Bestuursrecht overig

Wrakingszaak. Buiten zitting beslissing. Verzoeker heeft een voorwaardelijk wrakingsverzoek gedaan. Een…

Rechtbank Midden-Nederland, 31 juli 2026

Zaakgegevens

Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
31 juli 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
615252 HA RK 26-143
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5111
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wrakingszaak. Buiten zitting beslissing. Verzoeker heeft een voorwaardelijk wrakingsverzoek gedaan. Een beslissing dat een verzoek zonder zitting wordt afgedaan (als daarvan al sprake is) kan geen grond zijn voor wraking, ook niet in voorwaardelijke vorm.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer: 615252 HA RK 26-143

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 31 juli 2026

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna: verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Verzoeker heeft op 20 juli 2026 een voorwaardelijk verzoek ingediend om de rechter te wraken in de zaak met het zaaknummer UTR 26/5917 (hierna: de hoofdzaak).

1.2.

De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.

1.3.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking afhankelijk gesteld van een bepaalde voorwaarde. Het voorwaardelijke wrakingsverzoek houdt, kort samengevat, in dat verzoeker de rechter wraakt wanneer het door verzoeker gedane verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting zal worden afgedaan.

2.2.

Een rechterlijke beslissing kan als zodanig geen grond vormen voor wraking. Dat geldt zowel voor beslissingen in de hoofdzaak als voor daarmee verband houdende beslissingen van andere aard. Een wrakingsverzoek kan daarom niet met succes worden gedaan op de grond dat een door de rechter nog te nemen beslissing een bepaalde inhoud heeft. Een beslissing dat een verzoek zonder zitting wordt afgedaan (als daarvan al sprake is) kan dan ook geen grond zijn voor wraking, ook niet in voorwaardelijke vorm.

2.3.

Gelet op het voorgaande zal de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn wrakingsverzoek.

3. De beslissing

De wrakingskamer:

3.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;

3.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;

3.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 26/5917 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. M.S.T. Belt en mr. N.A.J. Purcell als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

de griffier de voorzitter

De griffier is niet in de gelegenheid

deze beslissing mede te ondertekenen

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:155. Zie ook artikel 2.4.2. onder a van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank.