Bestuursrecht overig

Verzoek voldoet niet aan de door de wet gestelde vereisten – niet ontvankelijk.

Rechtbank Limburg, 13 januari 2023

Zaakgegevens

Op 13 januari 2023 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
13 januari 2023
Datum publicatie
23 februari 2023
Zaaknummer
C/03/312169 HARK 22-305
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2023:1414
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek voldoet niet aan de door de wet gestelde vereisten – niet ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/312169 HARK 22-305

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

[verzoeker 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

en

[verzoeker 2]

kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

verzoekers,

dat strekt tot wraking van mr. P.H. Broier, rechter in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter).

1 De procedure

Verzoekers hebben op 7 december 2022 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend in de (bestuursrechtelijke) procedures ROE 21/546, ROE 21/1197 en ROE 21/1626.

2 De beoordeling

2.1.

In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

In artikel 8:16, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

In artikel 8:16, derde lid, van de Awb is bepaald dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.

In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van het Wrakingsprotocol rechtbank Limburg is bepaald dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren indien het verzoek niet is gemotiveerd.

2.2.

Uit de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk – in het verzoek – worden voorgedragen.

2.3.

De wrakingskamer stelt vast dat aan het verzoek tot wraking van de rechter geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit diens vooringenomenheid of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Nu verzoekers hun wrakingsverzoek niet op het moment van wraking hebben gemotiveerd, dient dit verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat in het wrakingsverzoek is vermeld dat de gronden uiterlijk op 9 december 2022 zullen worden ingediend, leidt niet tot een ander oordeel, nu de wet hiervoor geen ruimte biedt. De wrakingskamer neemt daartoe mede in aanmerking dat verzoekers regelmatig wrakingsverzoeken indienen, zodat zij geacht worden bekend te zijn met de (wettelijke) verplichting om alle feiten en omstandigheden in het verzoek naar voren te brengen. Daarbij komt dat dat verzoekers zich presenteren als professionele rechtsbijstandverleners, zodat zij ook uit dien hoofde geacht worden van die wettelijke verplichting op de hoogte te zijn.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, mr. R.M.M. Kleijkers en

mr. Y.J.C.A. Roeffen, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen, griffier, openbaar gemaakt op 13 januari 2023.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.