Bestuursrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Wraking · Bestuursrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 13 februari 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:832 · Rechtbank Midden-Nederland · 13 februari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbmne-2018-832
Zaakgegevens
Op 13 februari 2018 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 13 februari 2018
- Datum publicatie
- 6 maart 2018
- Zaaknummer
- 450077 / HA RK 17-262
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2018:832
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wrakingszaak.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Wrakingskamer
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 450077 / HA RK 17-262
Proces-verbaal van de beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 februari 2018
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats]
(verder te noemen: verzoeker),
tot wraking van mr. E.J.W. Verhaagh als behandelend rechter in de zaak met nummer
UTR 16 / 4142 BESLU T3.
1 De procedure
De behandeling van het wrakingsverzoek, die op 24 november 2017 was onderbroken, is op 13 februari 2018 hervat. Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek toegelicht. Aan het einde van de behandeling van de zaak heeft de wrakingskamer de behandeling onderbroken teneinde zich te beraden.
Na hervatting van de behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en meegedeeld direct mondeling uitspraak te doen.
2 De beoordeling
Artikel 8:16 lid 1 Awb schrijft voor dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. In dit geval heeft verzoeker op 16 november 2017, zes weken na de zitting van 5 oktober 2017, een wrakingsverzoek ingediend. Verzoeker heeft betoogd dat hij direct na de zitting wist dat hij de rechter ging wraken en is direct begonnen met het schrijven van het wrakingsverzoek. Hij heeft hier elk vrij moment van zijn tijd aan besteed en heeft hier wegens persoonlijke omstandigheden lang over gedaan. Anders dan verzoeker betoogt, brengt de omstandigheid dat verzoeker meteen na de zitting van 5 oktober 2017 wist dat hij de rechter ging wraken en is gaan schrijven aan zijn verzoek, niet mee dat de verlate indiening van het wrakingsverzoek verschoonbaar is. Het wrakingsverzoek is te laat ingediend.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verklaart de wrakingskamer het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
3 De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met nummer UTR 16 / 4142 BESLU T3 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en
mrs. G.J.J.M. Essink en N.E.M. Kranenbroek als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.