Verbintenissenrecht
Executiegeschil. Het verbod om de executie opnieuw op te starten of voort te zetten wordt toegewezen. Eisers…
Rechtbank Limburg, 16 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:7358 · Rechtbank Limburg · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/verbintenissenrecht/kort-geding/ecli-nl-rblim-2026-7358
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- C/03/353092 / KG ZA 26-214
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R Wijn, mr. E.H.J. Slager
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:7358
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executiegeschil. Het verbod om de executie opnieuw op te starten of voort te zetten wordt toegewezen. Eisers hebben aannemelijk gemaakt dat zij in het tijdvak 2022-2024 geen bestuurders waren van de vennootschappen en daarom niet over dat tijdvak aangesproken kunnen worden voor door de vennootschappen onbetaald gelaten premies. Geldvordering wordt afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd waarom een oordeel in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/353092 / KG ZA 26-214
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
1 [eisende partij 1] B.V.,
te [plaats] ,
2. [eisende partij 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] en afzonderlijk ‘ [eisende partij 1] ’ en ‘ [eisende partij 2] ’,
advocaat: mr. R. Wijn,
tegen
STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE GROOTHANDEL IN VLAKGLAS, DE GROOTHANDEL IN VERF, HET GLASBEWERKINGS- EN HET GLAZENIERSBEDRIJF,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het Pensioenfonds,
advocaat: mr. E.H.J. Slager.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21,
- de producties 1 tot en met 4 van het Pensioenfonds,
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eisende partijen] ,
- de spreekaantekeningen van het Pensioenfonds.
2 De feiten
[eisende partijen] is in 1982 opgericht. [eisende partij 2] is sindsdien enig bestuurder en enig aandeelhouder van [eisende partijen] .
[eisende partij 2] heeft vanaf 1982 [glashandel] B.V. (hierna: Glashandel) geëxploiteerd. [eisende partij 2] was destijds enig bestuurder van Glashandel en [eisende partij 1] was enig aandeelhouder.
Omstreeks 2015 werd de zoon van [eisende partij 2] , [de zoon] , mede-eigenaar en medebestuurder van Glashandel. Verschillende activiteiten van Glashandel werden toen in aparte B.V.’s ondergebracht. Zo ontstonden, naast Glashandel, ook [glasservice] B.V. (hierna: Glasservice) en [projecten] B.V. (hierna: Projecten). Er werd tevens een tussenholding opgericht genaamd [groep] B.V. (hierna: Groep). [eisende partij 2] en [de zoon] werden via hun holdings bestuurders en aandeelhouders van Groep.
[eisende partij 2] is in 1950 geboren en heeft in 2017 de pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar bereikt.
In november 2025 werd, naar aanleiding van een op verzoek van het Pensioenfonds uitgebracht dwangbevel, beslag gelegd op een bankrekening van [eisende partij 2] , zonder dat dit doel trof.
In december 2025 werd vervolgens, naar aanleiding van verschillende dwangbevelen, op verzoek van het Pensioenfonds, executoriaal beslag gelegd op de woning van [eisende partij 2] (en zijn echtgenote) voor een bedrag van € 339.232,54 in hoofdsom.
[eisende partijen] heeft omstreeks eind december 2025 een bedrag van € 200.000,- aan het Pensioenfonds betaald.
In januari 2026 hebben [eisende partij 2] en het Pensioenfonds een betalingsregeling getroffen.
Het beslag op de woning van [eisende partij 2] is vervolgens opgeheven.
3 Het geschil
[eisende partijen] vorderen - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,:
-
het Pensioenfonds verbiedt om de executie voort te zetten;
-
het Pensioenfonds veroordeelt om € 284.217,32 aan [eisende partijen] (terug) te betalen;
-
het Pensioenfonds veroordeelt in de kosten van het geding en in de nakosten.
Het Pensioenfonds voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Het verbod om de executie opnieuw op te starten of voort te zetten
Het spoedeisend belang
Met de door [eisende partijen] gestelde dreiging van het hervatten van de (in het verleden ingezette) executiemaatregelen, waar door het Pensioenfonds geen verweer tegen is gevoerd, is het spoedeisend belang gegeven.
Ten gronde
Ter zitting hebben [eisende partijen] het onder a. in het petitum gevorderde ter zitting nader gespecificeerd door in hun spreekaantekeningen te vorderen het Pensioenfonds te verbieden de executie van de 19 in de dagvaarding genoemde dwangbevelen ten laste van hen te starten of die voort te zetten. Voor zover dit al als een wijziging van eis dient te worden aangemerkt, heeft het Pensioenfonds hier geen bezwaar tegen gemaakt, zodat de voorzieningenrechter bij de hierna volgende beoordeling de gespecificeerde vordering tot uitgangspunt zal nemen.
