Bestuursprocesrecht

Awb, verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, besluit en gronden ontbreken.

Rechtbank Midden-Nederland, 19 mei 2025

Zaakgegevens

Op 19 mei 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
19 mei 2025
Datum publicatie
14 augustus 2025
Zaaknummer
UTR 25/2708
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2025:4439
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Awb, verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, besluit en gronden ontbreken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2708


uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 mei 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

Onbekende verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster op 25 april 2025 heeft ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter nodigt verzoekster niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen. Daardoor kan de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk behandelen. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom.

3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet een kopie van het besluit en de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

4. De griffier heeft verzoekster op 28 april 2025 met een aangetekende brief gevraagd om binnen één week een kopie te overleggen van het besluit waar zij het niet mee eens is en de gronden van het verzoek in te dienen. Volgens de bijbehorende track&trace gegevens van PostNL is deze brief op 29 april 2025 bezorgd en is voor ontvangst getekend. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat de brief door verzoekster is ontvangen.

5. Verzoekster heeft binnen die termijn niet gereageerd. Verzoekster heeft daar geen reden voor gegeven.

6. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak doen over het verzoek. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2025.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Dit staat in artikel 8:83 van de Awb.