Strafrecht overig

Veroordeling voor het medeplegen van opzettelijk bewerken en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid hennep.

Rechtbank Limburg, 3 april 2019

Zaakgegevens

Op 3 april 2019 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
3 april 2019
Datum publicatie
4 april 2019
Zaaknummer
03/661155-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2019:3143
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van opzettelijk bewerken en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid hennep.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661155-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H. van der Ende, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2019. De verdachte en zijn raadsrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

al dan niet in vereniging op grote schaal hennep heeft bewerkt en aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de processen-verbaal van bevindingen van politie met betrekking tot de in de loods aangetroffen situatie, de verklaringen van de knipsters en de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de in de auto (Ford Mondeo [kenteken] ) aangetroffen 5 kilogram henneptoppen vrijspraak bepleit aangezien verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze hoeveelheid hennep in de achterbak van deze auto. Evenmin is gebleken dat dat deze hoeveelheid hennep zich in de machtssfeer van verdachte heeft bevonden.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het medeplegen van het opzettelijk bewerken van een hoeveelheid hennep, welke zich in de loods bevond, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

- processen-verbaal van bevindingen;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 15 mei 2015 te Lottum, gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op grond van de omstandigheid dat a. de verdachte bij het medeplegen van het strafbare feit maar een beperkte rol heeft vervuld b. er vanwege de natte hennep van een beduidend lagere hoeveelheid henneptoppen moet worden uitgegaan en c. de forse overschrijding van de redelijke termijn, een geheel voorwaardelijke taakstraf of een taakstraf van ten hoogste 20 uren bepleit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met anderen zich schuldig gemaakt aan het bewerken van een grote hoeveelheid hennep. Bij het bewerken van de hennep heeft verdachte een controlerende en toezichthoudende rol vervuld. Verdachte heeft dit strafbare feit gepleegd puur uit geldelijk gewin.

Het betreft een ernstig feit. Ook softdrugs leveren in verband met het hoge THC gehalte in hennep gevaren op voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien wordt met de productie en handel van drugs in het criminele circuit heel veel geld verdiend terwijl de Nederlandse samenleving hier veel overlast, hinder en schade van ondervindt en voor de kosten moet opdraaien.

De rechtbank stelt vast dat verdachte gezien een uittreksel uit zijn justitiële documentatie d.d. 29 januari 2019 niet eerder met politie of justitie in aanmerking is gekomen voor overtreding van de Opiumwet.

Het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de aangetroffen hoeveelheid henneptoppen en de straffen die doorgaans door deze rechtbank in het verleden in soortgelijke zaken zijn opgelegd, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Op grond van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM ziet de rechtbank aanleiding hiervan af te wijken en een strafvermindering toe te passen. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat in verband met de juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan voormelde straffen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte voor het feit tot een gevangenisstraf van 1 maand;

  • bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd voor de duur van 2 jaren:

- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

  • veroordeelt de verdachte voor het feit eveneens tot een taakstraf voor de duur van 100 uren;

  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.M.A. van Atteveld, voorzitter, mr. J.B.J. Driessen en mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M. Müller, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 april 2019.

Buiten staat

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 mei 2015 te Lottum, gemeente Horst aan de Maas, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] en/of in een auto die

aan die weg geparkeerd stond) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 45,6

kilogram hennep, althans een grote hoeveelheid hennep, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, Basisteam Horst/Peel en Maas, proces-verbaalnummer PL2353-2015090466, gesloten d.d. 22 juli 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 492. De processen-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2015 en 21 juli 2015, pagina’s 454, 455 en 459 tot en met 461 van het onder 1 doorgenummerd proces-verbaal. Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 mei 2015, pagina 282 tot en met 285 van het onder 1 doorgenummerd proces-verbaal. Proces-verbaal terechtzitting d.d. 20 maart 2019.