Burgerlijk procesrecht
Kort geding. Huur bedrijfsruimte. Tekortkoming in de nakoming van de betalingsverplichting. Veroordeling tot…
Rechtbank Limburg, 28 december 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:11144 · Rechtbank Limburg · 28 december 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/kort-geding/ecli-nl-rblim-2015-11144
Zaakgegevens
Op 28 december 2015 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 28 december 2015
- Datum publicatie
- 29 december 2015
- Zaaknummer
- 4667480 CV EXPL 15-12319
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2015:11144
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Huur bedrijfsruimte. Tekortkoming in de nakoming van de betalingsverplichting. Veroordeling tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand, kosten vloer en contractuele boeterente toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht
Zaaknummer: 4667480 CV EXPL 15-12319
Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 december 2015
in de zaak van
[eiser] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde mr. R.W. Janssen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonend aan [adres 1] , [woonplaats 2] ,
gedaagde,
procederend in persoon,
2 [gedaagde sub 2] ,
wonend aan [adres 2] , [woonplaats 3] ,
gedaagde,
gemachtigde mr. G.J.J.A. van Zeijl.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding
-
de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 28 december 2015.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Het geschil
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren sinds 1 mei 2015 van [eiser] de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] , tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 1.180,00 per maand.
Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voormelde bedrijfsruimte binnen vijf dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, zulks met machtiging van
[eiser] om zonodig de ontruiming op kosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te laten uitvoeren,
-
tot betaling van een bedrag van € 5.900,00 aan huurachterstand, € 1.200,00 aan contractuele boeterente en € 400,00 aan kosten latexvloer,
-
tot betaling van een bedrag van € 885,00 aan buitengerechtelijke kosten,
-
in de proceskosten.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben (ieder afzonderlijk) verweer gevoerd.
Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.
3 De beoordeling
De vraag of [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, die voor zover deze ziet op de gevorderde huurachterstand, boeterente en kosten latexvloer, strekt tot betaling van een geldsom, dient te worden beantwoord aan de hand van de afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voorts geldt dat voor een toewijzing van een geldsom in kort geding slechts plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. Voor toewijzing van de gevorderde ontruiming dient de hoogte van de huurachterstand ernstig genoeg te zijn. Aangezien een ontruiming een ingrijpende - en in de praktijk vaak een definitieve - maatregel is, worden bij deze beoordeling alle betrokken belangen in ogenschouw genomen.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet hebben betwist dat zij ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een gelet op de maandelijkse huurprijs van
€ 1.180,00 op vijf maanden te begroten huurachterstand hadden laten ontstaan. Nog daargelaten dat [gedaagde sub 1] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd (ter zake dienende bescheiden ontbreken) kan bij gebreke van het instellen van een reconventionele vordering en het gegeven dat verrekening van de huur op basis van artikel 25.1 van de Algemene Bepalingen is uitgesloten, de discussie tussen partijen over de eventuele (tegen)vorderingen van [gedaagde sub 1] (vanwege door haar gedane investeringen in het gehuurde) buiten beschouwing blijven.
Nu niet aannemelijk is geworden en ook anderszins niet is gebleken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een rechtsgrond hebben om hun huurbetalingsverplichtingen niet na te komen, zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Aangezien is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aan de gevorderde huurbetalingsverplichtingen hebben voldaan en de huurachterstand verder oploopt, terwijl [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorts over een restitutierisico niets hebben aangevoerd, staat vast dat [eiser] (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van de vordering, die strekt tot betaling van de huurachterstand. Het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien leidt tot het oordeel dat de vordering ter zake de huurachterstand van € 5.900,00 voor toewijzing gereed ligt.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben evenmin betwist dat zij op grond van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Algemene Bepalingen een boeterente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn, zodat deze gevorderde bedragen eveneens worden toegewezen. De verschuldigdheid van de kosten van de latexvloer hebben zij evenmin betwist en ligt ook voor toewijzing gereed.
Hoewel uit het lichaam van de dagvaarding volgt dat het reeds op 1 december 2015 betaalde bedrag van € 100,00 in mindering strekt op de vordering, is dit - naar de kantonrechter begrijpt per abuis - niet in het petitum van de dagvaarding vermeld. Met voormelde betaling zal hierna, in het dictum, rekening worden gehouden.
De tekortkoming, bestaande in een huurachterstand van vijf maanden ten tijde van de dagvaarding, rechtvaardigt de gevorderde veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. [eiser] behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat [eiser] bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft. De ontruimingstermijn zal, zoals gevorderd, op vijf dagen na betekening van dit vonnis worden gesteld, waarbij zij opgemerkt dat [gedaagde sub 2] reeds eerder het gehuurde heeft verlaten en [gedaagde sub 1] ter zitting heeft toegezegd de bedrijfsruimte per 31 december 2015 te zullen verlaten.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:
- dagvaarding € 98,13
- griffierecht € 78,00
- salaris gemachtigde € 600,00
Totaal € 776,13
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de bedrijfsruimte, staande en gelegen aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] , binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis met al het hunne en de hunnen te verlaten, te ontruimen en ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van:
-
€ 5.900,00 aan huurachterstand,
-
€ 1.200,00 aan contractuele boeterente,
-
€ 400,00 aan kosten latexvloer,
-
€ 885,00 aan buitengerechtelijke kosten,
verstaat dat op vorenstaande in mindering strekt het reeds betaalde bedrag van
€ 100,00,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de aan de zijde van [eiser] gevallen proceskosten, welke worden begroot op € 776,13,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken.
Type: CJ