[eisende partijen] leggen aan hun vorderingen verschillende (maar wel met elkaar samenhangende) feiten en omstandigheden ten grondslag. Ten eerste stellen [eisende partijen] dat [eisende partij 2] en [eisende partijen] niet kunnen worden aangesproken voor de onbetaald gelaten premieafdrachten, omdat zij in het tijdvak waarop de dwangbevelen zien (2022-2024) geen (indirect) bestuurder waren van Glashandel, Glasservice en Projecten (hierna ook aangeduid als: de vennootschappen). Het Pensioenfonds spreekt [eisende partij 2] en [eisende partijen] daarom ten onrechte aan voor de onbetaald gebleven premies over voormeld tijdvak. Ten tweede stellen [eisende partijen] dat slechts drie van de 19 dwangbevelen waarvan het Pensioenfonds betaling vordert van [eisende partijen] en [eisende partij 2] ten laste van [eisende partij 2] zijn opgelegd, waarvan twee (ook) ten laste van [eisende partijen] . Het gaat hierbij om de dwangbevelen met de nummers [nummer 1] ( [eisende partijen] en [eisende partij 2] voor een bedrag van € 30.986,81), [nummer 2] ( [eisende partij 2] voor een bedrag van € 7.608,76) en [nummer 3] ( [eisende partijen] en [eisende partij 2] voor een bedrag van € 55.508,75). [eisende partijen] en [eisende partij 2] kunnen dus niet voor méér dan voor deze twee respectievelijk drie (van de 19) dwangbevelen worden aangesproken, aldus [eisende partijen] Ten derde stellen [eisende partijen] dat slechts één dwangbevel dat ten laste kwam van [eisende partij 2] , te weten het dwangbevel met nummer [nummer 1] , voorafgaand aan het executoriale beslag aan [eisende partij 2] werd betekend. Dit impliceert, aldus [eisende partijen] , dat alleen voor dát dwangbevel (voor een bedrag van € 30.986,81) executoriaal beslag had mogen worden gelegd.
[eisende partijen] voeren ter onderbouwing van hun eerste stelling aan dat [eisende partijen] en [eisende partij 2] (in elk geval) reeds vanaf januari 2017 geen bestuurder van de vennootschappen meer zijn. De zoon van [eisende partij 2] , [de zoon] , is sinds 2017 (enig) bestuurder van de vennootschappen. Het aftreden van [eisende partijen] (en [eisende partij 2] als indirect) bestuurder is echter aanvankelijk per abuis niet bij de Kamer van Koophandel geregistreerd. Toen dit werd ontdekt is alsnog met terugwerkende kracht geregistreerd dat [eisende partijen] sinds 1 januari 2017 is afgetreden als bestuurder van de vennootschappen. [eisende partijen] hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat [eisende partijen] al sinds het jaar 2017 geen bestuurder meer is van de vennootschappen een verklaring overgelegd van de (register) accountant, Van Kampen, (hierna: de accountant) die de administratie van de vennootschappen tot en met 2020 heeft verzorgd. In die verklaring schrijft de accountant onder meer dat hij zich herinnert dat [eisende partij 2] (en zijn Holding), wegens het bereiken van de 67-jarige leeftijd door [eisende partij 2] in het jaar 2017, de bestuurstaken heeft (hebben) overgedragen aan zijn zoon [de zoon] . In verband met die bestuurswisseling zijn volgens de accountant in 2018 ook de daarvoor noodzakelijke formulieren ingevuld, maar de daarop betrekking hebbende wijziging is, blijkbaar, per abuis nooit bij de Kamer van Koophandel aangekomen of is daar nooit doorgevoerd, aldus de accountant. De accountant vermeldt verder in zijn verklaring dat de bestuurswisseling ook kan worden afgeleid uit het feit dat aan de doorbelasting van de management fee een einde is gekomen, alsmede uit bescheiden zoals arbeidsovereenkomsten en opdrachtbevestigingen (onderstrepingen zijn van de voorzieningenrechter):
“Vanuit de door ons samengestelde jaarrekening van [eisende partij 1] B.V. over het boekjaar 2016 blijkt dat gedurende dat jaar de doorbelasting van de management fee tot een einde is gekomen en dat is ook vanaf dat moment onveranderd gebleven.
Op basis van enkele documenten uit ons archief is daarnaast gebleken dat de bestuurswisseling ook overeenkomt met de feitelijke omstandigheden op dat moment. Onder verwijzing naar een destijds opgesteld adviesmemo van de fiscalist die toen bij ons werkzaam was (bijlage 1) kan worden aangetoond dat de heer [eisende partij 2] vanaf 2017 niet meer actief was binnen de onderneming.
