Belastingrecht
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 november 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:5691 · Rechtbank Midden-Nederland · 14 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2023-5691
Zaakgegevens
Op 14 november 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 14 november 2023
- Datum publicatie
- 31 oktober 2023
- Zaaknummer
- 23/731
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5691
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WOZ. Ongegrond.
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 14 november 2023deze uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2023:5691
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 maart 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:1753Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/731
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: C. van Abbe),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar
(gemachtigde: P.H.M. Verhoef).
Procesverloop
In de beschikking van 15 februari 2022 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 299.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
23 december 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 3 oktober 2023. De gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
1. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat er geen geschil meer bestaat over de WOZ-waarde van de woning van eiser. De gemachtigde van eiser heeft het beroep niet ingetrokken, omdat hij een beroep doet op artikel 40 van de Wet WOZ. De rechtbank zal daarom ingaan op dit beroep.
Is er een schending van artikel 40 van de Wet WOZ?
Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat hij in bezwaar om de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning en van de door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen heeft verzocht. De heffingsambtenaar heeft de KOUDV- en liggingsfactoren van de referentiewoningen niet verstrekt. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift met een beroep op artikel 40 van de Wet WOZ heeft verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Eiser doelt hierbij op alle stukken/gegevens die bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van het bezwaar zijn betrokken. De KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentieobjecten vallen hier ook onder.
Op 7 juli 2022 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat de punten die zijn aangehaald tijdens de hoorzitting zijn verwerkt in de uitspraak. De uitspraak op bezwaar dient dus als verslag van de hoorzitting. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak op bezwaar niet afgeleid kan worden dat eiser opnieuw tijdens de hoorzitting om de KOUDV-factoren van de referentieobjecten heeft verzocht. In beroep heeft eiser de inhoud van het verslag van de hoorzitting niet betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser op de hoorzitting niet heeft aangegeven welke stukken hij nog meer nodig had. Als eiser tijdens de hoorzitting niet opnieuw aanvoert dat hij informatie mist door het niet toesturen van de gevraagde stukken, dan mag in beginsel worden aangenomen dat hij die stukken kennelijk niet (meer) nodig heeft. Pas in de beroepsfase voert eiser aan dat de heffingsambtenaar niet de KOUDV-factoren van de referentiewoningen heeft verstrekt. De rechtbank laat deze beroepsgrond buiten beschouwing, omdat eiser deze beroepsgrond te laat in het geding heeft gebracht, hetgeen in strijd is met de goede procesorde.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2023.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.