te beoordelen al langer niet meer volledig uitvoeren en dat heeft geleid tot grote achterstanden in de sociaal-medische dienstverlening. Het aantal aanvragen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) stijgt. Daartegenover staat dat er niet voldoende verzekeringsgeneeskundige capaciteit aanwezig is om alle (her)beoordelingen (tijdig) uit te voeren. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv de keuze heeft moeten maken dat hij vanaf 1 januari 2026 een prioritering aanbrengt in de volgorde van afhandeling van zijn taken.
10. De hoogste prioriteit geeft het Uwv aan de beoordeling van aanvragen inzake de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en Aanvragen Beoordeling Arbeidsvermogen (ABA). Verder geeft het Uwv prioriteit aan de zogenoemde WIA-eindewachttijdbeoordelingen. De gekozen prioritering heeft tot doel om aanvragen van cliënten die nog geen uitkering hebben zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de vraag of recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
11. Ook is het aantal mensen dat moet wachten op de behandeling van hun sociaal-medische bezwaarzaak de afgelopen jaren toegenomen. Dit heeft eveneens te maken met een tekort aan verzekeringsgeneeskundige capaciteit door onvoldoende bezetting, maar ook omdat nieuwe artsen moeten worden opgeleid. Voor de afdelingen bezwaar en beroep van de diverse districten is daarom het uitgangspunt dat de beschikbare artsencapaciteit zo rechtvaardig en zorgvuldig mogelijk wordt ingezet, altijd vanuit het cliëntbelang. Dat betekent dat mensen die hulp het hardst nodig hebben als eerste duidelijkheid krijgen. Voor de volgorde van behandelen van bezwaarzaken waarin medische inzet nodig is, is de beslistermijn zonder eventuele verdaging(en) het uitgangspunt. Voorrang wordt wel gegeven aan schrijnende situaties, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers of werkgevers.
Het standpunt van eiseres
12. Eiseres heeft aangevoerd dat zij belang heeft bij een snelle beslissing op het bezwaar. Het uitkeringsbedrag is per maart 2026 drastisch verlaagd omdat haar uitkering ingevolge de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) is gewijzigd van een loongerelateerde uitkering naar een vervolguitkering. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres benadrukt dat het stellen van een korte beslistermijn en het opleggen van een dwangsom, anders dan het Uwv beweert, wel degelijk een prikkel oplevert voor het Uwv en ‘de politiek’ om te werken aan de achterstanden.
Het oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres sprake is van een bijzonder geval, dat maakt dat zij een langere beslistermijn stelt dan twee weken na de datum van verzending de uitspraak. Eiseres heeft ook niet betwist dat sprake is van zo’n bijzonder geval.
14. De rechtbank heeft er vervolgens begrip voor dat het Uwv per 1 januari 2026 een volgorde aanbrengt in de behandeling van dossiers. Dat het Uwv prioriteit geeft aan de zaken waarin het draait om de bestaanszekerheid van de werknemers en daarnaast aan schrijnende situaties, is goed te begrijpen. Niet in geschil is dat de situatie van eiseres niet kwalificeert als een schrijnende situatie.
15. De rechtbank vindt het bij het bepalen van de beslistermijn aan de ene kant niet zinvol om een termijn te stellen die het Uwv op voorhand niet kan halen en is daarom van oordeel dat een ruime beslistermijn aan de orde is. Het is immers ook in het belang van eiseres dat de beoordeling in bezwaar zorgvuldig gebeurt. Aan de andere kant ziet de rechtbank geen aanleiding om naar aanleiding van de aankondiging van het Uwv dat het de beslistermijn van de rechtbank hoe dan ook zal negeren en dat het daarin gesteund wordt door de minister van SZW, af te zien van het stellen van een beslistermijn. Dit zou onvoldoende recht doen aan de belangen van eiseres.
16. Voor een situatie waarin niet tijdig is beslist op een bezwaar (ongeacht of dit bezwaar is gemaakt door een werknemer of een werkgever) tegen een besluit over de eindewachttijdbeoordeling stelt de rechtbank een termijn vast van 40 weken waarbinnen het Uwv alsnog moet beslissen op het bezwaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv. Na de datum van verzending van een uitspraak op het beroep niet tijdig beslissen heeft het Uwv vervolgens in ieder geval nog eens 12 weken om te beslissen op het bezwaar. De totale beslistermijn bedraagt daarmee 52 weken.
17. Deze termijn van in totaal 52 weken vindt de rechtbank redelijk, mede gelet op hetgeen het Uwv op de zitting naar voren heeft gebracht over de actuele doorlooptijden bij de medische bezwaren in de regio Zuid-Oost en wat hij in dat licht een redelijke beslistermijn zou vinden. Het Uwv heeft toegelicht dat de huidige doorlooptijden gemiddeld 39 weken bedragen voor een werknemersbezwaar en 49 weken voor een werkgeversbezwaar, te rekenen vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. Het Uwv heeft daarbij verklaard dat dit waarschijnlijk de termijn betreft tot de medische beoordeling. Alhoewel het Uwv dus niet duidelijk heeft kunnen maken dat deze doorlooptijden zien op het moment van het besluit op bezwaar, heeft het Uwv ter zitting wel naar voren gebracht dat, als de rechtbank al een beslistermijn wil stellen, deze doorlooptijden ‘een begin van een aanknopingspunt’ daarbij zouden kunnen zijn.
18. In het geval van eiseres is de termijn van 40 weken na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift reeds verstreken op het moment dat uitspraak wordt gedaan. Het Uwv heeft daarom alleen nog de termijn van 12 weken na de datum van verzending van deze uitspraak om te beslissen op het bezwaar. Op de zitting heeft het Uwv overigens toegelicht dat nog geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en ook niet is gepland.
19. Als het Uwv die beslistermijn van 12 weken ook niet haalt, moet zij eiseres een dwangsom betalen van € 100,- per dag dat hij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander bedrag aan mogelijk te verbeuren dwangsommen.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het Uwv krijgt nog twaalf weken de tijd om een beslissing op het bezwaar te nemen.
21. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden.
De rechtbank veroordeelt het Uwv daarnaast in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank kent 1 punt toe voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. De totale proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt het Uwv op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
-
bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
-
bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
-
veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, en mr. J.M.E. Derks en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.