Tot slot blijkt het ook uit andere documentatie welke in ons bezit is, zoals getekende
arbeidsovereenkomsten en opdrachtbevestigingen.”
Ook [de zoon] heeft een verklaring afgelegd waarin valt te lezen dat [eisende partijen] en [eisende partij 2] per 1 januari 2017 als bestuurders van de vennootschappen zijn afgetreden.
Het Pensioenfonds betwist het in deze door [eisende partijen] gestelde. Uit raadpleging van het uittreksel van de Kamer van Koophandel in de periode van het ontstaan van de premieachterstanden volgde volgens het Pensioenfonds dat [eisende partijen] , en via [eisende partijen] , (indirect) [eisende partij 2] , bestuurder waren van de vennootschappen. De in de Kamer van Koophandel geregistreerde gegevens leveren volgens het Pensioenfonds overtuigend bewijs op van het feit dat [eisende partijen] en [eisende partij 2] tijdens de in geding zijnde periode bestuurder van de vennootschappen waren. Bewijs van het tegendeel is niet geleverd. Immers, uit de verklaring van de accountant valt volgens het Pensioenfonds niets anders op te maken dan dat deze zich het “niet goed kan herinneren” en voorts dat [de zoon] zelf belang heeft bij de vordering. Aan de ingebrachte schriftelijke verklaringen komt (daarmee) onvoldoende gewicht toe en voor het aangeboden getuigenbewijs is geen plaats binnen het bestek van dit kort geding, aldus het Pensioenfonds.
De inschrijving in het handelsregister is weliswaar niet zonder betekenis, maar deze vormt een mogelijke aanwijzing, waaraan een vermoeden kan worden ontleend dat de ingeschreven persoon bestuurder van de betreffende vennootschap is. Dit neemt niet weg dat door degene die ingeschreven staat feiten en omstandigheden kunnen worden aangedragen die het vermoeden ontkrachten of weerleggen dat deze destijds daadwerkelijk bestuurder van de betreffende vennootschap was. Door [eisende partij 2] en [eisende partijen] wordt in dat verband, gemotiveerd, verwezen naar de aangepaste gegevens van de Kamer van Koophandel, waarin de aanvankelijke inschrijving (in oktober 2024) is rechtgezet. Uit productie 2 bij de dagvaarding volgt dat [eisende partijen] vanaf 1 januari 2017 geen bestuurder (meer) is van Glashandel. Uit productie 6 bij de dagvaarding volgt dat [eisende partijen] per 1 januari 2017 is uitgetreden bij Groep (welke vennootschap met ingang van 12 mei 2015 enig bestuurder is van Glasservice respectievelijk Projecten). Door [eisende partij 2] en [eisende partijen] is daarnaast ook een verklaring van een onafhankelijke derde, de accountant die tot en met 2020 de administratie van de vennootschappen deed, in het geding gebracht. Deze verklaring strookt volledig met het door [eisende partijen] aangevoerde omtrent de correctie, achteraf, van de bestuurswisseling per 1 januari 2017. In tegenstelling tot wat het Pensioenfonds daarover betoogt valt in die verklaring volstrekt niet te lezen dat de accountant het zich niet meer kan herinneren. Nog daargelaten dat de betreffende accountant zich zaken wél herinnert (dus niet: niet), heeft deze met behulp van bescheiden in de archieven onderzoek gedaan naar, kort gezegd, de bestuurshistorie. De voorzieningenrechter verwijst kortheidshalve naar het voorgaande citaat uit de verklaring van de accountant (zie rov. 4.4), waarin deze gemotiveerd aangeeft dat de bestuurstaken vanaf 2017 nog uitsluitend werden uitgevoerd door de bestuurder [B.V.] Ook de verklaring van [de zoon] heeft eenzelfde strekking. [de zoon] verklaart namelijk dat [eisende partij 2] en [eisende partijen] per 1 januari 2017 als bestuurders zijn afgetreden. Het betoog van het Pensioenfonds dat [de zoon] zelf belang zou hebben bij een dergelijke verklaring overtuigt niet. [de zoon] heeft er, in tegenstelling tot wat het Pensioenfonds daarover betoogt, immers juist geen belang bij om te verklaren zoals hij doet, omdat dat mogelijk ‘in zijn richting wijst’. [eisende partijen] hebben met het door hen aangevoerde daarom ruimschoots aannemelijk gemaakt dat [eisende partijen] en [eisende partij 2] gedurende de jaren 2022 tot en met 2024 niet de (indirect) bestuurders van de vennootschappen waren. Het vermoeden dat de aanvankelijk, naar [eisende partijen] stellen, foutieve inschrijving zou corresponderen met de feitelijke situatie is daarmee voldoende weerlegd. Met haar verweer op dit punt dat in het handelsregister iedereen zomaar alles kan laten registreren, spreekt het Pensioenfonds bovendien zichzelf tegen, nu dit ook haar eigen argument zou ontkrachten dat de (aanvankelijke) inschrijving in het handelsregister leidend moet zijn. Gelet op het voorgaande is voorshands aannemelijk geworden dat [eisende partij 2] en [eisende partijen] in het in geding zijnde tijdvak geen (indirect) bestuurders van de vennootschappen waren en daarom niet kunnen worden aangesproken voor de onbetaald gelaten premieafdracht over de jaren 2022 tot en met 2024. Het onder a. gevorderde, en tijdens de mondelinge behandeling nader gespecificeerde, verbod om de executie van de dwangbevelen weer op te starten en de executie daarvan voort te zetten zal daarom worden toegewezen.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan de
– overigens niet door het Pensioenfonds betwiste – tweede en derde stelling van [eisende partijen] onder rechtsoverweging 4.3.
De geldvordering van € 284.217,32
Onder b van het petitum hebben [eisende partijen] gevorderd dat het reeds aan het Pensioenfonds betaalde bedrag van € 284.217,32, vermeerderd met de wettelijke rente, moet worden terugbetaald. Immers, nu [eisende partijen] en [eisende partij 2] geen (indirect) bestuurder meer waren van de aangesproken vennootschappen in het tijdvak 2022-2024, waren zij niet aansprakelijk. Ook om andere redenen zijn [eisende partijen] niet dan wel niet ten volle aansprakelijk (zie de tweede en derde stelling onder rov. 4.3). Het Pensioenfonds heeft derhalve, aldus [eisende partijen] , op onrechtmatige wijze afgedwongen dat [eisende partij 2] een bedrag van € 200.000,00 aan het Pensioenfonds heeft betaald en dat deze een betalingsregeling met het Pensioenfonds is aangegaan. Het betaalde bedrag is derhalve onverschuldigd betaald, dan wel is het Pensioenfonds hiermee ongerechtvaardigd verrijkt, aldus [eisende partijen] Daartoe het volgende.
De toets bij een geldvordering in kort geding
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Het spoedeisend belang
Het bij de toewijzing van de geldvordering gemoeide spoedeisend belang is volgens het Pensioenfonds onvoldoende concreet onderbouwd. De enkele stelling dat het Pensioenfonds niet wil terugbetalen is, aldus het Pensioenfonds, in ieder geval onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Het bedrag is bovendien zonder protest of voorbehoud betaald, en dus uit vrije wil, zo stelt het Pensioenfonds.
[eisende partijen] hebben, ook nadat de voorzieningenrechter ter zitting had gevraagd om de hiervoor bedoelde spoedeisendheid van de geldvordering te motiveren en uit te leggen dat sprake is van feiten en omstandigheden die ertoe nopen dat uit hoofde van onverwijlde spoed terugbetaling van meergenoemd bedrag van € 284.217,32 is vereist, nagelaten een nadere toelichting op dit deel van de vordering te geven. [eisende partijen] hebben met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 284.217,32 enkel gesteld dat zij recht hebben op terugbetaling, omdat de betaling van dit bedrag op onrechtmatige wijze van hen is afgedwongen, en daarmee dus sprake is van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking . [eisende partij 2] heeft volgens [eisende partijen] alleen ter voorkoming van een veiling van zijn woning een betalingsregeling getroffen met het Pensioenfonds.
De voorzieningenrechter ziet zonder de gevraagde onderbouwing, die [eisende partijen] niet gegeven hebben, niet in dat [eisende partijen] een spoedeisend belang hebben bij de door hen ingestelde onderhavige geldvordering, zulks ondanks het feit dat die vordering voldoende aannemelijk is gemaakt (zie al het voorgaande). Dat sprake zou zijn van een noodsituatie is gesteld noch gebleken, zoals bijvoorbeeld een dreigend faillissement. Er moeten (bijzondere) feiten en omstandigheden worden gesteld, en bij gemotiveerde betwisting, voldoende aannemelijk worden gemaakt, die tot de conclusie leiden dat een oordeel in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. In het licht hiervan zal het gevorderde onder b. worden afgewezen.
De proceskosten
Nu het Pensioenfonds ten gronde in het ongelijk is gesteld, zal het worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eisende partijen] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
125,57 |
|
|
- griffierecht |
€ |
7.062,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.553,57 |
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt het Pensioenfonds om de executie van de negentien (19) in de dagvaarding genoemde dwangbevelen ten laste van [eisende partijen] op te starten of voort te zetten,
veroordeelt het Pensioenfonds in de proceskosten van € 8.553,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het Pensioenfonds niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026. |
||